id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Grievenformulier - Doelstelling - Artikel 6.1, EVRM - Toegang tot de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter volgt voor de overheid in de regel niet de verplichting om een beklaagde die tijdens de procedure in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman en die kennis heeft gekregen van de beroepen beslissing, alle vormvereisten voor het hoger beroep tegen die beslissing ter kennis te brengen en dat geldt ook voor de op straffe van verval van het hoger beroep voorgeschreven verplichting om tijdig nauwkeurig bepaalde grieven in te dienen
(1).
(1)Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1, AC 2020, nr. 509; Cass. 4 juni 2019, AR P.19.0237.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7, AC 2019, nr. 347; Cass. 30 mei 2018, AR P.18.0232.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2, AC 2018, nr. 344. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Toegang tot de rechter - Hoger beroep - Beklaagde bijgestaan door een advocaat in eerste aanleg - Kennisgeving door de overheid van de vormvereisten van het hoger beroep - Grievenformulier - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Artikel 6.1, EVRM - Toegang tot de rechter - Beklaagde bijgestaan door een advocaat in eerste aanleg - Kennisgeving door de overheid van de vormvereisten van het hoger beroep - Grievenformulier - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 9 Uit artikel 6.1.
EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter volgt evenwel dat indien de appellant een persoon is tegen wie een interneringsmaatregel wordt gevorderd die dus overeenkomstig artikel 81, § 1, eerste lid, Interneringswet moet worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, en die appellant bovendien van zijn vrijheid is beroofd, de vervallenverklaring van het hoger beroep wegens het niet-indienen van een grievenformulier enkel kan worden uitgesproken als vaststaat dat de appellant door de directeur van de gevangenis of zijn gemachtigde bij of ter gelegenheid van het instellen van het hoger beroep werd ingelicht over de verplichting tijdig een grievenformulier in te dienen dan wel op enig andere wijze ter zake werd ingelicht dan wel op dat ogenblik de bijstand genoot van een advocaat van wie mag worden aangenomen dat hij de appellant betreffende die formaliteit zal hebben geïnformeerd
(1).
(1)Cass. 20 oktober 2020, AR P.19.1255.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14, AC 2020, nr. 645; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1, AC 2020, nr. 509. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Toegang tot de rechter - Hoger beroep - Internering - Geïnterneerde die van zijn vrijheid is beroofd - Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Grievenformulier - Vervallenverklaring van het hoger beroep - Kennisgeving aan de geïnterneerde appellant - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Artikel 6.1, EVRM - Toegang tot de rechter - Hoger beroep - Internering - Geïnterneerde die van zijn vrijheid is beroofd - Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Grievenformulier - Vervallenverklaring van het hoger beroep - Kennisgeving aan de geïnterneerde appellant - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Artikel 6.1, EVRM - Toegang tot de rechter - Hoger beroep - Internering - Geïnterneerde die van zijn vrijheid is beroofd - Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Grievenformulier - Vervallenverklaring van het hoger beroep - Kennisgeving aan de geïnterneerde appellant - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.21.0937.N G. H., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- S. B., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Sara Melis, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de verweerster woonplaats kiest,
