← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.25 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.19 Rolnummer: P.21.0644.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-10-08 Raadplegingen: 1358 - laatst gezien 2026-06-19 13:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De enkele omstandigheid dat een feitelijk zaakvoerder van een werkgever-rechtspersoon die de verantwoordelijkheid draagt voor het personeelsbeleid van die rechtspersoon, gedurende een beperkte periode wegens vakantie in het buitenland verblijft, sluit niet uit dat de rechter oordeelt dat hij wel degelijk effectief en feitelijk gezag en de nodige bevoegdheid heeft wat betreft het doen van Dimona-aangiften en hem de in die periode gepleegde misdrijven strafrechtelijk kunnen worden toegerekend. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Dimona-aangifte - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid - Feitelijk zaakvoerder van een werkgever-rechtspersoon - Effectief en feitelijk gezag en bevoegdheid om over de naleving van de wet te waken - Afwezigheid in het buitenland - Gevolgen Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Vrije woorden: Werknemers - Dimona-aangifte - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid - Feitelijk zaakvoerder van een werkgever-rechtspersoon - Effectief en feitelijk gezag en bevoegdheid om over de naleving van de wet te waken - Afwezigheid in het buitenland - Gevolgen Fiches 3 - 5 De bewezenverklaring van het door artikel 181, § 1, 1° Sociaal Strafwetboek bedoelde misdrijf vereist dat de dader de hoedanigheid heeft van werkgever of van diens aangestelde of van diens lasthebber; deze begrippen kunnen door de strafrechter autonoom worden ingevuld, in die zin dat hij er een andere betekenis of draagwijdte aangeeft dan die welke ze in andere rechtstakken, zoals het burgerlijk of sociaal recht, hebben

(1).
(1)Zie ook Cass. 10 mei 2005, AR P. 04.1693.N, AC 2005, nr. 270, met concl. van de heer procureur-generaal M. De Swaef. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Dimona-aangifte - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid - Werkgever, aangestelde of lasthebber - Betekenis - Autonome invulling door de strafrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Allerlei Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid - Werkgever, aangestelde of lasthebber - Betekenis - Autonome invulling door de strafrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Werkgever, aangestelde of lasthebber - Betekenis - Autonome invulling door de strafrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Fiches 6 - 9 Een lasthebber in de zin van artikel 181, § 1, 1° Sociaal Strafwetboek is de persoon die door de werkgever ermee is belast om buiten een band van ondergeschiktheid voor zijn rekening de naleving van de sociaalrechtelijke verplichtingen te verzekeren, wat inhoudt dat die lasthebber beschikt over het gezag en de nodige bevoegdheid om effectief over die naleving te waken, zelfs al zou die bevoegdheid zijn beperkt naar tijd en plaats, voorwaarden waarover de rechter onaantastbaar oordeelt of eraan is voldaan; een feitelijke zaakvoerder van een werkgever-rechtspersoon kan lasthebber zijn van die werkgever in de zin van artikel 181, § 1, 1°, Sociaal Strafwetboek mits aan de voormelde voorwaarden is voldaan en het is niet vereist dat de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat er tussen die werkgever-rechtspersoon en die feitelijke zaakvoerder een contractuele relatie bestaat. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Dimona-aangifte - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid - Lasthebber - Begrip - Gezag en bevoegdheid om over de naleving van de wet te waken - Beoordeling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Allerlei Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid - Lasthebber - Begrip - Gezag en bevoegdheid om over de naleving van de wet te waken - Beoordeling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid - Lasthebber - Begrip - Gezag en bevoegdheid om over de naleving van de wet te waken - Beoordeling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid - Lasthebber - Gezag en bevoegdheid om over de naleving van de wet te waken - Beoordeling van de voorwaarden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 181 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Annotaties Publicaties: BJS-Bulletin juridique social - 2021, n° 680, p.
  1. - CLESSE, Charles-Eric; Note'Le mandataire en droit pénal social' JTT-JTT: Droit du travail, droit de la sécurité sociale, droit judiciaire social, droit pénal social - 2022, n° 6, p. 93-
  2. - SIMON, Matthieu; Note'Autonomie relative du droit pénal social: employeur, préposé, mandataire et lien de subordination' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 4, p. 288-
  3. - DOOMS, Vincent; Noot'Het begrip werkgever heeft een andere betekenis in het strarecht dan in het sociaal recht' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0644.N I A C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II CAUTERMAN-VAN BREEDAM bv, met zetel te 9031 Gent (Drongen), Klaverdries 28, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 1 april
  4. De eiser I en de eiseres II voeren elk in memories die aan dit arrest zijn gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  5. Het arrest spreekt de eiser I vrij voor de feiten van de telastleggingen A.1 tot en met A.
