id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.27 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.10 Rolnummer: P.21.0246.N Zaak: VCENERGY BV contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-22 Raadplegingen: 1744 - laatst gezien 2026-06-18 15:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Aan de consignatieplicht waartoe een burgerlijke partij die rechtstreeks dagvaardt voor de strafrechter krachtens artikel 108 Tarief Strafzaken gehouden is te voldoen, wordt in beginsel geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat, na de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij, de rechtstreeks gedaagde vervolgens ook op vordering van het openbaar ministerie wordt gedagvaard voor dezelfde strafrechter, die de zaken samenvoegt en samen behandelt; het gebrek aan consignatie door de burgerlijke partij belemmert in dat geval de voortgang van de procedure echter niet wanneer de strafrechter vaststelt dat aan de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij geen andere kosten zijn verbonden dan deze van de op last van het openbaar ministerie aanhangig gemaakte strafvordering, die door de Staat moeten worden voorgeschoten
(1).
(1)Zie Cass. 9 december 2009, AR P.09.1105.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091209.4, AC 2009, nr. 730, met concl. van advocaat-generaal D. Vandermeersch op datum in Pas.. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Rechtstreekse dagvaarding door burgerlijke partij voor de strafrechter - Verplichting tot consignatie - Dagvaarding door het openbaar ministerie voor dezelfde strafrechter - Gebrek aan consignatie - Voortgang van de procedure - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Algemeen reglement van 28 december 1950 op de gerechtskosten in strafzaken - 28-12-1950 - Art. 108 - 31 Link Justel databank 19501228-31 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Vrije woorden: Strafzaken - Rechtstreekse dagvaarding door burgerlijke partij voor de strafrechter - Verplichting tot consignatie - Dagvaarding door het openbaar ministerie voor dezelfde strafrechter - Gebrek aan consignatie - Voortgang van de procedure - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Algemeen reglement van 28 december 1950 op de gerechtskosten in strafzaken - 28-12-1950 - Art. 108 - 31 Link Justel databank 19501228-31 Fiches 3 - 4 De rechter oordeelt onaantastbaar of de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij al dan niet kosten heeft teweeggebracht of vermoedelijk nog kan teweegbrengen die niet gedekt zijn door de strafvordering die op last van het openbaar ministerie aanhangig werd gemaakt en hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de strafvordering op het ogenblik van zijn beslissing nog niet definitief haar beslag heeft gekregen; het Hof gaat wel na of de rechter zijn beslissing wettig heeft kunnen afleiden uit de feiten en gegevens die hij heeft vastgesteld. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Rechtstreekse dagvaarding door burgerlijke partij voor de strafrechter - Verplichting tot consignatie - Dagvaarding door het openbaar ministerie voor dezelfde strafrechter - Gebrek aan consignatie - Gevolgen Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Strafzaken - Rechtstreekse dagvaarding door burgerlijke partij voor de strafrechter - Verplichting tot consignatie - Dagvaarding door het openbaar ministerie voor dezelfde strafrechter - Gebrek aan consignatie - Gevolgen - Beoordeling - Wettigheidstoezicht door het Hof Fiche 5 Indien het schuldbestanddeel van een misdrijf bestaat in opzet, dit is het wetens en willens aannemen van een strafbare gedraging, vermag de rechter het bestaan van dit opzet af te leiden uit het door de dader gepleegde materiële feit en de vaststelling dat dit feit hem kan worden toegerekend, met dien verstande dat de dader vrijuit gaat wanneer hij rechtvaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid enigszins aannemelijk maakt
(1).
