id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 Rolnummer: P.21.0724.N Zaak: C. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2021-10-07 Raadplegingen: 1515 - laatst gezien 2026-06-18 21:45 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211005.2N.9 Fiche 1 Krachtens artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering worden de conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, ambtshalve uit de debatten geweerd; wanneer een procespartij na de vernietiging van een beslissing door het Hof zijn conclusie, die regelmatig is neergelegd voor de vernietiging, herneemt, geldt dit niet als neerlegging van een conclusie en vindt artikel 152 Wetboek van Strafvordering bijgevolg geen toepassing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Conclusietermijnen - Herneming van een in de voorafgaande procedure neergelegde conclusie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 De rechter mag de schuldigverklaring van een beklaagde aan het hem ten laste gelegde feit mede steunen op feitelijke gegevens, die als een misdrijf kunnen worden omschreven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, voor zover de rechter de beklaagde niet schuldig verklaart aan dit niet vervolgd misdrijf en bijgevolg het vermoeden van onschuld niet miskent
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Schuldigverklaring - Feitelijke gegevens die als misdrijf kunnen worden omschreven waarvoor geen vervolging - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Schuldigverklaring - Feitelijke gegevens die als misdrijf kunnen worden omschreven waarvoor geen vervolging - Vermoeden van onschuld - Gevolg Fiche 4 De vraag of een partij toegang moet kunnen hebben tot stukken die een andere partij in zijn bezit heeft of eventueel zou kunnen krijgen, maar aan de rechter niet worden voorgelegd en in het proces niet worden gebruikt, is vreemd aan de processuele gelijkheid voor de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering; die gelijkheid tussen de partijen houdt enkel in dat elke partij in het proces voor de rechter die kennisneemt van de zaak, dezelfde processuele middelen kan aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter worden voorgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Wapengelijkheid - Toegang tot stukken die een andere partij in bezit heeft - Draagwijdte Fiches 5 - 6 De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het overleggen van een stuk dat in bezit is van een burgerlijke partij
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Stuk in het bezit van een burgerlijke partij - Noodzaak, nut of raadzaamheid van het overleggen - Wijze Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Stuk in het bezit van een burgerlijke partij - Noodzaak, nut of raadzaamheid van het overleggen - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter Fiches 7 - 8 Uit de artikelen 32bis, eerste lid, en 32ter, eerste lid, 3°, Wet Welzijn Werknemers en artikel 119 Sociaal Strafwetboek volgt dat het ongewenste gedrag van een werknemer met een seksuele connotatie, kan worden aangezien als ongewenst seksueel gedrag in de zin van deze bepalingen; hierbij is niet vereist dat de werknemer zich gedragen heeft met een seksuele intentie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Constitutieve bestanddelen - Drijfveer - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - 04-08-1996 - Artt. 32bis en 32ter - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Strafzaken - Sociaal strafrecht - Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Constitutieve bestanddelen - Drijfveer - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - 04-08-1996 - Artt. 32bis en 32ter - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Fiches 9 - 12 De rechter oordeelt onaantastbaar of een gedrag van een werknemer al dan niet een seksuele connotatie heeft die de waardigheid van een persoon aantast of een bedreigende, vijandige, beledigende vernederende of kwetsende omgeving creëert en hij is daarbij niet gebonden door de mening van andere werknemers over de seksuele connotatie en het grensoverschrijdend karakter van dat gedrag; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Beoordeling - Wijze - Mening van andere werknemers - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Strafzaken - Sociaal strafrecht - Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Wijze - Mening van andere werknemers - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Sociaal strafrecht - Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Wijze - Mening van andere werknemers - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Strafzaken - Sociaal strafrecht - Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Mening van andere werknemers - Invloed - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Toezicht door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2022, nr. 445, p. 2 en
- - VANWALLEGHEM, Pim; Noot'Seksuele intentie niet vereist voor veroordeling voor ongewenst seksueel gedrag' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 4, p. 273-
- - HEYNDRICKX, Sofie; Noot'De grens voorbij: ongewenst en grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0724.N H L C C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
- B V, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Sammy Bouzoumita, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Gebroeders De Smetstraat 7, waar de verweerder woonplaats kiest,
- UNIVERSITEIT GENT, met zetel te 9000 Gent, Sint-Pietersnieuwstraat 25, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Serge Defrenne, advocaat bij de balie Gent, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 mei 2021, uitgesproken na verwijzing door het Hof bij arrest van 4 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, tien middelen aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 24 september 2021 ter griffie van het Hof een schriftelijk conclusie neergelegd. Voor de eiser werd op 5 oktober 2021 ter griffie een door artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. Op de openbare rechtszitting van 5 oktober 2021 heeft raadsheer Antoine Lievens verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 152, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering: het openbaar ministerie heeft ten onrechte, zonder akkoord van de partijen, de conclusie neergelegd door het openbaar ministerie voor het hof van beroep te Gent mondeling hernomen; het arrest beveelt ten onrechte niet de wering van die conclusie en betrekt ze ten onrechte in het beraad.
