id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.19 Rolnummer: P.21.1229.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-10-15 Raadplegingen: 644 - laatst gezien 2026-06-18 06:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten vereist dat de weigering tot overlevering wordt verantwoord met omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de rechten van de betrokkene, die het vermoeden van eerbiediging van die rechten, dat de uitvaardigende lidstaat geniet, kunnen weerleggen; de enkele omstandigheid dat in het Europees aanhoudingsbevel door de rechter die het bevel heeft uitgevaardigd de feiten in de aantonende wijs en niet in de voorwaardelijke wijs zijn geformuleerd en dat in essentie wordt verwezen naar de verklaring van het beweerde slachtoffer en verklaringen van personen welke die verklaring bevestigen en dus niet naar eventueel uitgevoerde onderzoeken en objectieve bewijselementen à charge of a décharge, is niet afdoende om te spreken van ernstige redenen om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon
(1).
(1)Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0483.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.5, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Buitenlands bevel tot aanhouding - Tenuitvoerlegging in België - Weigeringsgronden - Eerbiediging van de fundamentele rechten - Beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten - Uiteenzetting der feiten in de aantonende wijs - Verwijzing naar de verklaring van het slachtoffer - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie - 07-02-1992 - Art. 6 - 32 Link Justel databank 19920207-32 Fiches 2 - 3 Het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, heeft betrekking op de rechter die kennis moet nemen van een strafrechtelijke beschuldiging, dit is de rechter die uitspraak moet doen over de strafrechtelijke vervolging. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging in België - Beoordeling - Bevoegde rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vermoeden van onschuld - Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging in België - Beoordeling - Bevoegde rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1229.N D. D. V., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Marijn Van Nooten, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4, 5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld en de algemene motiveringsverplichting: het arrest oordeelt ten onrechte dat de geschreven uiteenzetting van de feiten in het Europees aanhoudingsbevel niet van aard is om het vermoeden van onschuld te miskennen; de omschrijving van de feiten in het Europees aanhoudingsbevel is volstrekt in de indicatieve wijs opgesteld, zodat het minstens lijkt dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit ervan uitgaat dat de beschreven feiten vaststaande feiten zijn; nergens wordt enig voorbehoud gemaakt over de ware toedracht van de feiten en de feiten worden op geen enkel ogenblik in een voorwaardelijke wijs vermeld; nergens wordt verwezen naar onderzoeken die er eventueel zouden zijn gedaan en van objectieve elementen à charge of à decharge die deze onderzoeken zouden hebben opgeleverd; de uitvaardigende rechterlijk autoriteit lijkt aldus genoegen te nemen met de verklaring van mevrouw R. en de door haar beschreven feiten voor waar en vaststaand aan te nemen; omdat deze woorden uitgaan van de rechter-commissaris en niet van een vervolgende instantie, namelijk de officier van justitie, maken deze gebruikte bewoordingen op zich voldoende ernstige redenen uit om aan te nemen dat het vermoeden van onschuld in het gedrang zal kunnen komen bij de beoordeling van de zaak door de bodemrechter.
- Artikel 4, 5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in volgende gevallen geweigerd: (…) ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.”
- Het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten vereist dat de weigering tot overlevering wordt verantwoord met omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de rechten van de betrokkene, die het vermoeden van eerbiediging van die rechten, dat de uitvaardigende lidstaat geniet, kunnen weerleggen.
- Het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, heeft betrekking op de rechter die kennis moet nemen van een strafrechtelijke beschuldiging, dit is de rechter die uitspraak moet doen over de strafrechtelijke vervolging.
- De enkele omstandigheid dat in het Europees aanhoudingsbevel door de rechter die het bevel heeft uitgevaardigd de feiten in de aantonende wijs en niet in de voorwaardelijke wijs zijn geformuleerd en dat in essentie wordt verwezen naar de verklaring van het beweerde slachtoffer en verklaringen van personen welke die verklaring bevestigen en dus niet naar eventueel uitgevoerde onderzoeken en objectieve bewijselementen à charge of a décharge, is niet afdoende om te spreken van ernstige redenen om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste middel
- Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van het Europees aanhoudingsbevel van 27 juli 2021: het arrest grondt de verwerping van eisers aanvoering dat de geschreven uiteenzetting van de feiten van het Europees aanhoudingsbevel het vermoeden van onschuld miskent op het oordeel dat die tekst uitgaat van de vervolgende overheid en niet van de rechter-commissaris, terwijl uit de tekst van het Europees aanhoudingsbevel herhaaldelijk en uitdrukkelijk het tegendeel blijkt (eerste onderdeel); het arrest oordeelt dat de rechter-commissaris wel degelijk de proportionaliteit van het Europees aanhoudingsbevel heeft onderzocht en beoordeeld en dus ook een zogenaamd redelijk vermoeden van schuld en hij niet zonder meer is meegegaan in de indicatieve feitenversie van de officier van justitie; met deze redenen leest het arrest in het Europees aanhoudingsbevel bewoordingen die niet erin zijn vermeld (tweede onderdeel).
- Gelet op het antwoord op het tweede middel, kan het middel in zijn beide onderdelen, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div