  6. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de beide eisers
  7. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de regel van de bewijskracht van akten: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser I betreffende de vaststellingen van de eerste rechter geen grieven aanvoert; aldus geeft het arrest een betekenis aan of een uitlegging van het grievenformulier en de syntheseconclusie van de eiser I van 15 januari 2021, die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan; de eiser I heeft met die conclusie voor de appelrechters immers aangevoerd dat hij geen aandeelhouder was van de eiseres II en dat het kasteel Oudenberg eigendom is van Les Roses Investments nv, waardoor hij de andersluidende vaststellingen van het beroepen vonnis wel degelijk heeft betwist.
  8. Het arrest (p. 24 e.v. ro 40 en 41) rekent de inbreuken wegens de ontbrekende Dimona-aangiften voor de werknemers van de eiseres II niet aan de eiser I toe omdat hij eigenaar zou zijn van het domein Kasteel Oudenberg of hoofdaandeelhouder van de eiseres II, maar wel omdat de werknemers van de eiseres II, J.D.S.N. en M.D.S.S. hem aanwijzen als “de baas”. Aldus geef het arrest ook te kennen dat de eiser I de feitelijk zaakvoerder is van de eiseres II. Het oordeelt verder dat de eiser I “de baas” is van de werknemers die de opdrachten gaf via de beklaagde M.C.M., dit zowel voor het restaurant als voor het kasteel. Die redenen dragen de beslissing. Het middel dat die dragende redenen van het arrest niet in zijn kritiek betrekt, kan, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de beide eisers Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de regel van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de eiser I pas voor het eerst in hoger beroep de verklaring van M.T.-L. van 9 maart 2018 betwist, geeft het arrest een betekenis aan of een uitlegging van de voor de eerste rechter genomen conclusie van de eiser I, die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.
  10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser I voor de eerste rechter heeft aangevoerd dat de verklaring van M.T.-L. van 9 maart 2018 niet ernstig kan worden genomen. Met het oordeel van het arrest dat de eiser I pas voor het eerst in hoger beroep de getuigenverklaring van 9 maart 2018 van M.T.-L. is gaan betwisten en dit aan de hand van haar nieuwe verklaring van 13 januari 2021, oordeelt het arrest niet dat de eiser I voor de eerste rechter geen enkele betwisting heeft gevoerd over de waarachtigheid van de verklaring van M.T.-L., maar wel dat hij dat pas in hoger beroep deed aan de hand van haar nieuwe verklaring van 13 januari
  11. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: het arrest wijst eisers verzoek om M.T.-L. te horen als getuige à décharge af op niet aanvaardbare redenen; de met het eerste onderdeel bekritiseerde reden en de omstandigheid dat de getuige niet wil worden geconfronteerd met de eiser I zijn geen aanvaardbare redenen; dat geldt ook voor het argument dat de eiser I de getuige kent en tegenspraak kan voeren zijn over geloofwaardigheid en betrouwbaarheid; een verhoor is noodzakelijk gelet op de tegenstrijdige verklaringen van de getuige.
  13. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen.
  14. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM kent aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt hem toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding.
  15. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij er dient over te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht.
  16. De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de onmogelijkheid of de onwil van de partij die het getuigenverhoor vraagt om opgave te doen van de vragen die zij aan de getuige wenst te stellen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert.
  17. De beoordeling van de geloofwaardigheid van een getuige a décharge vereist niet dat die getuige steeds op de rechtszitting onder eed wordt gehoord.