- Met de vaststelling over het procesverloop dat de in de processtukken aanwezige conclusies regelmatig worden neergelegd en in het beraad betrokken, stelt het arrest niet vast dat de schriftelijke conclusie neergelegd voor het hof van beroep te Gent moet worden beschouwd als een voor het hof van beroep te Antwerpen neergelegde conclusie die als zodanig in het beraad werd betrokken. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering worden de conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, ambtshalve uit de debatten geweerd.
- Wanneer een procespartij na de vernietiging van een beslissing door het Hof zijn conclusie, die regelmatig is neergelegd voor de vernietiging, herneemt, geldt dit niet als neerlegging van een conclusie en vindt artikel 152 Wetboek van Strafvordering bijgevolg geen toepassing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastlegging A mede op grond van de vaststelling dat gelijkaardige feiten ten aanzien van andere personen, waarvoor de strafvordering verjaard is, bewezen zijn alhoewel die geen voorwerp uitmaken van de telastleggingen; het arrest verwijst onder meer naar de wederkerende modus operandi.
- De rechter mag de schuldigverklaring van een beklaagde aan het hem ten laste gelegde feit mede steunen op feitelijke gegevens, die als een misdrijf kunnen worden omschreven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, voor zover de rechter de beklaagde niet schuldig verklaart aan dit niet vervolgd misdrijf en bijgevolg het vermoeden van onschuld niet miskent.
- Het arrest (p. 28) oordeelt onder meer als volgt: - de rechter schendt niet het vermoeden van onschuld wanneer hij zich baseert op getuigenissen van andere feiten ten aanzien van dezelfde beklaagde met betrekking tot gelijkaardige feiten, die thans verjaard zijn en waar de eiser niet voor wordt vervolgd en dus niet aanhangig zijn bij het hof van beroep; - uit het dossier blijkt dat de eiser, onder andere tegen de verweerder 1 ongewenst gedrag heeft gesteld met een seksuele connotatie waardoor de waardigheid van de verweerder 1 werd aangetast en voor hem een bedreigende omgeving werd gecreëerd; - dit blijkt uit de geloofwaardige en gelijklopende verklaringen van de verweerder 1, S.D., B.V. en H.D., waaruit blijkt dat eisers gedrag ten aanzien van de verweerder 1 deel uitmaakt van een bredere cluster van ongewenst gedrag dat de eiser stelt ten aanzien van mannelijke studenten en jonge medewerkers van de HOWEST. Aldus verklaart het arrest de eiser niet schuldig aan een ander misdrijf dan die waarvoor hij is vervolgd, maar neemt het enkel getuigenissen mede in aanmerking die andere feiten betreffen bij de beoordeling van de schuld van de eiser aan de telastlegging A. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging en van een eerlijk proces: het arrest acht feiten bewezen waarvoor de eiser niet wordt vervolgd, om de feiten waarvoor hij wel wordt vervolgd, als bewezen aan te nemen; aldus wordt eisers recht van verdediging miskend.
