id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.14 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210923.2N.1 Rolnummer: P.21.1196.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-10-07 Raadplegingen: 884 - laatst gezien 2026-06-17 22:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Overeenkomstig artikel 27, § 1, 2°, Voorlopige Hechteniswet kan, wanneer geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis en het onderzoek is afgesloten, de voorlopige invrijheidstelling worden verleend op indiening van een verzoekschrift dat wordt ingediend bij de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep, vanaf het instellen van het hoger beroep tot de beslissing in hoger beroep; uit dit artikel volgt niet dat uitsluitend de correctionele kamer van het hof van beroep die kennis zal nemen of neemt van het hoger beroep van een beklaagde tegen een door de correctionele rechtbank gewezen vonnis, kennis mag nemen van een op grond van die bepaling ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling en ook een andere correctionele kamer kan een dergelijk verzoek beoordelen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Artikel 27, § 1, 2° Voorlopige Hechteniswet - Verzoekschrift - Hof van beroep - Kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 2 - 3 Het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dat voor het hof van beroep is ingediend, is niet ontvankelijk wanneer het hoger beroep dat de verzoeker tegen het veroordelend vonnis heeft ingesteld, zelf kennelijk niet ontvankelijk is maar daarbij is wel vereist dat de rechter die over het verzoek oordeelt, de kennelijke niet-ontvankelijkheid van dat hoger beroep op onmiskenbare wijze kan vaststellen; op grond van de enkele vermelding dat de beklaagde voor zijn hoger beroep tegen het veroordelend vonnis geen tijdig door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoeld grievenformulier heeft ingediend, kunnen de appelrechters niet naar recht oordelen dat eisers hoger beroep kennelijk onontvankelijk is en op die grond eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling onontvankelijk verklaren. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Artikel 27, § 1, 2° Voorlopige Hechteniswet - Verzoekschrift - Hof van beroep - Ontvankelijkheid - Voorwaarde - Ontvankelijk hoger beroep - Beoordeling - Afwezigheid van een tijdig ingediend grievenformulie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Ontvankelijkheid - Afwezigheid van een tijdig ingediend grievenformulie - Gevolg - Invloed op de ontvankelijkheid van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 6, p. 453-
- - VEREECKE, Vincent; Noot'Een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling na een onontvankelijk rechtsmiddel' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1196.N E A N, beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 29 september 2021 een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot ingediend met als opschrift “Voorafgaandelijke noot inzake mondelinge conclusie v/d de Advocaat-generaal ter zitting d.d. 23.09.2021”. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Verzoeken met betrekking tot het strafdossier
- Uit geen enkele bepaling volgt dat aan degene die cassatieberoep instelt tegen een beslissing betreffende zijn verzoek tot voorlopige invrijheidstelling als bedoeld in artikel 27 Voorlopige Hechteniswet, inzage moet worden verleend in het strafdossier. Evenmin heeft de betrokkene recht om het opstellen van een inventaris te vorderen of moet hem toegang tot de overtuigingsstukken worden verleend.
- Enkel indien een eiser in cassatie met concrete elementen aannemelijk maakt dat de uitoefening van zijn recht van verdediging in de cassatieprocedure niettemin dergelijke maatregelen vereist, dient aan zijn verzoek gevolg te worden gegeven. De eiser maakt niet met concrete gegevens aannemelijk dat zijn recht van verdediging vereist dat aan zijn op abstracte wijze geformuleerde verzoeken tot inzage in het strafdossier, het opstellen van een inventaris en de toegang tot de overtuigingsstukken gevolg moet worden gegeven. De verzoeken worden verworpen. Tijdigheid van door de eiser ingediende geschriften
- Uit artikel 31, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de eiser geen cassatiemiddelen meer kan aanvoeren na het verstrijken van een termijn van vijf dagen na het instellen van zijn cassatieberoep op 11 september
- In zoverre de door de eiser vanaf 17 september 2021 ingediende geschriften strekken tot aanvulling of uitbreiding van zijn voor die datum ingediende cassatiemiddelen zijn ze wegens laattijdigheid niet ontvankelijk.