  18. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. Als redenen om de getuige niet ter rechtszitting te horen, vermeldt het arrest (p. 23) dat: - de eiser I pas voor het eerst in hoger beroep de getuigenverklaring van 9 maart 2018 van M.T.-L. is gaan betwisten en dit aan de hand van haar nieuwe verklaring van 13 januari 2021; - het hof van beroep niet kan voorbijgaan aan het feit dat M.T.-L. de ex-partner is van de eiser I, waarbij het niet ondenkbeeldig is dat zij niet met hem rechtstreeks geconfronteerd wenst te worden, reden waarom zij haar nieuwe verklaring niet naar hem maar naar diens raadsman heeft gemaild; - het hof van beroep vaststelt dat de inhoud van deze getuigenverklaring van 9 maart 2018 niet alleen wordt bevestigd door de verklaringen van andere werknemers in het dossier, waarvan trouwens door de eiser de ondervraging ter rechtszitting niet wordt gevraagd, maar tevens worden bevestigd door de stukken in het strafdossier en de vaststellingen van de inspecteurs, zodat het in deze niet noodzakelijk voorkomt, laat staan zelfs wenselijk zou zijn, om deze getuige ter rechtszitting te horen; - in tegenstelling tot wat de eiser I voorhoudt deze getuigenverklaring, gelet op de verklaringen van andere werknemers, stukken in het strafdossier en de vaststellingen van de inspecteurs, allerminst het enige of beslissende bewijselement is; - de eiser I overigens deze getuige kent en hij ter rechtszitting zowel de geloofwaardigheid van deze getuigenverklaring kan betwisten als de betrouwbaarheid ervan kan tegenspreken, wat naar het oordeel van het hof van beroep slechts in algemene maar onvoldoende geconcretiseerde bewoordingen, al dan niet door stukken gestaafd, is gebeurd; - het gebruik van deze getuigenverklaring, als louter ondersteunend bewijs in deze niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het horen van de getuige rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en niet in strijd is met zijn recht op een eerlijk proces. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel van de beide eisers Eerste onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 181, § 1, 1°, Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4 tot 8 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (hierna KB Dimona van 5 november 2002), alsmede miskenning van het persoonlijk karakter van de straf: het arrest oordeelt ten onrechte dat het gegeven dat de eiser I op verschillende data binnen de incriminatieperiodes niet in België zou hebben vertoefd, hem niet ontslaat van zijn gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken en hij aldus strafrechtelijk aansprakelijk blijft voor de binnen de vennootschap begane inbreuken op de Dimona-reglementering; de eiser I die in het buitenland op vakantie is, kan dan onmogelijk feitelijk of effectief het bedoelde gezag of de bedoelde bevoegdheid hebben.
  21. De enkele omstandigheid dat een feitelijk zaakvoerder van een werkgever-rechtspersoon die de verantwoordelijkheid draagt voor het personeelsbeleid van die rechtspersoon, gedurende een beperkte periode wegens vakantie in het buitenland verblijft, sluit niet uit dat de rechter oordeelt dat hij wel degelijk effectief en feitelijk gezag en de nodige bevoegdheid heeft wat betreft het doen van Dimona-aangiften en hem de in die periode gepleegde misdrijven strafrechtelijk kunnen worden toegerekend. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  22. Het arrest oordeelt dat het gegeven dat de eiser I op verschillende data binnen de incriminatieperiodes niet in België zou hebben vertoefd, hem niet ontslaat van zijn gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken en hij aldus strafrechtelijk aansprakelijk blijft voor de binnen de vennootschap begane inbreuken op de Dimona-regelgeving. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het rechtsbeginsel van de regels van de motivering in strafzaken en het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet eisers verweer over de tegenstellingen tussen en de onbetrouwbaarheid van de diverse verklaringen van de drie betrokken werknemers.