- Het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde grieven en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: door uitsluitend aan te nemen dat de strafrechter het vermoeden van onschuld niet miskent wanneer hij zich baseert op getuigenissen van andere personen ten aanzien van dezelfde beklaagde met betrekking tot gelijkaardige feiten, die thans verjaard zijn en waar de eiser niet voor wordt vervolgd en dus niet aanhangig zijn bij het hof van beroep, en verder deze verjaard verklaarde feiten toch gewoon als bewijs toe te laten en zelfs op de verjaard verklaarde feiten te steunen bij het bewezen verklaren van de telastlegging A, is het arrest niet naar recht verantwoord en schendt het artikel 149 Grondwet.
- Het onderdeel is afgeleid uit de met het tweede middel vergeefs aangevoerde grieven en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 22 en 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de regels inzake de verjaring in strafzaken: het arrest verklaart enerzijds dat de feiten ten aanzien van D. en V. verjaard waren, maar verklaart ze toch ten onrechte bewezen.
- Het onderdeel is afgeleid uit de met het tweede middel vergeefs aangevoerde grieven en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert overschrijding van rechtsmacht aan: het arrest verklaart de feiten van ongewenst gedrag met een seksuele connotatie naar onder andere S.D. en B.V. als bewezen of vaststaand, alhoewel het de verjaring van die feiten had vastgesteld, en die feiten niet bij het hof van beroep aanhangig zijn.
- Het onderdeel is afgeleid uit de met het tweede middel vergeefs aangevoerde grieven en bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest weerlegt niet alle aangevoerde argumenten dat het onderzoek niet onpartijdig is gebeurd; zo is niet ingegaan op de interpretatie van de opsteller van het IDEWE-verslag over de houding en de gezegdes, terwijl dit de hoofdreden was om dat verslag als subjectief en niet onpartijdig te bestempelen.
- Het arrest (p. 12 en 13) oordeelt als volgt: - in het kader van het onderzoek dient de preventieadviseur een gemotiveerd advies te verlenen over de vraag of de feiten al dan niet kunnen worden beschouwd als ongewenst seksueel gedrag op het werk, wat ze ook heeft gedaan; - ze geeft bij dit advies ook een mening over de verweermiddelen van de eiser; - het advies en de meningen van de preventieadviseur zijn wat ze zijn: adviezen en meningen waar het hof van beroep niet aan gebonden is, en vormen geen reden om het verslag van IDEWE te weren als bewijsmiddel; - uit niets blijkt dat de preventieadviseur C.B. haar verslag niet volgens de regels van de kunst heeft opgemaakt, niet met de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid zou hebben gehandeld en vooringenomen zou zijn geweest of de verklaringen van de verschillende partijen niet correct zou hebben weergegeven. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters eisers verweer zonder dat zij daarbij hoefden te antwoorden op elk argument dat enkel tot staving van dit verweer werd aangevoerd zonder een afzonderlijk middel te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het begrip feitelijk vermoeden: de door het arrest vermelde redenen zeggen niets over de vraag of de preventieadviseur al of niet onpartijdig is opgetreden; uit deze redenen vermochten de appelrechters bijgevolg niet afleiden dat uit niets blijkt dat de preventieadviseur zich niet onpartijdig zou hebben opgesteld; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord en wordt het begrip feitelijk vermoeden miskend.
- Het onderdeel dat formeel een wetsschendig aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vijfde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van geschreven stukken: door te zeggen dat de eiser in zijn verklaringen van 21 januari 2014 en 30 januari 2014 niet heeft aangegeven dat hij bijkomend onderzoek wenste, miskent het arrest de bewijskracht van de schriftelijke neerslag van de verhoren van de eiser binnen het formeel IDEWE-onderzoek; uit die verhoren blijkt dat de eiser daarin herhaaldelijk heeft gevraagd om personen te horen die zijn standpunt kunnen bevestigen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser tijdens de bedoelde verhoren wel heeft aangegeven dat bepaalde personen wat hem betreft mochten worden gehoord, maar niet dat hij om bijkomend onderzoek door de preventieadviseur heeft verzocht.
- Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van de bedoelde verklaringen, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest door te oordelen dat uit niets blijkt dat de preventieadviseur de verklaringen van verschillende partijen, dus ook de eiser, niet correct zou hebben weergegeven, de bewijskracht miskent van eisers verklaring aan IDEWE van 30 januari 2014, waarin is opgenomen dat niet alles is opgenomen, sommige accenten zijn komen te vervallen en dat het gesprek voortijdig is beëindigd.
- Het arrest geeft met het in het onderdeel vermelde oordeel geen uitlegging van de bedoelde verklaring en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het beginsel van wapengelijkheid en van de bewijskracht van geschreven stukken: de verweerster 2 creëert een wapenongelijkheid door te weigeren het tweede IDEWE-verslag over de risico-analyse over te leggen; de redenen van het arrest om eisers desbetreffend verweer te verwerpen zijn niet naar recht verantwoord; het arrest schendt de bewijskracht van eisers syntheseappelconclusie door te oordelen dat de eiser niet aannemelijk maakt dat dit tweede verslag, bijkomende elementen à décharge zou bevatten in vergelijking met wat ter zake is onderzocht; met dat oordeel motiveert het arrest onvoldoende het weerleggen van eisers desbetreffend verweer; het arrest wijst ten onrechte eisers desbetreffend verweer af omdat de verweerders zich niet steunen op bedoeld verslag, terwijl het achterhouden van dat verslag precies een schending uitmaakt van artikel 6.1 EVRM; met het oordeel dat de verweerster 2 geen misbruik zou maken van haar positie en een processuele ongelijkheid zou creëren beantwoordt het arrest onvoldoende eisers desbetreffend verweer.
- In zoverre het middel gericht is tegen de weigering van de verweerster 2 om het bedoelde verslag over te leggen is het niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Met het oordeel dat de eiser niet aannemelijk maakt dat het bedoelde verslag, bijkomende elementen à décharge zou bevatten in vergelijking met wat ter zake is onderzocht geeft het arrest geen uitlegging van eisers syntheseappelconclusie en kan het bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De vraag of een partij toegang moet kunnen hebben tot stukken die een andere partij in zijn bezit heeft of eventueel zou kunnen krijgen, maar aan de rechter niet worden voorgelegd en in het proces niet worden gebruikt, is vreemd aan de processuele gelijkheid voor de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering. Die gelijkheid tussen de partijen houdt enkel in dat elke partij in het proces voor de rechter die kennisneemt van de zaak, dezelfde processuele middelen kan aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter worden voorgelegd. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het overleggen van een stuk dat in bezit is van een burgerlijke partij.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Het oordeelt als volgt: - de eiser werpt op dat de wapengelijkheid werd miskend vermits de verweerster 2 een tweede IDEWE-verslag over de risicoanalyse met betrekking tot het aanwezige hyperconflict niet voorlegt en het openbaar ministerie niet heeft aangedrongen tot de voeging van dit verslag; - het hof van beroep volgt dit standpunt niet; - in het kader van het vooronderzoek heeft de eiser alle partijen aangeduid die op de hoogte zouden zijn geweest van dit vermeende hyperconflict en deze partijen werden verhoord door de politie of hebben een schriftelijke verklaring afgelegd die de eiser bijbrengt; - het is onwaarschijnlijk en de eiser maakt het niet aannemelijk, dat dit tweede verslag, dat de verweerster 2 niet wenst voor te brengen, bijkomende elementen à décharge van de eiser zou bevatten; - de verweerders beroepen zich ook niet op dit verslag; - de eiser maakt ook niet aannemelijk dat de verweerster 2, als bezitter van het stuk, misbruik zou maken van haar positie en dat de verweerster 2 aldus een processuele ongelijkheid zou creëren. Met die redenen beantwoordt het arrest afdoende het bedoelde verweer en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zevende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 119 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 32bis en 32ter, tweede lid, 3°, Wet Welzijn Werknemers. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat het voor eisers schuldigverklaring aan de telastlegging A voldoende is dat de daden als gevolg hebben dat de waardigheid van het slachtoffer wordt aangetast of een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd; artikel 119 Sociaal Strafwetboek vereist immers dat de dader een gedrag stelt “met een seksuele connotatie”; door artikel 119 Sociaal Strafwetboek, samen gelezen met artikel 32ter Wet Welzijn Werknemers uit te leggen in de zin dat de drijfveer van de eiser bij zijn handelen geen bestanddeel van het misdrijf is en het voldoende is dat de daden als gevolg hebben dat de waardigheid van het slachtoffer wordt aangetast of een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd, schendt het artikel 119 Sociaal Strafwetboek, en artikel 32ter Wet Welzijn Werknemers.