- CENTRUM VOOR ALGEMEEN WELZIJNSWERK ANTWERPEN vzw, met zetel te 2018 Antwerpen, Lange Lozanostraat 200, burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweersters, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweersters, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart eisers hoger beroep ten onrechte vervallen wegens het niet indienen van een grievenformulier; het kan die sanctie alleen toepassen indien er redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de gedetineerde eiser, die zelf hoger beroep heeft ingesteld, op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenformulier in te dienen, hetzij omdat de gevangenisdirecteur of zijn gemachtigde hem over die verplichting had ingelicht of die kennisgeving op enig andere wijze is gebeurd, hetzij omdat de eiser werd bijgestaan door een raadsman en er dus redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die hem ter zake heeft voorgelicht; er blijkt niet dat de eiser op enige wijze werd ingelicht over de verplichting een grievenformulier in te dienen; uit de omstandigheid dat de eiser bijstand genoot van een raadsman tijdens de fase van het onderzoek en de behandeling in eerste aanleg, kan niet worden afgeleid dat hij bijstand genoot van een raadsman tijdens de termijn voor het instellen van hoger beroep; uit het feit dat de eiser twee dagen na de uitspraak van het beroepen vonnis zelf in de gevangenis hoger beroep heeft ingesteld, kan worden afgeleid dat hij geen overleg heeft gepleegd met zijn toenmalige raadsman; uit het feit dat de eiser een andere raadsman heeft genomen volgt verder dat hij niet tevreden was over de bijstand van die toenmalige raadsman; het hoger beroep werd vervallen verklaard louter en alleen op basis van vermoedens en niet op basis van de stukken van het dossier. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest verklaart eisers hoger beroep vervallen zonder die beslissing te verantwoorden in het licht van de belangrijkheid van de procedure voor de eiser of de voor hem op het spel staande belangen, de bijzondere omstandigheden van de zaak en zijn medische situatie, die een minder strikt formalisme rechtvaardigen in vergelijking met andere beroepsprocedures; uit het rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het recht op toegang tot de rechter weliswaar niet belet dat ontvankelijkheidsvoorwaarden worden bepaald voor het instellen van een rechtsmiddel, maar dat die een legitiem doel moeten nastreven, er een redelijke verhouding moet bestaan tussen de aangevoerde middelen en het nagestreefde doel en dat die niet ertoe mogen leiden dat dit rechtsmiddel in de kern wordt aangetast; de ontvankelijkheidsvoorwaarden mogen niet getuigen van een excessief formalisme; er had in deze zaak moeten worden rekening gehouden met de medische situatie van de eiser aangezien volgens de gerechtspsychiater hij een geestesstoornis heeft die zijn oordeelsvermogen en de controle over zijn daden ernstig aantast, alsook met het belang van het hoger beroep voor de eiser aangezien een internering impliceert dat hij voor lange tijd zal worden opgesloten, zonder een vooraf bepaalde einddatum; het op summiere wijze verwijzen naar de bijzondere omstandigheid van de internering en van de bijstand van een raadsman, die overigens ter discussie staat, volstaan daartoe niet; het arrest had een minder formalistische houding moeten aannemen.
- Krachtens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan uiterlijk dertig dagen na de uitspraak van een op tegenspraak gewezen vonnis. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een beklaagde tevens op straffe van verval van het hoger beroep binnen dezelfde termijn als voor het afleggen van de in artikel 203 bedoelde verklaring van hoger beroep en op dezelfde griffie dan wel op de griffie van het appelgerecht een verzoekschrift of grievenformulier moet indienen, dat nauwkeurig de grieven bevat die tegen het vonnis worden ingebracht. Volgens artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen kunnen in de gevangenis opgesloten personen de verklaringen van hoger beroep in strafzaken, en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, doen aan de directeur van de instelling of zijn gemachtigde.
- Uit deze bepalingen volgt dat het appelgerecht in beginsel verplicht is het hoger beroep van een beklaagde ingesteld door het afleggen van een verklaring aan de directeur van de gevangenis of zijn gemachtigde tegen een vonnis dat hem interneert, maar die heeft nagelaten tijdig een grievenschrift in te dienen en voor wie door zijn raadsman evenmin een dergelijk geschrift is ingediend, vervallen te verklaren.
- Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast.
- Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst. Die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan.
- Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter: - volgt voor de overheid in de regel niet de verplichting om een beklaagde die tijdens de procedure in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman en die kennis heeft gekregen van de beroepen beslissing, alle vormvereisten voor het hoger beroep tegen die beslissing ter kennis te brengen. Dat geldt ook voor de op straffe van verval van het hoger beroep voorgeschreven verplichting om tijdig nauwkeurig bepaalde grieven in te dienen; - volgt evenwel dat indien de appellant een persoon is tegen wie een interneringsmaatregel wordt gevorderd die dus overeenkomstig artikel 81, § 1, eerste lid, Interneringswet moet worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, en die appellant bovendien van zijn vrijheid is beroofd, de vervallenverklaring van het hoger beroep wegens het niet-indienen van een grievenformulier enkel kan worden uitgesproken als vaststaat dat de appellant door de directeur van de gevangenis of zijn gemachtigde bij of ter gelegenheid van het instellen van het hoger beroep werd ingelicht over de verplichting tijdig een grievenformulier in te dienen dan wel op enig andere wijze ter zake werd ingelicht dan wel op dat ogenblik de bijstand genoot van een advocaat van wie mag worden aangenomen dat hij de appellant betreffende die formaliteit zal hebben geïnformeerd.
- Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar of aan die voorwaarde is voldaan. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser tekende in de gevangenis hoger beroep aan tegen het vonnis dat hem heeft geïnterneerd; - er werd door of namens de eiser geen door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoeld grievenformulier ingediend; - de eiser houdt voor dat hij geen kennis had van de verplichting om een grievenformulier in te dienen; - de eiser werd tijdens de procedure in eerste aanleg van bij de aanvang bij¬gestaan door een raadsman; - de raadsman die de eiser bijstond tijdens die procedure in eerste aanleg heeft op geen enkel ogenblik de beëindiging van zijn tussenkomst gemeld; - pas in hoger beroep heeft de nieuwe raadsman van de eiser zijn tussenkomst gemeld; - daaruit mag worden afgeleid dat de eiser gedurende de gehele strafprocedure en dus ook op het ogenblik van het beroepen vonnis de bijstand van een raadsman genoot en dat deze raadsman hem als een normaal zorgvuldig en vooruit¬ziend dienstverlener heeft gewezen op de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel en op de ter zake geldende termijnen en voorschriften, waaronder de verplichting tot neerlegging van een grievenformulier; - het gegeven dat het beroepen vonnis de eiser interneerde doet daaraan niets af, net omdat de eiser bijstand van een raadsman genoot wiens taak precies erin bestaat de belangen van zijn cliënt te verdedigen, rekening houdend met diens specifieke eigen situatie, daarin begrepen diens medische toestand; - er zijn geen andere omstandigheden die toelaten vast te stellen dat de eiser zich wat betreft de verplichting om een grievenformulier ter griffie neer te leggen in een overmachtssituatie bevond.
- Daaruit volgt dat het arrest de beslissing het hoger beroep van de eiser vervallen te verklaren wat betreft de beslissing op de strafvordering in wezen steunt op het oordeel dat de eiser op het ogenblik van het instellen van zijn hoger beroep en het tijdstip waarop het grievenformulier diende te worden ingediend nog steeds de bijstand genoot van de raadsman die hem in de procedure voor de eerste rechter bijstond. Het arrest kan evenwel uit de enkele omstandigheid dat de raadsman die de eiser bijstond voor de eerste rechter de beëindiging van die bijstand niet heeft gemeld en dat de tussenkomst van een nieuwe raadsman pas is gemeld in de procedure voor het appelgerecht, niet afleiden dat de eiser, zijnde een in de gevangenis opgesloten beklaagde van wie het beroepen vonnis de internering had bevolen, op het ogenblik van het instellen van zijn hoger beroep tegen die beslissing door het afleggen van een verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn gemachtigde en op het ogenblik waarop hij een grievenformulier diende in te dienen, de bijstand genoot van een raadsman. De beslissing eisers hoger beroep wat betreft de beslissing op de strafvordering vervallen te verklaren, is dan ook niet naar recht verantwoord. De onderdelen zijn in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de vervallenverklaring van het hoger beroep van de eiser met betrekking tot de beslissing op de strafvordering leidt tot de vernietiging van de beslissing betreffende het hoger beroep van het openbaar ministerie, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest maar enkel in zoverre het uitspraak doet over de beslissing op de strafvordering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een derde van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 169,68 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220322.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220920.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div