  24. Het arrest oordeelt als volgt: - uit de samenlezing van de voormelde verklaringen en gegevens uit het strafdossier komt voor het hof van beroep, in tegenstelling tot wat de eiser I voorhoudt, vast te staan dat de verklaringen van J.D.S.N en M.D.S.S. nopens hun tewerkstelling gelijkluidend en congruent zijn; - zelfs in de door de eiser I voorgehouden hypothese dat de aanvangsdatum en de einddatum van de tewerkstelling in de verklaringen van de werknemers zou verschillen, is dit zonder incidentie voor het feit dat zij aldaar minstens herhaaldelijk op niet nader bepaalde data binnen de incriminatieperiodes waren tewerk gesteld en de eiser I alsdan bekleed was met het voormelde gezag. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het rechtsbeginsel van de regels van de motivering in strafzaken, het recht van verdediging en het begrip feitelijk vermoeden: het arrest vermeldt niet de precieze data voor de periode waarbinnen de drie betrokken personen bedoeld in de telastleggingen B, zouden hebben gewerkt bij de eiseres II, zonder Dimona te zijn aangegeven; deze data moeten per definitie vallen buiten de data dat ze wel Dimona zijn aangegeven; gelet op wat is aangevoerd in het eerste onderdeel is het niet aan te nemen dat deze data zouden vallen binnen de vakantieperiode van de eiser I; aldus kan het Hof haar controletaak niet uitoefenen; de redenen van het arrest kunnen de schuldigverklaring niet verantwoorden, minstens geldt dat voor de telastleggingen B1 en B
  26. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vierde middel van de beide eisers Eerste en tweede onderdeel
  27. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels van de motivering in strafzaken: met de loutere vaststelling dat de eiser I de feitelijke zaakvoerder is van de eiseres II beantwoordt het arrest niet het verweer dat de eiser I niet als een lasthebber of een aangestelde kan worden omschreven in de zin van artikel 181, § 1, 1°, Sociaal Strafwetboek. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 104 en 181, § 1, 1°, Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4 tot 8 KB Dimona van 5 november 2002: uit het oordeel dat de eiser I de feitelijke zaakvoerder is van de eiseres II, volgt niet dat hij een aangestelde of lasthebber is van de werkgever, zijnde de eiseres II; de hoedanigheid van aangestelde vereist immers een ondergeschikt verband van de aangestelde ten aanzien van de werkgever; de hoedanigheid van lasthebber vereist een contractuele band tussen de lasthebber en de werkgever; aangezien niet vaststaat dat de eiser I aangestelde of lasthebber is van de eiseres II werd zij ten onrechte burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de geldboete en de kosten waartoe de eiser I werd veroordeeld.
  28. De bewezenverklaring van het door artikel 181, § 1, 1°, Sociaal Strafwetboek bedoelde misdrijf vereist dat de dader de hoedanigheid heeft van werkgever of van diens aangestelde of van diens lasthebber.
  29. Deze begrippen kunnen door de strafrechter autonoom worden ingevuld, in die zin dat hij er een andere betekenis of draagwijdte aangeeft dan die welke ze in andere rechtstakken, zoals het burgerlijk of sociaal recht, hebben.
  30. Een lasthebber in de zin van die bepaling is de persoon die door de werkgever ermee is belast om buiten een band van ondergeschiktheid voor zijn rekening de naleving van de sociaalrechtelijke verplichtingen te verzekeren. Dit houdt in dat die lasthebber beschikt over het gezag en de nodige bevoegdheid om effectief over die naleving te waken, zelfs al zou die bevoegdheid zijn beperkt naar tijd en plaats.
  31. De rechter oordeelt onaantastbaar of aan die voorwaarden is voldaan.
  32. Een feitelijke zaakvoerder van een werkgever-rechtspersoon kan lasthebber zijn van die werkgever in de zin van artikel 181, § 1, 1°, Sociaal Strafwetboek mits aan de voormelde voorwaarden is voldaan. Niet is vereist dat de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat er tussen die werkgever-rechtspersoon en die feitelijke zaakvoerder een contractuele relatie bestaat.
  33. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  34. Het arrest oordeelt op grond van een geheel van feitelijke gegevens die het vermeldt (nr. 34 a tot en met h en nr. 35, p. 19-21) onder meer dat de eiser I de feitelijke controle heeft over de eiseres II, hij over het gezag of de nodige bevoegdheid beschikte in de onderneming om effectief over de naleving van de wetten te kunnen waken, zodat hij als feitelijk zaakvoerder moet worden beschouwd van de eiseres II en een dergelijk gezag of bevoegdheid voldoende is om sociaalstrafrechtelijk als lasthebber te worden beschouwd. Aldus beantwoordt het arrest de aanvoering dat de eiser I geen lasthebber is van de eiseres II als werkgever-rechtspersoon en verantwoordt het de beslissing dat de eiser I wel degelijk een lasthebber is van de eiseres II als werkgever-rechtspersoon naar recht. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
  35. Voor het overige kunnen de onderdelen, gelet op de vergeefs aangevoerde onwettigheid van de dragende beslissing dat de eiser I een lasthebber is van de eiseres II als werkgever-rechtspersoon, niet tot cassatie leiden en zijn ze niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  36. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 218,41 euro, waarvan de eiser I 109,20 euro is verschuldigd en de eiser II 109,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.25 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240626.2F.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231129.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231129.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.