- Krachtens artikel 119 Sociaal Strafwetboek wordt met een sanctie van niveau 4 bestraft, eenieder die in contact treedt met de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, een daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk begaat. Krachtens artikel 32bis, eerste lid, Wet Welzijn Werknemers, zijn de werkgevers en de werknemers alsmede de daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1, en de andere dan de bij artikel 2, § 1, bedoelde personen die in contact komen met de werknemers bij de uitvoering van hun werk, ertoe gehouden zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. Krachtens artikel 32ter, eerste lid, 3°, Wet Welzijn Werknemers wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder ongewenst seksueel gedrag op het werk: elke vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of lichamelijk gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast of een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
- Uit deze bepalingen volgt dat het ongewenste gedrag van een werknemer met een seksuele connotatie, kan worden aangezien als ongewenst seksueel gedrag in de zin van deze bepalingen. Hierbij is niet vereist dat de werknemer zich gedragen heeft met een seksuele intentie. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat aangezien de seksuele connotatie van de feiten in de zin van artikel 119 Sociaal Strafwetboek aan de dader moet bekend zijn, het arrest, dat vaststelt dat de eiser de gepleegde handelingen zelf niet beschouwt als seksueel grensoverschrijdend gedrag, de eiser ten onrechte schuldig verklaart aan de telastlegging A.
- Het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde grieven en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat, in de veronderstelling dat het al of niet seksueel geconnoteerd zijn van de feiten objectief moet worden beoordeeld in het kader van een collectief bewustzijn, dit gekoppeld moet zijn aan het collectief bewustzijn van de samenleving in het kader van de omgang tussen personen van een gelijke aard, als deze waarover de feiten gaan; de beoordeling moet een afweging in concreto zijn; het arrest stelt vast dat een deel van de betrokken personen het gedrag niet als grensoverschrijdend beschouwde, maar niettemin stelt het arrest vast dat het gedrag van de eiser wel grensoverschrijdend was; dit oordeel is intern tegenstrijdig met het oordeel dat, als men als docent op een hogeschool de gewoonte heeft om tijdens studiereizen naakt te slapen, meteen “beter” voor zichzelf een aparte hotelkamer boekt; als die docent immers een misdrijf pleegt door dat niet te doen, kan er niet geoordeeld worden dat de docent “beter” een aparte kamer boekt; dan moet hij dat immers doen; het arrest maakt geen onderscheid tussen enerzijds, onbeleefd, storend of vrijpostig gedrag en anderzijds handelingen met een seksuele connotatie, die de waardigheid van een persoon aantasten of een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving creëren; het arrest geeft een te brede draagwijdte aan artikel 119 Sociaal Strafwetboek; het leidt ten onrechte een inbreuk op die wetsbepaling af uit de feiten die het vaststelt; alhoewel het arrest een andere inschatting van de seksuele connotatie erkent, hebben de appelrechters hun eigen inschatting ervan gehanteerd voor de strafbaarheid op grond van artikel 119 Sociaal Strafwetboek en artikel 32ter, tweede lid, 3°, Wet Welzijn Werknemers.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een gedrag van een werknemer al dan niet een seksuele connotatie heeft die de waardigheid van een persoon aantast of een bedreigende, vijandige, beledigende vernederende of kwetsende omgeving creëert. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. De rechter is daarbij niet gebonden door de mening van andere werknemers over de seksuele connotatie en het grensoverschrijdend karakter van dat gedrag.
