← België

B. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.15 Rolnummer: P.21.1063.N Zaak: B. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-10-08 Raadplegingen: 455 - laatst gezien 2026-06-18 13:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit geen enkele wetsbepaling volgt dat de jeugdrechter een aan de jeugdrechtbank gericht en voor die rechtbank bestemd verslag van de sociale dienst jeugdrechtbank niet in aanmerking mag nemen op de enkele grond dat het niet is ondertekend door de auteur ervan of dat het een elektronische handtekening draagt die niet voldoet aan de ter zake geldende regelgeving. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Verontrustende situatie - Verslagen van de sociale dienst jeugdrechtbank - Ondertekening van het verslag met een elektronische handtekening - Toelaatbaarheid Tekst van de beslissing Nr. P.21.1063.N V B, ouder van de minderjarige, eiseres, met als raadsman mr. Matthias Boeckstijns, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTPSLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, jeugdkamer, van 10 juni

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het verweer van de eiseres dat het medisch verslag van dr. Van Campen nietig is omdat het niet ondertekend is; het oordeelt enkel dat er geen reden of grond bestaat om de verslagen van de jeugdhulpverleners of de sociale dienst in het dossier nietig te verklaren.
  3. Het arrest oordeelt dat in het arrest van 1 april 2021 reeds werd verwezen naar de nota van dr. Van Campen die op 3 maart 2021 voor het hof van beroep werd neergelegd en dat de eiseres in de voorliggende procedure niet meer kan opwerpen dat met dit verslag geen rekening meer mag worden gehouden. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het verweer van de eiseres dat geen rekening mag worden gehouden met het medisch verslag van dr. Van Campen of dat dit medisch verslag vals is; het arrest oordeelt ten onrechte dat wanneer in een vorige beslissing rekening is gehouden met dat verslag geen middel meer zou mogen en kunnen worden ontwikkeld over de valsheid van dit verslag in de procedure over de eventuele verlenging van de opgelegde maatregel van pleegzorg.
  5. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen.
  6. Het arrest oordeelt dat op geen enkele ernstige wijze aannemelijk wordt gemaakt dat het bedoelde medische verslag vals is. Aldus beantwoordt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer betreffende de beweerde valsheid. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het verweer van de eiseres dat de elektronische handtekening van L.M. niet wettig is en niet kan worden geverifieerd nu het verslag van 3 februari 2021 geen gekwalificeerde elektronische handtekening bevat; met het oordeel dat het verslag is overgemaakt aan de jeugdrechtbank en duidelijk afkomstig is van de sociale dienst, of met het oordeel dat de argumentatie omtrent de handtekening van de consulente niet aantoont dat het verslag vals is, geeft het arrest geen antwoord op dat verweer.
  8. De enkele omstandigheid dat een partij het oneens is met het antwoord dat de rechter verstrekt op een verweer van die partij, levert geen motiveringsgebrek op. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Het arrest oordeelt als volgt: - reeds in het arrest van 1 april 2021 werd geoordeeld dat het ontbreken van een handtekening irrelevant is, aangezien niet kan worden betwist dat de verslagen werden overgemaakt aan de jeugdrechter door de betrokken diensten; - er is geen reden of grond om de verslagen nietig te verklaren; - de argumentatie met betrekking tot de handtekening van de consulent toont geenszins aan dat het document vals is. Met die redenen beantwoordt het arrest wel degelijk het bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (hierna Richtlijn 1999/93/EG); de artikelen 3.12, 28 en 29 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, artikel 8.1, 1° en 3°, Burgerlijk Wetboek en artikel 2 van de wet van 20 oktober 2000 tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure: het arrest neemt ten onrechte het verslag van 3 februari 2021 dat niet op rechtsgeldige wijze elektronisch is ondertekend, in aanmerking; de overweging van het arrest dat het verslag werd overgemaakt aan de jeugdrechtbank en duidelijk afkomstig is van de sociale dienst, doet daaraan geen afbreuk; de gekwalificeerde elektronische handtekening is, zoals een gewone handtekening, een garantie voor de rechter om na te gaan dat het verslag is geschreven door de bevoegde persoon; enkel een jeugdconsulent bij de sociale dienst is bevoegd om een nota aan de jeugdrechter op te maken, bij gebrek waaraan het verslag niet kan worden toegerekend aan de bevoegde persoon binnen de organisatie en er geen rekening mee kan en mag worden gehouden.
  11. Uit geen enkele wetsbepaling volgt dat de jeugdrechter een aan de jeugdrechtbank gericht en voor die rechtbank bestemd verslag niet in aanmerking mag nemen op de enkele grond dat het niet is ondertekend door de auteur ervan of dat het een elektronische handtekening draagt die niet voldoet aan de ter zake geldende regelgeving. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. De overige aangevoerde onwettigheden zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschending en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 8.1, 1° en 2°, Burgerlijk Wetboek, de artikelen 1382 tot en met 1384 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 458 Strafwetboek: het arrest neemt het medisch document van dr. Van Campen in aanmerking alhoewel het niet is ondertekend; een medisch document moet naast de handtekening ook de datum bevatten, het RIZIV-nummer en stempel van de arts; enkel met de handtekening kan de ondertekenaar worden geïdentificeerd, zij dient tot uitdrukking van de wil van de ondertekenaar en draagt bij tot de beveiliging van informatie en dient een ceremoniële functie; de enige mogelijkheid waardoor het principieel beroepsgeheim van medische gegevens kan worden opgeheven, is de situatie waarin de persoon over wie medische gegevens, van welke aard ook, zouden worden meegedeeld zijn of haar uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming hiertoe verleent; in dat geval geldt het advies geformuleerd door de Provinciale Raad van de Orde van Artsen van Luik, die oordeelt dat de gegevens van medische verslagen niet automatisch in handen van de patiënt moeten worden gegeven; doordat het arrest rekening houdt met een medisch document waarin medische gegevens over de eiseres en haar zoon worden overgemaakt aan derden, waarin veel subjectieve uitlatingen staan, en dat ter zake niet is ondertekend door de betrokken arts, miskent het arrest het principe van het medisch beroepsgeheim en van het vereiste van toerekenbaarheid van het medisch document aan de opsteller ervan.
  14. Het middel specificeert niet hoe en waarom het arrest de artikelen 1382 tot en met 1384 oud Burgerlijk Wetboek schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  15. Artikel 8.1, 1° en 2°, Burgerlijk Wetboek is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  16. In zoverre het middel is gericht tegen het handelen van de sociale dienst en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  17. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het eerste middel is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen.
  18. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 458 Strafwetboek, verplicht het tot een onderzoek van feiten en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 55,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.