(1)Cass. 10 oktober 2017, AR P.16.0639.N, NC 2018, p. 213, noot; Cass. 3 mei 2016, AR P.14.1273.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160503.5, AC 2016, nr. 295, NC 2017, 363, noot J. De Groote. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Opzet - Bestaan - Beoordeling - Wijze Fiche 6 Het willens aannemen van een strafbare gedraging veronderstelt dat de betrokkene de bedoeling had om de materiële gedraging te stellen waarvan hij weet dat ze strafbaar is; het volstaat dat de dader de strafbare handeling stelt terwijl hij beseft dat die handeling wederrechtelijk is, maar niet is vereist dat de wil van de dader ook betrokken is op de wederrechtelijkheid van zijn gedraging. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Het willens aannemen van een strafbare gedraging - Begrip - Draagwijdte Fiches 7 - 10 Geen enkele bepaling verplicht de rechter in strafzaken een deskundigenonderzoek te bevelen enkel omdat het resultaat ervan van belang zou kunnen zijn voor de actuele toestand van de beklaagde of voor de straftoemeting; de rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van een dergelijke onderzoekshandeling en aldus belet niets de rechter om, mits hij de motiveringsverplichting naleeft, de aanstelling van een deskundige te weigeren wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Deskundigenonderzoek van belang voor de actuele toestand van beklaagde of straftoemeting - Noodzaak, raadzaamheid en gepastheid van de onderzoekshandeling - Weigering - Wijze Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Deskundigenonderzoek van belang voor de actuele toestand van beklaagde of straftoemeting - Noodzaak, raadzaamheid en gepastheid van de onderzoekshandeling - Weigering - Wijze Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Deskundigenonderzoek van belang voor de actuele toestand van beklaagde of straftoemeting - Noodzaak, raadzaamheid en gepastheid van de onderzoekshandeling - Weigering - Wijze Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Belang voor de actuele toestand van beklaagde of straftoemeting - Noodzaak, raadzaamheid en gepastheid van de onderzoekshandeling - Weigering - Wijze Fiches 11 - 12 Het zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens, strafbaar gesteld door artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals van toepassing voor 1 maart 2018, thans artikel 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals van toepassing vanaf 1 maart 2018, is een opzettelijk misdrijf. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Stedenbouw - Het zonder vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren - Aard - Begrip Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.1.1, eerste lid, 1°, thans 6.2.1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Vrije woorden: Het zonder vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren - Moreel bestanddeel - Aard - Begrip Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.1.1, eerste lid, 1°, thans 6.2.1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiche 13 Wanneer een stedenbouwkundig misdrijf bestaat in het zonder voorafgaande vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens zoals bedoeld in artikel 4.2.1, 5°, b), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand dat bij toepassing van artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening op grond van dat misdrijf wordt bevolen, ook strekken tot het verwijderen van alles waarmee de grond voor dat gewoonlijk gebruik werd ingericht, met inbegrip van een verharding; de omstandigheid dat er op de desbetreffende plaats reeds vóór 22 april 1962 een verharding aanwezig was, doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren - Verharding van vóór 22 april 1962 - Toepassing Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.1, 5°, b) - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.14, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiches 14 - 15 Uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, volgt dat een veroordelende beslissing de wetsbepalingen moet vermelden die de feiten strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen en indien op het ogenblik van de beslissing de wetsbepalingen zijn opgeheven die de feiten op het ogenblik van het plegen ervan strafbaar stelden, dient de rechter ook de wetsbepalingen te vermelden op grond waarvan de feiten tot op het ogenblik van de beslissing strafbaar zijn gebleven; indien de toepasselijke wetsbepalingen tijdens de bewezenverklaarde incriminatieperiode werden gewijzigd, dient de rechter behalve de wetsbepalingen in verband met de toegepaste straffen de wetsbepalingen te vermelden die de feiten gedurende de volledige bewezenverklaarde incriminatieperiode strafbaar stellen, maar in dat geval is de rechter evenwel niet verplicht om de telastlegging op te splitsen volgens de periode waarin de desbetreffende wetsbepalingen toepasselijk waren. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Strafzaken - Vermelding toepasselijke wetsbepalingen - Wijziging van de toepasselijke wetsbepalingen tijdens de incriminatieperiode - Telastlegging - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Strafzaken - Wijziging van de toepasselijke wetsbepalingen tijdens de incriminatieperiode - Vermelding toepasselijke wetsbepalingen - Telastlegging - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiche 16 De criteria van artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zijn niet van toepassing op de herstelvordering van de burgerlijke partij. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering van de burgerlijke partij - Criteria - Grens Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiches 17 - 18 De rechter oordeelt in elke zaak afzonderlijk en aan de hand van de bijzondere omstandigheden ervan of er binnen een redelijke termijn is beslist over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging en bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde overheden, alsook het belang van de zaak voor die partijen; wanneer de strafvervolging betrekking heeft op de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening, het milieu- of omgevingsrecht en de huisvesting, waarbij de herstelvordering een onderdeel is van de strafvordering in de ruime zin, kan de strafrechter, behoudens wanneer de beklaagde ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven niet vrijwillig tot herstel of regularisatie te zullen overgaan, bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de strafvervolging rekening houden met de mogelijkheden die aan de beklaagde werden toegekend om vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie van de wederrechtelijke toestand
(1).