- Het arrest (p. 15) stelt vast dat volgens de verweerder 1: - hij in de nacht van 6 op 7 november 2012 een kamer deelt met de eiser in het kader van een zakelijke ontmoeting in Nederland; - de eiser ’s ochtends naakt rondloopt op de kamer, hij voorstelt om samen tegelijkertijd de badkamer te gebruiken, hij ongevraagd de badkamer betreedt terwijl de verweerder 1 zich aan het wassen is en hem op de kamer ongewenst fysiek aanraakt; - de handen van de eiser via zijn benen omhoog gingen tot bijna aan de schaamstreek; - hij toen duidelijk heeft gemaakt dat dit niet kon door zichzelf op zijn buik te draaien en het deken over zich heen te trekken. Het arrest (p. 29) oordeelt onder meer als volgt: - de eiser geeft toe dat hij naakt in de kamer heeft rondgelopen; - het hof van beroep twijfelt niet aan de beschrijving van de verweerder 1 van wat er in de hotelkamer is gebeurd; - de eiser geeft in conclusie trouwens toe dat hij zich naakt in de richting van de badkamer heeft begeven en aan de voeten van de verweerder 1 heeft gekieteld; - het is daarbij van geen belang dat de douche zich achter een stenen muur bevond, zoals de eiser aangeeft of dat de verweerder 1 de badkamerdeur niet op slot had gedaan; - het zonder toestemming betreden van een badkamer waar een andere persoon staat te douchen is sowieso ongewenst en grensoverschrijdend seksueel gedrag. Op grond van deze redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser zich aan de feiten van de telastlegging A heeft schuldig gemaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het Hof ontwaart de aangevoerde tegenstrijdigheid niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Achtste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 373 en 374 Strafwetboek. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat artikel 373, eerste lid, Strafwetboek een opzettelijk misdrijf is; aanranding van de eerbaarheid vereist dat de dader weet dat de daad die hij gaat plegen objectief immoreel of aanstootgevend is en dat hij de wil had die te plegen; het arrest dat enkel ingaat op het materieel bestanddeel van de telastlegging B, oordeelt ten onrechte op grond van de feiten die het vaststelt dat de eiser wist dat de daad die hij ging plegen objectief immoreel of aanstootgevend was op seksueel vlak en dat hij de wil had die te plegen; het kennen van het louter immoreel karakter van het gedrag is niet voldoende omdat dit immoreel gedrag ook een verband moet hebben met de seksualiteit; het arrest vermocht aldus niet af te leiden uit de vastgestelde feiten dat de eiser het vereiste moreel opzet had om schuldig te zijn aan een inbreuk op artikel 373 Strafwetboek.
