id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, b) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.b - Recht op een eerlijk proces - Recht op verdediging - Stukken overgelegd aan de rechter - Overlegging tijdens de pleidooien en replieken - Gevolg - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, b) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14.1 - Recht op een eerlijk proces - Recht op tegenspraak - Stukken overgelegd aan de rechter - Overlegging tijdens de pleidooien en replieken - Gevolg - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, b) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Vrije woorden: Artikel 14.3.b - Recht op een eerlijk proces - Recht op verdediging - Stukken overgelegd aan de rechter - Overlegging tijdens de pleidooien en replieken - Gevolg - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, b) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Recht van verdediging - Recht op tegenspraak - Stukken overgelegd aan de rechter - Overlegging tijdens de pleidooien en replieken - Gevolg - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, b) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Stukken overgelegd aan de rechter - Overlegging tijdens de pleidooien en replieken - Gevolg - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, b) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 9 - 12 Het middel dat het door het Grondwettelijk Hof in een arrest ingenomen standpunt bekritiseert en dus niet het bestreden arrest is niet ontvankelijk, zodat de prejudiciële vraag bij toepassing van artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet dient te worden gesteld
(1).
(1)GwH 7 november 1996, nr. 60/96; A. WINANTS, "Enkele beschouwingen over het voorrecht van rechtsmacht", in F. DERUYCK (ed.), Strafrecht in/uit balans, die Keure 2020, pp. 135-140, nrs. 10-18; J. DE CODT, “De vervolging van magistraten”, in X. DE RIEMAECKER en R. VAN RANSBEEK (eds), Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, die Keure, 2020, nr. 15; R. VERSTRAETEN, “Voorrecht van rechtsmacht”, in L. DUPONT en B. SPRIET (eds.), Strafrecht voor rechtspractici, IV, Acco, 1991, 115; G. BELTJENS, “Article 479”, Encyclopédie du droit criminel belge, II, 1903, nr.
- Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Afwezigheid van dubbele aanleg - Arrest van het Grondwettelijk Hof - Cassatiemiddel dat het arrest van het Grondwettelijk Hof aanvecht - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 2, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Voorrecht van rechtsmacht - Afwezigheid van dubbele aanleg - Arrest van het Grondwettelijk Hof - Cassatiemiddel dat het arrest van het Grondwettelijk Hof aanvecht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 2, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Voorrecht van rechtsmacht - Afwezigheid van dubbele aanleg - Arrest van het Grondwettelijk Hof - Cassatiemiddel dat het arrest van het Grondwettelijk Hof aanvecht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Vervolging van magistraat - Artikel 479, Wetboek van Strafvordering - Afwezigheid van dubbele aanleg - Arrest van het Grondwettelijk Hof - Cassatiemiddel dat het arrest van het Grondwettelijk Hof aanvecht - Verzoek tot prejudiciële vraag - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0952.N J. M. M. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, tegen V. C., burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, eerste kamer-correctionele kamer, van 14 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiser heeft een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiser deels vrij voor de feiten van de telastlegging B. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 113 Gerechtelijk Wetboek en artikel 479 Wetboek van Strafvordering: de zaak werd behandeld en het arrest is uitgesproken door de eerste kamer van het hof van beroep te Gent voorgezeten door kamervoorzitter K.D., zonder dat uit enig stuk blijkt dat de eerste voorzitter zich heeft laten vervangen; evenmin blijkt dat kamervoorzitter K.D. werd aangewezen om de eerste voorzitter te vervangen.
- Artikel 113 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde correctionele zaken worden toegewezen aan de kamer voor burgerlijke zaken voorgezeten door de eerste voorzitter of door de voorzitter of raadsheer die hem vervangt.
- Deze bepaling vereist geen bijzondere formaliteit voor de vaststelling van de vervanging van de eerste voorzitter wanneer hij wettig belet is om te zetelen, noch is die vaststelling voorgeschreven op straffe van een welbepaalde sanctie.
- Uit het feit dat een kamervoorzitter of een raadsheer in een hof van beroep de burgerlijke kamer voorzit die kennis neemt van een strafvervolging bedoeld door artikel 479 Wetboek van Strafvordering volgt dat de eerste voorzitter wettig belet is om te zetelen. De eerste voorzitter moet dat wettig belet of de samenstelling van de kamer die eruit voortvloeit, niet uitdrukkelijk bij beschikking vaststellen of motiveren en het arrest dat in een dergelijke zaak uitspraak doet, moet evenmin melding maken van een dergelijke beschikking.
- Een dergelijke regeling maakt artikel 113 Gerechtelijk Wetboek niet inhoudsloos. Het openbareordekarakter of de vereiste van een strikte interpretatie van de bepalingen inzake voorrecht van rechtsmacht, verplichten niet tot een ander oordeel.
- Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: de indruk kan zijn gewekt dat de samenstelling van de zetel is beïnvloed en een schijn van partijdigheid en afhankelijkheid kan zijn gecreëerd doordat het arrest in strijd met artikel 113 Gerechtelijk Wetboek niet is gewezen door de kamer voor burgerlijke zaken voorgezeten door de eerste voorzitter van het hof van beroep en niet blijkt uit enig stuk dat de eerste voorzitter zich heeft laten vervangen.
- Het onderdeel dat uitgaat van de loutere hypothese dat een bepaalde indruk zou kunnen zijn gewekt, is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser bestaande in het zich hebben verzet tegen de neerlegging van een bijkomend stukkenbundel door een van de raadslieden van de verweerster op de rechtszitting van 10 mei 2021, terwijl uit het arrest blijkt dat dit stukkenbundel in de oordeelsvorming werd betrokken.
- Indien een verweer bestaat in het zonder enige motivering geformuleerd verzet door een partij in het strafproces tegen de neerlegging van stukken door een andere partij op de rechtszitting, beantwoordt en verwerpt de rechter dit verweer door met die stukken rekening te houden. Een dergelijk niet-gemotiveerd verzet vereist geen nadere motivering. Dit belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.b EVRM en artikel 14.1 en 14.3.b IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: het arrest laat na, niettegenstaande het verzet van de eiser, de bijkomende nieuwe stukken die de raadsman van de verweerster pas ter gelegenheid van de mondelinge replieken en dus net vóór het in beraad nemen van de zaak heeft neergelegd, te weren; die stukken werden integendeel bij de oordeelsvorming betrokken; de houding van de verweerster miskent het beginsel van het loyaal debat op tegenspraak en maakt misbruik uit van rechtspleging.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Het recht op tegenspraak, zoals vervat in de vermelde verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen houdt in dat een partij in het strafproces tegenspraak moet kunnen voeren betreffende de stukken die aan de rechter worden overgelegd.
- Uit het enkele feit dat een partij in het strafproces bepaalde stukken slechts aan de rechter overlegt tijdens de pleidooien en de replieken maar voor het in beraad nemen van de zaak, volgt niet noodzakelijk dat de andere partijen daarover geen tegenspraak hebben kunnen voeren. Het staat in een dergelijk geval aan die partijen om hetzij de wering van die stukken te vragen omdat de neerlegging ervan procesmisbruik inhoudt hetzij om een uitstel van behandeling van de zaak te verzoeken teneinde van die stukken nader kennis te kunnen nemen en gebeurlijk om nieuwe conclusietermijnen te vragen bij toepassing van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het verzet van de eiser tegen de neerlegging van de stukken werd gemotiveerd door procesmisbruik en evenmin dat de eiser om uitstel heeft verzocht om alsnog van die stukken nader kennis te nemen en desgevallend om nieuwe conclusietermijnen te verzoeken. In die omstandigheden kon de rechter de neergelegde stukken bij zijn beoordeling betrekken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 479 Wetboek van Strafvordering: het arrest doet in eerste en laatste aanleg uitspraak; hoger beroep is niet mogelijk; de doelstellingen die de wetgever beoogt met de procedure van voorrecht van rechtsmacht, namelijk de rechterlijke macht te behoeden voor beledigende en onbezonnen strafprocedures en vermijden dat magistraten door naaste collega’s al te streng of al te tolerant zouden worden beoordeeld, kunnen ook worden bereikt zonder aan magistraten de waarborg van een dubbele aanleg te ontzeggen; het is kennelijk onredelijk dat artikel 479 Wetboek van Strafvordering aan een beperkte categorie van personen het voordeel van de rechtspraak in twee instanties ontzegt, ook al heeft het Grondwettelijk Hof met het arrest nr. 60/96 van 7 november 1996 geoordeeld dat het ontzeggen van dit voordeel geen schending oplevert van artikel 10 Grondwet; dit arrest kan niet worden gevolgd. Er wordt dan ook gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 479 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet doordat het in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen op kennelijk onredelijke gronden voor een beperkte categorie van personen het voordeel van de rechtspraak in twee instanties ontzegt?”
- Het middel bekritiseert in wezen het door het Grondwettelijk Hof in een arrest ingenomen standpunt en dus niet het bestreden arrest. Een arrest van het Grondwettelijk Hof is bovendien geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. Het middel is niet ontvankelijk.
- Aangezien het middel zelf niet ontvankelijk is, dient de prejudiciële vraag bij toepassing van artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet te worden gesteld. Ambtshalve onderzoek
- Het substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 206,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div