← België

GARAGE PIERRE N.V. contra GUSTAAF CUYLAERTS B.V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Kamer van Inbeschuldigingstelling - Onderzoek - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van Inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging - Gronden van verval van de strafvordering - Verjaring van de strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Kamer van Inbeschuldigingstelling - Gronden van verval van de strafvordering - Verjaring van de strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 9 De onderzoeksrechter stelt van de klacht met burgerlijke partijstelling een proces-verbaal op waaruit onder meer moet blijken voor welke feiten de onderzoeksrechter werd geadieerd; indien ter gelegenheid van de burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter een schriftelijke klacht werd ingediend waarvan de inhoud niet of niet geheel overeenstemt met het door de onderzoeksrechter opgestelde proces-verbaal, is het dit proces-verbaal dat de draagwijdte van de klacht met burgerlijke partijstelling bepaalt en het staat de kamer van inbeschuldigingstelling te onderzoeken voor welke feiten de onderzoeksrechter is geadieerd. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling - Proces-verbaal - Schriftelijke klacht - Saisine van de onderzoeksrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling - Proces-verbaal - Schriftelijke klacht - Saisine van de onderzoeksrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Klacht met burgerlijke partijstelling - Proces-verbaal - Schriftelijke klacht - Saisine van de onderzoeksrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling - Saisine van de onderzoeksrechter - Beoordeling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Rechtsmacht - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Saisine van de onderzoeksrechter - Beoordeling door de kamer van inbeschuldigingstelling - Rechtsmacht - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.0769.N I en II GARAGE P nv, verzoekster tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen en burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven, tegen G C bv, inverdenkinggestelde, verweerster, met als raadsman mr. Lieseloth Lievens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 juni 2021 (nr. 2021/2505 – K/1360/21) (hierna het arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 juni 2021 (nr. 2021/2506 – K/1361/21) (hierna het arrest II). De eiseres I voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen tegen het arrest I

  1. Het eerste middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 61quinquies, 127 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging is beperkt tot de onderzoekshandelingen die blijken uit de stukken van het strafdossier; het arrest oordeelt enkel dat de strafvordering vervallen is door verjaring; het onderzoeksgerecht moet niet enkel de regelmatigheid van de onderzoekshandelingen onderzoeken, maar ook nagaan of de onregelmatigheid het eerlijke karakter van het proces in het gedrang brengt om vervolgens op die grond de nietigheid ervan uit te spreken. Het tweede middel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering: het arrest is niet naar recht verantwoord; het oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter niet gevat is voor het misdrijf van valsheid in geschriften waarnaar in de klacht met burgerlijkepartijstelling wordt verwezen; het komt enkel de feitenrechter toe te oordelen of de onderzoeksrechter binnen de perken van zijn rechtsmacht is gebleven en het komt niet de kamer van inbeschuldigingstelling toe te oordelen dat de onderzoeksrechter niet gevat was voor het misdrijf van gebruik van valse stukken. Het derde middel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 496 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de strafvordering is vervallen door verjaring; de verjaringstermijn inzake oplichting begint te lopen vanaf de afgifte of levering; wanneer kunstgrepen werden aangewend na de afgifte van gelden en waarden, wordt het aanvangspunt van de verjaring verschoven naar die latere kunstgrepen; in dit geval dient de oplevering van de aannemingswerken als startpunt van de verjaringstermijn te worden aangenomen, minstens de latere kunstgrepen van de verweerster die werden aangewend na de betaling van de eerste schijven/facturen, met name de handhaving van de vordering tot betaling.
  2. Het arrest I oordeelt enkel dat gelet op wat met het arrest II is beslist, de vordering zonder voorwerp is.
  3. De middelen zijn gericht tegen beslissingen die niet zijn vervat in het arrest I, maar wel in het arrest II. De middelen zijn niet ontvankelijk. Middelen tegen het arrest II Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 61quinquies, 127 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging is beperkt tot de onderzoekshandelingen die blijken uit de stukken van het strafdossier; het arrest oordeelt enkel dat de strafvordering vervallen is door verjaring; het onderzoeksgerecht moet niet enkel de regelmatigheid van de onderzoekshandelingen onderzoeken, maar ook nagaan of de onregelmatigheid het eerlijke karakter van het proces in het gedrang brengt om vervolgens op die grond de nietigheid ervan uit te spreken.
  5. De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt bij het verrichten van de door artikel 235bis Wetboek van Strafvordering bedoelde controle of er geen gronden zijn van verval van de strafvordering. Indien de kamer daarbij vaststelt dat de strafvordering is verjaard volgt uit de als geschonden vermelde bepalingen en het recht op een eerlijk proces niet dat het onderzoeksgerecht zich bovendien moet uitspreken over de eventuele nietigheid van de onderzoekshandelingen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering: het arrest is niet naar recht verantwoord; het oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter niet gevat is voor het misdrijf van valsheid in geschriften waarnaar in de klacht met burgerlijkepartijstelling wordt verwezen; het komt enkel de feitenrechter toe te oordelen of de onderzoeksrechter binnen de perken van zijn rechtsmacht is gebleven en het komt niet de kamer van inbeschuldigingstelling toe te oordelen dat de onderzoeksrechter niet gevat was voor het misdrijf van gebruik van valse stukken.