- Aanranding van de eerbaarheid is een opzettelijk misdrijf. Het veronderstelt dat de pleger de bij wet verboden handeling wil stellen, in de objectieve wetenschap dat deze immoreel of obsceen is.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde wist dat zijn handeling objectief immoreel of aanstootgevend is en hij de wil had die te plegen. Het Hof gaat niettemin na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest (p. 35) oordeelt als volgt: - de handelingen van de eiser vormen aanranding van de eerbaarheid; - wanneer een persoon, collega van het slachtoffer, zich naakt of slechts met een handdoek om zijn middel zich naar een andere persoon begeeft die op een bed ligt en slechts gekleed is met een korte pyjamabroek, vervolgens de voeten van het slachtoffer kietelt en dan zijn hand boven de knie plaatst in de richting van de schaamstreek, waarop het slachtoffer zich op de buik draait met een deken rondom zich, vormen deze handelingen aanranding van de eerbaarheid; - er wordt niet vereist dat de eiser gedreven werd door het verlangen om aan de eigen driften te voldoen; - dat de eiser dit gedrag als normaal beschouwt tussen collega’s en hij niet seksueel opgewonden was of zijn seksuele behoeften wenste te bevredigen, neemt de strafbaarheid niet weg; - ongevraagd half naakt bij een jonge mannelijke collega de benen boven de knie betasten in de richting van de schaamstreek doet afbreuk aan de seksuele integriteit zoals deze door het collectief bewustzijn van onze samenleving wordt ervaren; - de eiser wist of had moeten weten dat zijn gedrag als immoreel door de samenleving wordt beschouwd. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser wist dat zijn gedrag immoreel was en dat zijn gedrag afbreuk doet aan de seksuele integriteit van de verweerder
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest ook voor de telastlegging B niet het nodige onderscheid maakt tussen enerzijds onbeleefd, storend of vrijpostig gedrag en anderzijds handelingen die verband houden met seksualiteit en op dat vlak immoreel, obsceen of aanstootgevend zijn; het is immers niet omdat men naakt of met een handdoek rond het middel, iemand aan zijn naakt been vastneemt, zelfs al zou dat boven de knie zijn, dat men sowieso diens eerbaarheid wil aantasten; de appelrechters hebben hun eigen inschatting over wat moet worden beschouwd als een aanranding van de eerbaarheid, in het algemeen naar voor geschoven als te hanteren norm en als criterium voor strafbaarheid op grond van artikel 373 Strafwetboek, waarbij ze genegeerd hebben dat dit niet altijd het geval moet zijn en waarbij ze uitdrukkelijk hebben vastgesteld dat de eiser dat niet aldus beschouwde.
- Het wanbedrijf bepaald in de artikelen 373 en 374 Strafwetboek veronderstelt een aanranding van de seksuele integriteit van het slachtoffer, zoals die door het collectief bewustzijn wordt ervaren op het ogenblik van de feiten.
- Met de redenen die het bevat heeft het arrest niet de eigen inschatting over wat moet worden beschouwd als een aanranding van de eerbaarheid in het algemeen naar voor geschoven, maar heeft het integendeel onderzocht of de seksuele integriteit wordt aangetast rekening houdend met de evoluerende tijdsgeest en de concrete omstandigheden en de feiten daaraan getoetst en is de beslissing aldus naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest stelt vast dat de door de eiser gepleegde feiten door hem zelf niet worden beschouwd als inbreuk op de seksuele integriteit en dus ook niet als seksueel grensoverschrijdend gedrag en aanranding van de eerbaarheid; aldus stelt het arrest feitelijke dwaling vast van de eiser; bijgevolg is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds te stellen dat de eiser geen enkele grond van rechtvaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid enigszins aannemelijk maakt, maar anderzijds te oordelen dat de eiser niet bewust was van het gegeven dat hij door de betrokken handeling te stellen een aanranding van de eerbaarheid stelde.
- Uit de omstandigheid dat het arrest vaststelt dat de gepleegde feiten door de eiser zelf niet worden beschouwd als inbreuk op de seksuele integriteit, volgt niet noodzakelijk dat de eiser feitelijk heeft gedwaald waaruit dan enige rechtvaardiging, schuldontheffing of niet-toerekeningsvatbaarheid zou kunnen volgen. De in het onderdeel vermelde redenen zijn bijgevolg niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Negende middel
- Het middel voert onder meer schending aan van de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering.
