id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.13 Rolnummer: P.21.0988.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-10-22 Raadplegingen: 1017 - laatst gezien 2026-06-18 13:52 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De rechter kan de in artikel 35 Wegverkeerswet bedoelde staat van dronkenschap bij de bestuurder van een voertuig afleiden uit alle aan tegenspraak onderworpen gegevens die hem zijn voorgelegd; het is niet vereist dat de betrokkene heeft gestuurd in een toestand van alcoholintoxicatie bedoeld in artikel 34 Wegverkeerswet, noch dat de staat van dronkenschap bij hem is vastgesteld tijdens het sturen; aldus kan de rechter het feit dat de bestuurder het voertuig in staat van dronkenschap heeft bestuurd afleiden uit de beschrijving van diens toestand door de verbalisanten, ook wanneer die laatsten de bestuurder pas hebben aangetroffen nadat hij had gestuurd; de tijdsspanne tussen het sturen en de vaststellingen van de verbalisanten speelt geen rol wanneer de rechter kan uitsluiten dat die vaststellingen zijn beïnvloed door een gebeurtenis na het sturen, zoals het feit dat de bestuurder alsdan nog alcoholische dranken zou hebben genuttigd
(1)Cass. 24 november 2020, AR P.20.0761.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.3, AC 2020, nr. 716; Cass. 17 februari 2016, AR P.15.0540.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.6, AC 2016, nr. 117; Cass. 20 september 2011, AR P.11.0182.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110920.2, AC 2011, nr. 481; Cass. 11 december 1984, AR 8950, AC 1985, nr.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 35 Vrije woorden: Dronkenschap achter het stuur - Tijdspanne tussen het sturen en de vaststellingen van de politie - Toestand van de bestuurder op moment van aantreffen door de politie - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Artt. 34 en 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: DRONKENSCHAP Vrije woorden: Dronkenschap achter het stuur - Tijdspanne tussen het sturen en de vaststellingen van de politie - Toestand van de bestuurder op moment van aantreffen door de politie - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Artt. 34 en 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Dronkenschap achter het stuur - Tijdspanne tussen het sturen en de vaststellingen van de politie - Toestand van de bestuurder op moment van aantreffen door de politie - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Artt. 34 en 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0988.N K. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Anthony Roegiers, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 14 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 34, § 2, en 35 Wegverkeerswet: de appelrechters veroordelen de eiser wegens alcoholintoxicatie (telastlegging D) en dronkenschap achter het stuur (telastlegging E) op basis van een gemeten alcoholresultaat van 0,68 mg/l UAL en vaststellingen van de verbalisanten, die dateren van ongeveer 1 uur en 36 minuten nadat de eiser zijn voertuig had bestuurd en daarbij een elektriciteitspaal had aangereden; zij oordelen dat de eiser niet werd vervolgd voor het alcoholgehalte dat de deskundige van het openbaar ministerie had berekend, maar motiveren niet uit welke andere gegevens zou blijken dat de eiser het voertuig daadwerkelijk heeft bestuurd met het vermelde alcoholpercentage of in dronken toestand.
- De rechter kan de in artikel 35 Wegverkeerswet bedoelde staat van dronkenschap bij de bestuurder van een voertuig afleiden uit alle aan tegenspraak onderworpen gegevens die hem zijn voorgelegd. Het is niet vereist dat de betrokkene heeft gestuurd in een toestand van alcoholintoxicatie bedoeld in artikel 34 Wegverkeerswet, noch dat de staat van dronkenschap bij hem is vastgesteld tijdens het sturen. Aldus kan de rechter het feit dat de bestuurder het voertuig in staat van dronkenschap heeft bestuurd afleiden uit de beschrijving van diens toestand door de verbalisanten, ook wanneer die laatsten de bestuurder pas hebben aangetroffen nadat hij had gestuurd. De tijdsspanne tussen het sturen en de vaststellingen van de verbalisanten speelt geen rol wanneer de rechter kan uitsluiten dat die vaststellingen zijn beïnvloed door een gebeurtenis na het sturen, zoals het feit dat de bestuurder alsdan nog alcoholische dranken zou hebben genuttigd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen, eensdeels, dat de verbalisanten ongeveer een uur en 36 minuten na de aanrijding bij de eiser uiterlijke tekenen van dronkenschap hebben vastgesteld, meer bepaald een wankelende gang, wanordelijke kledij en bloeddoorlopen ogen. Zij oordelen, anderdeels, dat het verweer van de eiser dat hij het merendeel van de alcohol heeft genuttigd nadat hij in het holst van de nacht een elektriciteitskast had aangereden en beschadigd en vervolgens even verder in panne was gevallen, volstrekt ongeloofwaardig is. Aldus stellen zij de gegevens vast op grond waarvan zij oordelen dat de eiser zijn voertuig heeft bestuurd in staat van dronkenschap en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De aan de eiser opgelegde bestraffing is naar recht verantwoord wegens zijn veroordeling voor de telastlegging E. In zoverre gericht tegen eisers schuldigverklaring aan de telastlegging D, kan het middel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 326 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters konden uit de vastgestelde feiten niet boven elke redelijke twijfel afleiden dat de eiser een voertuig heeft bestuurd met een alcoholgehalte van 0,68 mg/l UAL en in staat van dronkenschap in de zin van de artikelen 34 en 35 Wegverkeerswet; dit blijkt niet uit het strafdossier.
- In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: uit de elementen van het strafdossier blijkt niet dat de eiser een voertuig heeft bestuurd met een alcoholgehalte van 0,68 mg/l UAL en in staat van dronkenschap in de zin van de artikelen 34 en 35 Wegverkeerswet; de appelrechters motiveren niet op grond van welke gegevens zij anders beslissen.
- Met de redenen die blijken uit het antwoord op het eerste middel motiveren de appelrechters wel degelijk hun beslissing en is die beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste en het tweede middel en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters houden voor de veroordeling van de eiser rekening met twee onverenigbare tijdstippen voor het voltrekken van het materiële bestanddeel van het sturen in staat van dronkenschap, namelijk enerzijds het tijdstip waarop de aanrijding heeft plaatsgevonden en anderzijds het tijdstip van de meting van de alcoholintoxicatie en de vaststellingen van de verbalisanten, die beide plaatsvonden meer dan een uur na de aanrijding; aldus is het bestreden vonnis tegenstrijdig gemotiveerd.
- De appelrechters oordelen niet dat het materiële misdrijfbestanddeel van het dronken sturen zich na de aanrijding voordeed, maar wel dat het voorhanden zijn van dit materiële bestanddeel op het moment van de aanrijding blijkt uit de vaststellingen van de verbalisanten na de aanrijding. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters oordelen, enerzijds, dat de eiser niet werd vervolgd voor het alcoholgehalte dat door de deskundige werd berekend en dat eisers verweer daarover niet relevant is, terwijl zij, anderzijds, eveneens oordelen dat de staat van alcoholintoxicatie en dronkenschap bij de eiser mede bewezen zijn op grond van de bevindingen van de deskundige; die redenen zijn tegenstrijdig.
- De appelrechters oordelen niet dat de bevindingen van de deskundige mede bewijzen dat de eiser zijn voertuig heeft bestuurd in staat van dronkenschap. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 19 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110920.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div