← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.25 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.21 Rolnummer: P.21.1235.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-10-22 Raadplegingen: 885 - laatst gezien 2026-06-18 08:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche Krachtens artikel 27, § 4, Voorlopige Hechteniswet kan indien een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling is verworpen, een nieuw verzoekschrift slechts worden ingediend na een termijn van een maand na de verwerping ervan en de wetgever beoogt met deze bepaling het misbruik te vermijden dat kan worden gemaakt van de in artikel 27 Voorlopige Hechtenis bedoelde procedure door het herhaald indienen van verzoekschriften; uit deze bepaling volgt dat de erin bepaalde wachttermijn van een maand slechts ingaat op het ogenblik dat definitief is beslist over het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling en dus met inbegrip van de uitspraak over de rechtsmiddelen, zodat elk verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling dat vóór het verstrijken van die wachttermijn wordt ingediend, niet ontvankelijk is. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Artikel 27, § 4, Voorlopige Hechteniswet - Nieuw verzoekschrift - Termijn - Rechtsmiddelen - Draagwijdte - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1235.N E. A. N., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Grieven
  2. De eiser voert diverse grieven aan tegen het bestreden arrest dat zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling onontvankelijk verklaart omdat zijn hoger beroep tegen het vonnis dat over de tegen hem ingestelde strafvordering beslist niet ontvankelijk is wegens het niet tijdig indienen van een grievenformulier.
  3. Het Hof kan de met de grieven bekritiseerde redenen waarop de in het bestreden arrest vervatte beslissing steunt, vervangen door een juridische grondslag die het dictum ervan verantwoordt.
  4. Krachtens artikel 27, § 4, Voorlopige Hechteniswet kan indien een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling is verworpen, een nieuw verzoekschrift slechts worden ingediend na een termijn van een maand na de verwerping ervan. Met deze bepaling beoogt de wetgever het misbruik te vermijden dat kan worden gemaakt van de in artikel 27 Voorlopige Hechtenis bedoelde procedure door het herhaald indienen van verzoekschriften.
  5. Uit deze bepaling volgt dat de erin bepaalde wachttermijn van een maand slechts ingaat op het ogenblik dat definitief is beslist over het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling en dus met inbegrip van de uitspraak over de rechtsmiddelen. Elk verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling dat vóór het verstrijken van die wachttermijn wordt ingediend, is niet ontvankelijk.
  6. De eiser heeft het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling dat het voorwerp uitmaakt van de voorliggende procedure ingediend op 23 september
  7. Op dat ogenblik was zijn cassatieberoep tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 september 2021, dat uitspraak deed over zijn vorig verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling, nog niet beslecht. Het Hof heeft immers bij arrest van 5 oktober 2021 het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 september 2021 vernietigd en de zaak verwezen naar hetzelfde hof van beroep, correctionele kamer, anders samengesteld, om opnieuw te oordelen over eisers vorig verzoek tot voorlopige invrijheidstelling.
  8. Het op 23 september 2021 ingediende verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling is dan ook bij toepassing van artikel 27, § 4, Voorlopige Hechteniswet niet ontvankelijk.
  9. De met het bestreden arrest genomen beslissing om eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling onontvankelijk te verklaren wegens de onontvankelijkheid van zijn hoger beroep tegen het vonnis dat zich over de tegen hem ingestelde strafvordering heeft uitgesproken, is op grond van de in de randnummers 3 tot en met 6 in de plaats gestelde redenen naar recht verantwoord.
  10. De grieven, ook al waren ze gegrond, kunnen bijgevolg niet tot cassatie leiden en zijn niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.25 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.20 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.