id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.5 Rolnummer: P.21.0765.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS TE LEUVEN contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-10-15 Raadplegingen: 694 - laatst gezien 2026-06-16 03:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche De bepaling van artikel 37bis, §1, 1°, Wegverkeerswet beoogt uit veiligheidsoverwegingen te beletten dat personen een voertuig besturen onder invloed van een bepaald amfetamine-gehalte dat hun rijvaardigheid beïnvloedt; gelet op dit beschermingsoogmerk is het irrelevant of de aanwezigheid van een door de regelgever bepaald gehalte aan amfetamine in het lichaam het gevolg is van een toegestaan geneesmiddelengebruik dan wel van illegaal middelengebruik. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Vrije woorden: Artikel 37bis - Artikel 37bis, § 1, 1° - Stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden - Doelstelling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 37bis, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0765.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, eiser, tegen B. D., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Tessa Dries, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 29 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 37bis Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het verweer van de verweerder geloofwaardig en aannemelijk is en spreekt hem ten onrechte vrij, minstens omdat er twijfel is over zijn schuld; nochtans maakt de aangehaalde wetsbepaling geen onderscheid tussen het onder invloed zijn van de in deze bepaling vermelde stoffen als gevolg van een toegestaan geneesmiddelengebruik dan wel van een illegaal middelengebruik.
- Artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet bepaalt: “ § 1 Wordt gestraft met een geldboete van 200 euro tot 2.000 euro: 1° hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt, of een bestuurder begeleidt met het oog op scholing, wanneer de speekselanalyse bedoeld in artikel 62ter, § 1, of de bloedanalyse bedoeld in artikel 63, § 2 de aanwezigheid in het organisme aantoont van minstens een van de volgende stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden: Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) Amfetamine Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) Morfine of 6-acetylmorfine Cocaïne of benzoylecgonine en waarvan het gehalte gelijk is aan of hoger dan het gehalte bepaald in artikel 62ter, § 1, voor de speekselanalyse en in artikel 63, § 2, voor de bloedanalyse;”
- Deze strafbepaling beoogt uit veiligheidsoverwegingen te beletten dat personen een voertuig besturen onder invloed van een bepaald amfetamine-gehalte dat hun rijvaardigheid beïnvloedt. Gelet op dit beschermingsoogmerk is het irrelevant of de aanwezigheid van een door de regelgever bepaald gehalte aan amfetamine in het lichaam het gevolg is van een toegestaan geneesmiddelengebruik dan wel van illegaal middelengebruik.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat het deskundig verslag besluit dat eensdeels in het bloedstaal van de eiser een hoeveelheid van meer dan 400 ng/ml amfetamines wordt teruggevonden, hetgeen wijst op een gebruik van amfetamine, en, anderdeels, het bloedstaal negatief is voor de aanwezigheid van methylamfetamine (MDMA=XTC). Het oordeelt vervolgens dat uit medische attesten die de eiser voorlegt blijkt dat hij lijdt aan een aandachtsstoornis, waarvoor hij medicatie moet nemen, meer bepaald dextroamfetamine, en dat hij ook een eigenhandig opgestelde berekening neerlegt, waaruit blijkt dat de in zijn bloedstaal aangetroffen hoeveelheid amfetamine binnen het medicinaal gebruik valt. Door op grond van deze redenen de eiser vrij te spreken, schendt het bestreden vonnis, dat niet vaststelt dat de hoeveelheid aan amfetamines in het bloed van de eiser het toegelaten gehalte niet overschrijdt, het vermelde wetsartikel. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 80,85 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div