← België

C. contra STAD GENT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211018.3N.5 Rolnummer: C.17.0306.N Zaak: C. contra STAD GENT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-11-25 Raadplegingen: 469 - laatst gezien 2026-06-16 04:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het personeelslid aan wie de tuchtstraf terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd, bouwt gedurende de termijn van de terugzetting wel dienstanciënniteit maar geen loonschaalanciënniteit op in de weddeschaal waaruit het door de tuchtstraf van de terugzetting tijdelijk is verwijderd; na afloop van die tuchtstraf zal het personeelslid de oorspronkelijke weddeschaal herwinnen met de vóór de tuchtstraf in die weddeschaal verworven loonschaalanciënniteit en de intussen verworven dienstanciënniteit. Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Rechtspositie - Tuchtstraf - Loonanciënniteit - Dienstanciënniteit - Onderscheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten - 30-03-2001 - Artt. II.I.1, II.I.2, § 3, II.I.3 en VII.II.24, eerste en tweede lid - 60 ELI link Pub nr 2001B00327 Wet 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten - 13-05-1999 - Art. 13, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1999000472 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0306.N S.C., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen STAD GENT, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 9000 Gent, Botermarkt 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.451.227, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 januari

  1. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 23 augustus 2021 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Overeenkomstig artikel II.I.1 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, hierna RPPol, zijn de volgende administratieve anciënniteiten toepasselijk op de personeelsleden : 1° de graadanciënniteit; 2° de kaderanciënniteit voor de leden van het operationeel kader of de niveauanciënniteit voor de leden van het administratief en logistiek kader; 3° de loonschaalanciënniteit; 4° de dienstanciënniteit; 5° de klasseanciënniteit voor de leden van het administratief en logistiek kader van niveau A. Krachtens artikel II.I.2, § 3, RPPol worden voor de dienstanciënniteit alle werkelijke diensten in aanmerking genomen die het personeelslid heeft verricht vanaf de datum waarop het personeelslid deze hoedanigheid heeft verkregen. Krachtens artikel II.I.3 RPPol bestaat de loonschaalanciënniteit uit de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verricht in een bepaalde loonschaal.
  3. Artikel VII.II.24, eerste en tweede lid, RPPol dat de loopbaan in het officierskader betreft, bepaalt: “Een baremische loopbaan wordt ingesteld voor overgang tussen de hieronder opgesomde loonschalen en na het aantal jaren loonschaalanciënniteit dat ernaast wordt vermeld: 1° van de loonschaal O2 naar de loonschaal O3 na zes jaar in de loonschaal O2; 2° van de loonschaal O3 naar de loonschaal O4 na zes jaar in de loonschaal O3; 3° van de loonschaal O5 naar de loonschaal O6 na zes jaar in de loonschaal O5; 4° van de loonschaal O6 naar de loonschaal O7 na zes jaar in de loonschaal O6; 5° van de loonschaal O7 naar de loonschaal O8 na zes jaar in de loonschaal O
  4. De hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de evaluatie de eindvermelding ‘onvoldoende’ draagt. De toekenning van de loonschalen O3 en O4 is eveneens afhankelijk van het volgen van de door Ons bepaalde voortgezette opleiding.”
  5. De loonschalen van de personeelsleden van de politiediensten zijn vastgesteld in de bijlage 1 bij het RPPol. Elke loonschaal van elke graad voorziet in een barema met 25 tussentijdse verhogingen. Hieruit volgt dat een personeelslid van de politiediensten in beginsel na 25 jaar dienstanciënniteit de maximale wedde bereikt en nog enkel een hogere wedde kan verkrijgen door overgang naar een hogere loonschaal of naar een hoger kader.
  6. Krachtens artikel 13, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, hierna Tuchtwet Politie, bestaat de terugzetting in weddeschaal in de toekenning aan een personeelslid van een weddeschaal die onmiddellijk lager is dan de zijne, met behoud van zijn anciënniteit. De terugzetting houdt tevens in dat het personeelslid gedurende de twee navolgende jaren diezelfde weddeschaal behoudt. Artikel 13, tweede lid, Tuchtwet Politie, zoals gewijzigd door artikel 150 van de wet van 1 maart 2007, bepaalt: “Bevindt het personeelslid aan wie deze tuchtstraf is opgelegd zich, op het ogenblik dat de straf wordt toegepast, in de eerste schaal van zijn graad, of van zijn klasse, dan houdt de terugzetting in dat het, met behoud van zijn anciënniteit, gedurende de twee navolgende jaren het recht verliest op de uitbetaling van de tussentijdse verhogingen en op verhoging van weddeschaal.” De verwijzing in artikel 13 Tuchtwet Politie naar de “anciënniteit” ziet niet op de loonschaalanciënniteit waarvan sprake in de artikelen II.I.1, 3°, II.I.3 en VII.II.24 RPPol, maar wel op de dienstanciënniteit zoals bedoeld in artikel II.I.1, 4°, en II.I.2, § 3, RPPol.
  7. Uit het geheel van de voormelde bepalingen volgt dat het personeelslid aan wie de tuchtstraf terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd, gedurende de termijn van de terugzetting wel dienstanciënniteit maar geen loonschaalanciënniteit opbouwt in de weddeschaal waaruit het door de tuchtstraf van de terugzetting tijdelijk is verwijderd. Na afloop van die tuchtstraf zal het personeelslid de oorspronkelijke weddeschaal herwinnen met de v??r de tuchtstraf in die weddeschaal verworven loonschaalanciënniteit en de intussen verworven dienstanciënniteit. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal niet verhindert dat het personeelslid gedurende de termijn van terugzetting verder loonschaalanciënniteit opbouwt in de hogere weddeschaal die het na de tuchtsanctie opnieuw zal innemen, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 865,96 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 18 oktober 2021 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211018.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.