(1)Cass. 23 februari 2021, AR P.20.0983.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.12. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Beoordeling - Regelgeving betreffende ruimtelijke ordening - Mogelijkheden om vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie - Gevolg Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALGEMEEN Vrije woorden: Redelijke termijn - Beoordeling - Mogelijkheden om vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie - Gevolg Fiches 19 - 20 Noch uit de bepaling van artikel 5.2.3bis.4.8., §1, Vlarem II, die bepaalt dat voor het onderscheid tussen “niet-verontreinigd behandeld” en “verontreinigd behandeld” houtafval in geval van twijfel de in die bepaling opgenomen tabel van richtwaarden voor potentieel aanwezige verontreinigingen geldt, noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat het verbranden van verontreinigd behandeld houtafval slechts kan worden vastgesteld na een bemonstering en een analyse. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Milieuvoorwaarden - Voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor biomassa-afvalstoffen - Onderscheid tussen “niet-verontreinigd behandeld” en “verontreinigd behandeld” houtafval - Richtwaarden - Verbranding van verontreinigd behandeld houtafval - Bewijs - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne - 01-06-1995 - Art. 5.2.3bis.4.8, § 1 - 31 Link Justel databank 19950601-31 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Milieurecht - Milieuvoorwaarden - Voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor biomassa-afvalstoffen - Onderscheid tussen “niet-verontreinigd behandeld” en “verontreinigd behandeld” houtafval - Richtwaarden - Verbranding van verontreinigd behandeld houtafval - Bewijs - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne - 01-06-1995 - Art. 5.2.3bis.4.8, § 1 - 31 Link Justel databank 19950601-31 Fiche 21 De rechter die een beklaagde veroordeelt voor een bepaald feit omschreven onder een bepaalde telastlegging kan die beklaagde niet zonder tegenstrijdigheid vrijspreken voor datzelfde feit, omschreven onder een andere telastlegging; hoewel een vrijspraak in beginsel betrekking heeft op een feit en niet op de kwalificatie ervan, is de rechterlijke beoordeling evenwel niet tegenstrijdig wanneer de rechter oordeelt dat het feit slechts onder de telastlegging of de telastleggingen valt waaraan hij de beklaagde schuldig verklaart en hij met de vrijspraak voor een andere telastlegging louter bedoelt dat het niet bewezen is dat hetzelfde feit onder de strafrechtelijke kwalificatie van die andere telastlegging valt
(1).
(1)Cass. 22 juni 2004, AR P.04.0360.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.21, AC 2004, nr. 346. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Veroordeling voor een feit onder een bepaalde telastlegging - Vrijspraak voor hetzelfde feit onder een andere telastlegging - Tegenstrijdigheid - Uitzondering - Kwalificatie - Redenen Fiche 22 Artikel 8.1, 9°, Burgerlijk Wetboek is behoudens in geval van het hier niet toepasselijke artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet van toepassing op het bewijs van een misdrijf
(1).
(1)Artikel 1349 Oud Burgerlijk Wetboek; Cass. 26 juni 2007, AR P.07.0295.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070626.6, AC 2007, nr. 355; Cass. 12 december 2006, AR P.06.1203.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061212.6, AC 2006, nr.
- Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Artikel 8.1, 9° Burgerlijk Wetboek - Toepassing Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.1, 9° - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 16 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 23 - 24 Artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, onder meer wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, is niet van toepassing in strafzaken. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke partij die gedeeltelijk in het ongelijk werd gesteld - Omslag tussen enerzijds de burgerlijke partij en anderzijds de beklaagde - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1017 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Burgerlijke partij die gedeeltelijk in het ongelijk werd gesteld - Omslag rechtsplegingsvergoeding tussen enerzijds de burgerlijke partij en anderzijds de beklaagde - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1017 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0246.N I VCENERGY bv, met zetel te 9800 Deinze, Moerstraat 30, voor wie optreedt de lasthebber ad hoc Dieter De Fauw, met kantoor te 8200 Brugge (Sint-Andries), Koude Keukenstraat 13, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Jan Surmont, advocaat bij de balie Antwerpen, II C. V. C. V. L., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Luc Arnou en mr. Nick De Wint, beiden advocaat bij de balie West-Vlaanderen, beide cassatieberoepen tegen
- C. D. C.,
- D. D. V.,
- N. V.,
- M. V. D. S.,
- L. C.,
- A. D. R.,
- Ch. F.,
- G. L.,
- J.-P. D. M.,
- L. P.,
- M. G.,
- Ph. R.,
- M. G.,
- Ph. D. B.,
- M. J. B.,
- Y. M.,
- A. C.,
- Ph. S.,
- J. D.,
- E. H.,
- M. D. B.,
- S. G.,
- O. C.,
- M. V., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 januari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, negentien middelen aan. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, achttien middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiser heeft een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest: - ontslaat de eisers van rechtsvervolging voor de telastleggingen G.1 en G.2; - verklaart het incidenteel beroep van de verweerders gedeeltelijk niet ontvankelijk; - oordeelt dat geen exploitatieverbod als veiligheidsmaatregel wordt opgelegd. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de eisers bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de beide eisers Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat het gebrek aan voorafgaande consignatie van de kosten door een rechtstreeks dagende burgerlijke partij geen invloed heeft op de rechtspleging wanneer deze is gedekt door de vordering van het openbaar ministerie, die aan de vervolging haar wettelijke basis biedt en wettigt dat de kosten ervan door de Schatkist worden voorgeschoten, “zoals in deze zaak het geval is”, antwoorden de appelrechters niet op de appelconclusies van de eisers; de eisers hadden aangevoerd dat de rechtstreekse dagvaarding op verzoek van de verweerders, die werd uitgebracht vóór de dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie, niet identiek was aan maar integendeel een veel ruimer voorwerp had dan die laatste dagvaarding, zowel wat de feiten als de misdrijfperiodes betreft; het arrest, dat nalaat op dit verweer te antwoorden, is dan ook niet regelmatig met redenen omkleed. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 108 Tarief Strafzaken: het oordeel van de appelrechters dat er op strafgebied geen andere kosten zijn dan deze veroorzaakt door het onderzoek dat op vordering van het openbaar ministerie werd gevoerd, is niet naar recht verantwoord; er kan niet worden uitgesloten dat er zich geen kosten meer zouden voordoen in de strafprocedure, die op het ogenblik van het arrest immers nog niet afgelopen is.
- De burgerlijke partij die rechtstreeks dagvaardt voor de strafrechter is krachtens artikel 108 Tarief Strafzaken ertoe gehouden de som die voor de kosten van de rechtspleging vermoedelijk nodig is ter griffie neer te leggen, alsook een nieuwe som te verstrekken indien de eerste ontoereikend is geworden. In geval van veroordeling van de beklaagden wordt de door de burgerlijke partij in consignatie gegeven som terugbetaald, na aftrek van de kosten in haar belang gedaan en door het vonnis bepaald. Bij toepassing van artikel 109 Tarief Strafzaken betaalt de griffier op de in consignatie gestelde sommen alle behoorlijk toegeschatte kosten van de rechtspleging.
- Aan de voormelde consignatieplicht door de burgerlijke partij wordt in beginsel geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat, na de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij, de rechtstreeks gedaagde vervolgens ook op vordering van het openbaar ministerie wordt gedagvaard voor dezelfde strafrechter, die de zaken samenvoegt en samen behandelt.
