← België

LA CITE JOYEUSE-LE FOYER DES ORPHELINS contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211004.3N.5 Rolnummer: S.21.0009.N Zaak: LA CITE JOYEUSE-LE FOYER DES ORPHELINS contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 1135 - laatst gezien 2026-06-19 06:14 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211004.3N.5 Fiche Wanneer een werkgever vóór het verstrijken van de in artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde termijn van drie werkdagen zijn zaak bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhangig maakt door middel van het bij artikel 4, § 2, bedoelde verzoekschrift en dit verzoekschrift op grond van artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken nietig wordt verklaard, heeft dit nietig verzoekschrift de bedoelde termijn gestuit, zodat de betrokken werkgever beschikt over een nieuwe termijn, die overeenstemt met de oorspronkelijke termijn waarover hij beschikte, om zijn zaak met naleving van de Taalwet Gerechtszaken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhangig te maken

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Het Hof komt hiermee terug op zijn eerdere rechtspraak van 21 november 1994 (Cass. 21 november 1994, AR S.94.0054, AC 1994, nr. 503). Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Vrije woorden: Ontslag om dringende redenen - Verzoekschrift - Taalgebruik - Schending - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Artt. 4, § 1, en 40, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden - 19-03-1991 - Art. 4, § 1 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Tekst van de beslissing Nr. S.21.0009.N LA CITE JOYEUSE – LE FOYER DES ORPHELINS vzw, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Kindvriendelijk Huisstraat 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0407.963.093, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. N.V.,
  2. ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND, representatieve werknemersorganisatie, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 42, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 1 september
  3. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 8 september 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Artikel 4, § 1, Taalwet Gerechtszaken bepaalt de taal van de akte tot inleiding van het geding. Krachtens artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken zijn de bij artikel 4, § 1, van die wet bepaalde regels voorgeschreven op straffe van nietigheid die van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken. Krachtens artikel 40, derde lid, Taalwet Gerechtszaken stuiten de akten, nietig verklaard wegens overtreding van die wet, de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straffe van verval.
  5. Krachtens artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden moet de werkgever die het voornemen heeft een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, hem en de organisatie die hem heeft voorgedragen hierover inlichten bij een ter post aangetekende brief, die verstuurd wordt binnen drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ontslag zou rechtvaardigen. Hij moet eveneens, binnen dezelfde termijn, bij verzoekschrift zijn zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank.
  6. Uit de samenhang tussen de voormelde wetsbepalingen volgt dat wanneer een werkgever v??r het verstrijken van de in artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde termijn van drie werkdagen zijn zaak bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhangig maakt door middel van het bij artikel 4, § 2, bedoelde verzoekschrift en dit verzoekschrift op grond van artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken nietig wordt verklaard, dit nietig verzoekschrift de bedoelde termijn heeft gestuit, zodat de betrokken werkgever beschikt over een nieuwe termijn, die overeenstemt met de oorspronkelijke termijn waarover hij beschikte, om zijn zaak met naleving van de Taalwet Gerechtszaken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhangig te maken.
  7. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiseres op 9 september 2016, enerzijds, een in het Frans gestelde aangetekende brief richtte aan de verweerders, waarin zij haar voornemen uitte om de eerste verweerster om een dringende reden te ontslaan, en, anderzijds, een in het Frans gesteld verzoekschrift neerlegde bij de voorzitter van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel; - aangezien de partijen niet verzoend konden worden, de eiseres de zaak vervolgens aanhangig maakte bij de voorzitter van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel bij dagvaarding zoals in kort geding van 21 september 2016, gesteld in het Frans met Nederlandse vertaling; - de voorzitter van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 2 september 2019 besliste dat het verzoekschrift van 9 september 2016 en de dagvaarding van 21 september 2016 nietig waren wegens schending van artikel 4, § 1, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken; - het aldus nietig verklaarde verzoekschrift van 9 september 2016 de termijn om de zaak via een verzoekschrift bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhangig te maken, niet heeft gestuit, zodat de eiseres niet beschikte over een nieuwe termijn die overeenstemt met de oorspronkelijke termijn waarover zij beschikte om, met naleving van de Taalwet Gerechtszaken, een nieuwe vordering bij de bevoegde rechter aanhangig te maken. De appelrechters die op die gronden oordelen dat het verzoekschrift dat de eiseres op 9 september 2019 neerlegde bij de voorzitter van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel, laattijdig was, aangezien het ingediend werd buiten de termijn van drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke de eiseres kennis kreeg van de feiten die het ontslag zouden rechtvaardigen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir en in openbare terechtzitting van 4 oktober 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211004.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211004.3N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251024.1F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941121.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.