  7. De onderzoeksrechter stelt van de klacht met burgerlijkepartijstelling een proces-verbaal op waaruit onder meer moet blijken voor welke feiten de onderzoeksrechter werd geadieerd. Indien ter gelegenheid van de burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter een schriftelijke klacht werd ingediend waarvan de inhoud niet of niet geheel overeenstemt met het door de onderzoeksrechter opgestelde proces-verbaal, is het dit proces-verbaal dat de draagwijdte van de klacht met burgerlijkepartijstelling bepaalt.
  8. Het staat de kamer van inbeschuldigingstelling te onderzoeken voor welke feiten de onderzoeksrechter is geadieerd.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Uit het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling blijkt dat de eiseres zich burgerlijke partij heeft gesteld voor feiten van oplichting en misbruik van vertrouwen. Uit het enkele feit dat in de ter gelegenheid van het opstellen van dit proces-verbaal overhandigde klachtbrief melding wordt gemaakt van het misdrijf van gebruik van valse stukken volgt niet dat de onderzoeksrechter voor dergelijke feiten is gevat. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 496 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de strafvordering is vervallen door verjaring; de verjaringstermijn inzake oplichting begint te lopen vanaf de afgifte of levering; wanneer kunstgrepen werden aangewend na de afgifte van gelden en waarden, wordt het aanvangspunt van de verjaring verschoven naar die latere kunstgrepen; in dit geval dient de oplevering van de aannemingswerken als startpunt van de verjaringstermijn te worden aangenomen, minstens de latere kunstgrepen van de verweerster die werden aangewend na de betaling van de eerste schijven/facturen, met name de handhaving van de vordering tot betaling.
  12. Het wanbedrijf van oplichting is voltrokken zodra de dader, die gehandeld heeft met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, erin geslaagd is om ze zich onder de bij artikel 496 Strafwetboek bepaalde voorwaarden te doen afgeven of leveren.
  13. Het arrest stelt vast dat de verweerster wordt verdacht onder : - de telastlegging A: oplichting in de periode van 10 februari 2009 tot en met 11 juli 2009, meermaals, op niet nader te bepalen data, een niet nader bepaald bedrag, minstens 36.518,65 euro, te weten de som van de facturen 90141, van 3 juli 2009 en 90104 van 29 mei 2009 en 90127 van 19 juni 2009, te hebben ontvangen voor de uitvoering van aannemingswerken zogenaamd volgens de regels van de kunst in het kader van een offerte van 10 februari 2009, terwijl die werken in werkelijkheid niet of gebrekkig en met minderwaardige of zelfs ongeschikte materialen werden uitgevoerd; - de telastlegging B: poging tot oplichting in de periode van 10 februari 2009 tot en met 5 september 2009, meermaals, op niet nader te bepalen data, met name een bedrag van 57.172,35 euro, te weten de som van de facturen 90140 van 3 juli 2009, 90158 van 7 augustus 2009 en 90175 van 28 augustus 2009, te hebben ontvangen voor de uitvoering van aannemingswerken zogenaamd volgens de regels van de kunst in het kader van de offerte van 10 februari 2009, terwijl die werken in werkelijkheid niet of gebrekkig en met minderwaardige of zelfs ongeschikte materialen werden uitgevoerd.
  14. Het arrest oordeelt met betrekking tot de verjaring van de strafvordering voor de aldus ten laste gelegde feiten als volgt: - de misdrijven van oplichting en poging tot oplichting, waarvoor de eiseres op 17 juni 2020 klacht heeft neergelegd in handen van de onderzoeksrechter en die passend zijn omschreven onder de telastleggingen A en B, zijn aflopende misdrijven; - deze misdrijven waren voltooid op het ogenblik van de betaling van de facturen of, wat betreft de facturen vermeld in de telastlegging B, op het ogenblik dat de eiseres de facturen heeft geprotesteerd, hetgeen geschiedde op 23 september 2009; - deze misdrijven verjaren door verloop van vijf jaren; - de strafvordering was reeds geruime tijd uitgedoofd op het ogenblik van de neerlegging van de klacht in handen van de onderzoeksrechter; - de eiseres verwijst ten onrechte naar het verjaringsregime inzake het misdrijf van gebruik van valse stukken, waarvoor de onderzoeksrechter niet is gevat. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de strafvordering vervallen is door verjaring. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen I en II. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 119,41 euro, waarvan op het cassatieberoep I 54,75 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 64,66 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250423.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.