- Het middel preciseert niet, in geen van zijn onderdelen, hoe en waarom het arrest de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt een beperkte overschrijding van de redelijke termijn aan, maar geeft niet aan wat die overschrijding inhoudt; aldus kan het Hof haar wettigheidstoezicht niet uitoefenen en onderzoeken of de vermindering van de gevangenisstraf van een jaar naar zeven maanden, in correcte verhouding is met de overschrijding van de redelijke termijn; gelet daarop is de vermindering van de straf niet meetbaar, aangezien aldus niet blijkt dat de concrete overschrijding van de redelijke termijn op een correcte wijze is geremedieerd door de doorgevoerde strafvermindering; aangezien de doorgevoerde strafvermindering ook niet kan worden beoordeeld in het licht van de concrete overschrijding van de redelijke termijn, is de opgelegde straf niet nauwkeurig en naar genoegen van recht verantwoord.
- Het arrest oordeelt als volgt: - sinds de eerste ondervraging van de eiser op 7 maart 2016 zijn er meer dan vijf jaren verlopen; - het hof van beroep aanvaardt een beperkte overschrijding van de redelijke termijn en zal die overschrijding in aanmerking nemen bij de straftoemeting; - het tijdsverloop heeft er niet toe geleid dat bewijsmateriaal verloren is gegaan of dat de eiser zou gehinderd zijn in zijn mogelijkheid om tegenspraak te voeren; - rekening houdende met een overschrijding van de redelijke termijn legt het hof van beroep een gevangenisstraf op van zeven maanden met uitstel voor een proeftermijn van vijf jaar; - zo er geen overschrijding van de redelijke termijn was geweest zou het hof van beroep een effectieve gevangenisstraf van een jaar hebben opgelegd. Met die redenen stelt het arrest de ernst vast van de overschrijding van de redelijke termijn en stelt het dat deze beperkt is en is de vermindering van de straf meetbaar. Die redenen laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar welk rechtsherstel hij moet verlenen aan de overschrijding van de redelijke termijn, meer bepaald welk gevolg hij daaraan moet verbinden. In zoverre het onderdeel aanvoert dat niet blijkt dat de door het arrest uitgesproken strafvermindering, in correcte verhouding is met de overschrijding van de redelijke termijn, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de loutere vermelding dat er een beperkte overschrijding van de redelijke termijn is aan te nemen, antwoordt het arrest niet op de concrete argumentatie van de eiser betreffende het in acht te nemen tijdsverlies.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat er een aanzienlijk tijdsverlies is geweest doordat de beroepsprocedure in Gent meer dan 21 maanden in beslag heeft genomen en het arrest is gecasseerd geweest waarbij de zaak opnieuw moest worden behandeld en daarbij nog aanvullend onderzoek moest uitgevoerd worden.
- Het feit dat het antwoord van de rechter ontoereikend is, kan geen schending uitmaken van artikel 149 Grondwet, dat alleen een vormvereiste oplegt dat geen verband houdt met de kwaliteit van het op de conclusie gegeven antwoord.
- Het arrest oordeelt als volgt: - sinds de eerste ondervraging van de eiser op 7 maart 2015 zijn er meer dan vijf jaren verlopen; - het hof van beroep aanvaardt een beperkte overschrijding van de redelijke termijn. Met die redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument dat enkel tot staving van dit verweer werd aangevoerd zonder een afzonderlijk middel te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tiende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: de motivering van het arrest over de schuld is tegenstrijdig met de motivering van de straf en de opgelegde schadevergoeding; de vaststelling dat de door de eiser gestelde handelingen in zijn psyche geen aanranding van de eerbaarheid of seksueel grensoverschrijdend gedrag uitmaken is tegenstrijdig met de vaststelling dat de eiser “misbruik maakte van zijn gezagspositie” om ten aanzien van de verweerder 1 ongepast seksueel grensoverschrijdend gedrag te stellen en hem aan te randen; het misbruik maken van een positie wijst immers op een doelbewuste handeling om onterecht een voordeel uit die positie te halen; dat staat de vaststelling in de weg dat de door de eiser gestelde handelingen in zijn psyche geen van de vervolgde misdrijven uitmaken.
- De artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De in het middel vermelde redenen zijn niet tegenstrijdig. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 189,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211005.2N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221129.2N.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250402.2F.18 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div