- Een valsheidsvordering die wordt geformuleerd als een incident bij een cassatieberoep inzake voorlopige hechtenis moet worden ingediend binnen de in artikel 31, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn om cassatiemiddelen aan te voeren. De door de eiser op 23 september 2021 ter rechtszitting van het Hof ingediende incidentele valsheidsvordering en de incidentele valsheidvordering vervat in het op 30 september 2021 ter griffie van het Hof ontvangen geschrift, dat is gedateerd op 27 september 2021, zijn wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Verzoeken die geen verband houden met de bestreden beslissing
- In zoverre de eiser in zijn geschriften verzoeken formuleert die geen verband houden met de beslissing vervat in het arrest van 10 september 2021, die door hem wordt bestreden met het cassatieberoep van 11 september 2021, zoals de door hem zelf omschreven “aanvraag tot verhaal op de rechtbank” in het op 30 september 2021 ter griffie van het Hof ontvangen geschrift, behoeven die geen antwoord in de procedure die het Hof thans heeft te beoordelen. Verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling
- De eiser vraagt onder meer dat het Hof zijn onmiddellijke invrijheidstelling zou bevelen. Op het cassatieberoep tegen de beslissing betreffende de voorlopige hechtenis, beoordeelt het Hof de wettigheid van die beslissing. Het is niet bevoegd om de onmiddellijke invrijheidstelling te bevelen van een persoon die zich in voorlopige hechtenis bevindt. Dit verzoek is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 27 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt dat eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling onontvankelijk is omdat zijn hoger beroep tegen het veroordelend vonnis van de correctionele rechtbank kennelijk vervallen is; dit hoger beroep wordt momenteel evenwel nog behandeld op een andere kamer van het hof van beroep, zodat daarover nog geen uitspraak kan worden gedaan; bovendien is de kamer van inbeschuldigingstelling op dit punt niet bevoegd en werd het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling ingediend in het kader van het hoger beroep tegen een ander vonnis dat op verzet werd gewezen.
- Het arrest is niet gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling, maar wel door een correctionele kamer van het hof van beroep. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Overeenkomstig artikel 27, § 1, 2°, Voorlopige Hechteniswet kan, wanneer geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis en het onderzoek is afgesloten, de voorlopige invrijheidstelling worden verleend op indiening van een verzoekschrift dat wordt ingediend bij de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep, vanaf het instellen van het hoger beroep tot de beslissing in hoger beroep.
- Uit artikel 27, § 1, 2°, Voorlopige Hechteniswet volgt niet dat uitsluitend de correctionele kamer van het hof van beroep die kennis zal nemen of neemt van het hoger beroep van een beklaagde tegen een door de correctionele rechtbank gewezen vonnis, kennis mag nemen van een op grond van die bepaling ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling. Ook een andere correctionele kamer kan een dergelijk verzoek beoordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dat voor het hof van beroep is ingediend, is niet ontvankelijk wanneer het hoger beroep dat de verzoeker tegen het veroordelend vonnis heeft ingesteld, zelf kennelijk niet ontvankelijk is. Daarbij is wel vereist dat de rechter die over het verzoek oordeelt, de kennelijke niet-ontvankelijkheid van dat hoger beroep op onmiskenbare wijze kan vaststellen.
- Uit het arrest of enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet: - tegen welk vonnis de eiser hoger beroep heeft ingesteld, op welke datum dit hoger beroep werd ingesteld, op welke wijze het werd ingesteld en of andere partijen hoger beroep hebben ingesteld; - in de veronderstelling dat de eiser zelf hoger beroep heeft ingesteld door het afleggen van een verklaring tegenover de gemachtigde van de gevangenisdirecteur, of de eiser tijdens de procedure in eerste aanleg en tijdens de appeltermijn werd bijgestaan door een raadsman dan wel of hij op enige andere wijze kennis kreeg van de verplichting een grievenformulier in te dienen.
- Het arrest kan op grond van de enkele vermelding dat de eiser voor zijn hoger beroep tegen het veroordelend vonnis geen tijdig door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoeld grievenformulier heeft ingediend, niet naar recht oordelen dat eisers hoger beroep kennelijk onontvankelijk is en op die grond eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling onontvankelijk verklaren. In zoverre is het middel gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Verklaart het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling niet ontvankelijk. Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.22 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231220.2F.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250402.2F.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div