← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.20 Rolnummer: P.21.1217.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-10-22 Raadplegingen: 838 - laatst gezien 2026-06-18 14:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De beoordeling van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten als tegenaanwijzing voor een strafuitvoeringsmodaliteit, zoals bepaald in artikel 47, § 2 Wet Strafuitvoering, veronderstelt noodzakelijkerwijze een inschatting voor de toekomst, maar de strafuitvoeringsrechtbank moet zich voor die beoordeling plaatsen op het ogenblik van het vonnis. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Risico op het plegen van nieuwe ernstige feiten - Inschatting van het risico - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 2 De strafuitvoeringsrechtbank kan het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten steunen op het georganiseerd karakter van het misdrijf waarvoor de veroordeelde werd gestraft

(1)en het gegeven dat hij reeds buitenlandse veroordelingen opliep.
(1)Over het beoordelen van het recidivegevaar aan de hand van de aard van de feiten waarvoor de veroordeelde zijn straf uitvoert Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0996.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13, AC 2020, nr. 665; Cass. 29 september 2020, AR P.20.0918.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10, AC 2020, nr. 589, RABG 2021,
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Risico op het plegen van nieuwe ernstige feiten - Georganiseerd karakter van het misdrijf - Eerdere buitenlandse veroordeling - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie omkleedt de strafuitvoeringsrechtbank de afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied regelmatig met redenen door de vaststelling van het bestaan van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten en de vermelding van het gegeven of de gegevens waarop die vaststelling is gesteund; een dergelijke motivering vormt de rechtvaardiging van de beslissing; niet is vereist dat het vonnis alle mogelijke argumenten voor en tegen de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit vermeldt. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Risico op het plegen van nieuwe ernstige feiten - Argumenten voor en tegen de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit - Grens Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Risico op het plegen van nieuwe ernstige feiten - Argumenten voor en tegen de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit - Grens Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 5 De strafuitvoeringsrechtbank kan de niet-toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit wegens het bestaan van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten gronden op dezelfde gegevens als die welke werden in aanmerking genomen voor de niet-toekenning van een vorig gelijkaardig verzoek. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Risico op het plegen van nieuwe ernstige feiten - Redenen gesteund op dezelfde gegevens als beoordeeld in een eerdere afwijzing van de modaliteit Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 6 - 7 De verplichting bij niet-toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit de datum te bepalen waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen houdt geen verband met de motiveringsverplichting van de niet-toekenning van de modaliteit. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Afwijzen van het verzoek - Bepalen van een datum voor het indienen van een verzoek - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Afwijzen van het verzoek - Bepalen van een datum voor het indienen van een verzoek - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1217.N H. A., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 20 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 54 Wet Strafuitvoering: het vonnis wijst eisers verzoek om voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied af met een summiere en gestandaardiseerde motivering; de gevolgen van een afwijzing van een dergelijk verzoek vereisen dat de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank overtuigend moet zijn gerechtvaardigd en inzicht geeft in de argumenten die voor en tegen de voorlopige invrijheidstelling pleiten; een eerder verzoek van de eiser werd reeds bij vonnis van 26 oktober 2020 met eenzelfde motivering afgewezen; het verwijzen naar specifieke feiten en omstandigheden en meer in het bijzonder het “Nederlands verleden” van de eiser volstaat niet om voor een tweede keer op rij zijn verzoek af te wijzen; bovendien wordt voor het indienen van een nieuw verzoek de maximale termijn gehanteerd; de strafuitvoeringsrechtbank beoordeelt het recidiverisico enkel op het ogenblik van het vonnis en maakt geen inschatting voor de toekomst.
  4. Het middel preciseert niet hoe en waarom het vonnis artikel 54 Wet Strafuitvoering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.
  5. Artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied aan de veroordeelde kan worden toegekend, voor zover er in zijnen hoofde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Die tegenaanwijzingen kunnen onder meer betrekking hebben op het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten.
  6. De beoordeling van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten als tegenaanwijzing voor een strafuitvoeringsmodaliteit veronderstelt noodzakelijkerwijze een inschatting voor de toekomst, maar de strafuitvoeringsrechtbank moet zich voor die beoordeling plaatsen op het ogenblik van het vonnis.
  7. De strafuitvoeringsrechtbank kan het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten steunen op het georganiseerd karakter van het misdrijf waarvoor de veroordeelde werd gestraft en het gegeven dat hij reeds buitenlandse veroordelingen opliep.
  8. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie omkleedt de strafuitvoeringsrechtbank de afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied regelmatig met redenen door de vaststelling van het bestaan van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten en de vermelding van het gegeven of de gegevens waarop die vaststelling is gesteund. Een dergelijke motivering vormt de rechtvaardiging van de beslissing. Niet is vereist dat het vonnis alle mogelijke argumenten voor en tegen de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit vermeldt.
  9. De strafuitvoeringsrechtbank kan de niet-toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit wegens het bestaan van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten gronden op dezelfde gegevens als die welke werden in aanmerking genomen voor de niet-toekenning van een vorig gelijkaardig verzoek.
  10. De verplichting bij niet-toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit de datum te bepalen waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen houdt geen verband met de motiveringsverplichting van de niet-toekenning van de modaliteit.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het vonnis grondt de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit op het bestaan van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten en het wijst daarbij op het georganiseerd karakter en de ernst van de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld en het gegeven dat hij in Nederland reeds een aantal veroordelingen opliep, zodat hij niet aan zijn proefstuk toe is. Met die redenen is de niet-toekenning van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied wegens de tegenaanwijzing van het bestaan van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, artikel 9, § 3, van de wet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden (hierna Basiswet 2005) en artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering: door de afwijzing met een vorig vonnis van 26 oktober 2020 en thans met het vonnis van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit, door de datum voor het indienen van een nieuw verzoek zo ver als mogelijk te bepalen en door te verwijzen naar de veroordelingen van de eiser in Nederland als enige reden voor de afwijzing van het verzoek, miskent het vonnis het recht van de eiser op een effectieve kans op de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit.
  14. Het middel preciseert niet hoe en waarom het vonnis artikel 3 EVRM en artikel 9, § 3, Basiswet 2005 schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.
  15. Een veroordeelde tot vrijheidsstraf heeft geen absoluut recht op de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit. Die kan hem enkel worden toegekend indien de strafuitvoeringsrechtbank vaststelt dat daarvoor geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. De veroordelingen die de eiser in Nederland opliep zijn niet de enige reden voor de niet-toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  17. Noch uit het feit dat de strafuitvoeringsrechtbank de datum voor het indienen van een nieuw verzoek vaststelt op de verst mogelijke datum noch uit de feit dat de strafuitvoeringsrechtbank met een met redenen omklede beslissing de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied niet toekent wegens de tegenaanwijzing van het bestaan van het risico van het plegen van nieuwe ernstige feiten, volgt dat de eiser geen effectieve kans kreeg op de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 19 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.