id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211014.1N.6 Rolnummer: F.20.0047.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-10-22 Raadplegingen: 785 - laatst gezien 2026-06-16 04:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de administratie de belastbare grondslag overeenkomstig artikel 341 WIB92 heeft vastgesteld volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, moet de belastingplichtige, om het op hem rustende tegenbewijs te leveren, aan de hand van positieve en controleerbare gegevens aantonen dat die hogere gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke in de inkomstenbelastingen kunnen worden belast of uit inkomsten die tijdens een vroeger tijdvak dan het belastbare tijdvak zijn verkregen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Bewijslast - Verdeling Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 341 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.20.0047.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Gewestelijke Directie AABBI Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 5, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- K. G.,
- M. A., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 19 december 2017 en 10 september
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 4 augustus 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 341 WIB92 mag de raming van de belastbare grondslag, behoudens tegenbewijs, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Krachtens die bepaling worden de uitgaven, bestedingen, beleggingen, investeringen en toenamen van vermogen van een belastingplichtige vastgesteld tijdens een belastbaar tijdperk, die zijn aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, vermoed, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige, voort te komen uit de belastbare inkomsten die door de belastingplichtige tijdens het belastbaar tijdperk zijn verkregen. Wanneer de administratie de belastbare grondslag overeenkomstig artikel 341 WIB92 heeft vastgesteld volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, moet de belastingplichtige, om het op hem rustende tegenbewijs te leveren, aan de hand van positieve en controleerbare gegevens aantonen dat die hogere gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke in de inkomstenbelastingen kunnen worden belast of uit inkomsten die tijdens een vroeger tijdvak dan het belastbare tijdvak zijn verkregen.
- De appelrechter stelt in het arrest van 19 december 2017 vast dat de eiser voor het inkomstenjaar 2010 een indiciaire afrekening heeft opgemaakt, die heeft geleid tot belasting met de bestreden aanslag van een indiciair tekort van 723.567,81 euro als inkomsten van onbepaalde oorsprong en dat dit indiciair tekort door de eiser vooral werd afgeleid uit een belegging door de verweerster in 2010 van 240.000 euro en van 500.000 euro bij de beleggingsvennootschap Key Capital Invest. Hij oordeelt in datzelfde arrest vervolgens dat: - niet zomaar kan worden aangenomen dat de verweerster over één jaar tijd, en zelfs op minder dan één jaar, voor een bedrag van 740.000 euro belastbare inkomsten zou hebben verworven; - dit normalerwijze niet mogelijk lijkt, wat de eiser ertoe had moeten aanzetten de indiciaire afrekening over meerdere jaren op te maken en op die wijze een eventueel indiciair tekort te berekenen; - de bestreden aanslag dan ook is aangetast door willekeur en dient te worden vernietigd.
- Door aldus de bewijslast dat de hogere gegoedheid voortkomt van inkomsten uit een vroeger tijdvak bij de administratie te leggen, miskent de appelrechter het wettelijk vermoeden vervat in artikel 341 WIB
- Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De cassatie van het tussenarrest van 19 december 2017 brengt de cassatie mee van het eindarrest van 10 september 2019 dat er een gevolg van is. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden arresten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 14 oktober 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211014.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div