- Het gebrek aan consignatie door de burgerlijke partij belemmert in dat geval de voortgang van de procedure echter niet wanneer de strafrechter vaststelt dat aan de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij geen andere kosten zijn verbonden dan deze van de op last van het openbaar ministerie aanhangig gemaakte strafvordering, die door de Staat moeten worden voorgeschoten. De strafrechter oordeelt in dat geval naar recht dat het gebrek aan consignatie geen invloed heeft op de rechtspleging, zonder dat hij verder dient te antwoorden op een verweer dat het voorwerp van de beide vorderingen niet identiek is.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij al dan niet kosten heeft teweeggebracht of vermoedelijk nog kan teweegbrengen die niet gedekt zijn door de strafvordering die op last van het openbaar ministerie aanhangig werd gemaakt. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de strafvordering op het ogenblik van zijn beslissing nog niet definitief haar beslag heeft gekregen. Het Hof gaat wel na of de rechter zijn beslissing wettig heeft kunnen afleiden uit de feiten en gegevens die hij heeft vastgesteld.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 43) oordeelt niet alleen dat de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders is gedekt door de vordering van het openbaar ministerie, maar ook dat die laatste vordering aan de vervolging haar wettelijke basis biedt en er op strafgebied geen andere kosten zijn dan deze veroorzaakt door het onderzoek dat op vordering van het openbaar ministerie werd gevoerd. Hierdoor is de beslissing dat het gebrek aan consignatie geen invloed heeft op de rechtspleging naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed, zonder dat de appelrechters verder dienden te antwoorden op het in het middel aangehaalde verweer van de eisers. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eisers op geen enkele wijze concreet aanduiden welke getuigen door het verstrijken van de tijd niet meer kunnen worden gehoord en welke onderzoekshandelingen door het verstrijken van de tijd niet meer mogelijk zijn, miskennen de appelrechters de bewijskracht van de appelconclusies van de eisers, waarin zij verweer hebben gevoerd over de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn.
- Uit de appelconclusies van de eisers blijkt niet dat de eisers melding hebben gemaakt van concrete namen van potentiële getuigen die ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn niet meer kunnen worden gehoord, noch van concrete onderzoekshandelingen die ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn niet meer kunnen worden uitgevoerd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters antwoorden niet op de conclusie van de eisers waarin op een gedetailleerde wijze verweer werd gevoerd over de gevolgen van de redelijke termijn op het vlak van het horen van getuigen en het uitvoeren van onderzoekshandelingen; hierdoor is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed.
- Het arrest oordeelt niet alleen zoals het onderdeel vermeldt. Het oordeelt ook dat “(h)et verloop van de tijd (…) de [eisers] niet (belet) om te vragen dat getuigen zouden worden gehoord, wat zij trouwens doen, onderzoekshandelingen te vragen of zelf stukken over te leggen, wat zij ook omstandig deden voor het hof (van beroep).” Met die redenen verwerpen de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer van de eisers en omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16.6.1 en 16.6.2 DABM, alsook miskenning van het begrip opzet in het strafrecht: de appelrechters herleiden het opzet tot het bewust, dit is wetens, handelen, zonder te onderzoeken of de eisers ook de bedoeling hadden om het materieel bestanddeel van het misdrijf te plegen en dus ook willens hebben gehandeld; het begrip algemeen opzet vereist behalve het bewust handelen ook het “willen” handelen, wat niet blijkt uit de vaststelling van de appelrechters dat rechtvaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid niet enigszins aannemelijk wordt gemaakt.
- Indien het schuldbestanddeel van een misdrijf bestaat in opzet, dit is het wetens en willens aannemen van een strafbare gedraging, vermag de rechter het bestaan van dit opzet af te leiden uit het door de dader gepleegde materiële feit en de vaststelling dat dit feit hem kan worden toegerekend, met dien verstande dat de dader vrijuit gaat wanneer hij rechtvaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid enigszins aannemelijk maakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest bevat, stelt het wettig het schuldbestanddeel voor de ten aanzien van de eisers bewezenverklaarde feiten vast. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16.6.1 en 16.6.2 DABM, alsook miskenning van het begrip opzet in het strafrecht: met het oordeel dat geenszins moet worden aangetoond dat de eisers de bedoeling hadden een misdrijf te plegen, dat het verweer van de eisers dat zij alles in het werk hebben willen stellen opdat er geen inbreuken zouden voorvallen en de problemen zich hebben voorgedaan zonder hun wil en inspanning, zonder relevantie is en dat voor het bestaan van het algemeen opzet niet moet worden aangetoond dat de eisers zouden hebben gewild de inbreuken te plegen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht; het arrest miskent aldus immers het begrip opzet door hieruit het element “willens” weg te laten en brengt hierdoor een “materiële inbreuk” tot stand; dit geldt des te meer voor de telastlegging B.1.b, waarover het arrest oordeelt dat de omstandigheid dat de eisers geen enkele wil of intentie hadden om niet-gevaarlijk verontreinigd houtafval te aanvaarden of te gaan verwerken, zonder relevantie is, dat er werd vastgesteld dat onvergund verontreinigd houtafval werd verbrand en dat de intenties van de eisers hierbij geen rol spelen.
- Het willens aannemen van een strafbare gedraging veronderstelt dat de betrokkene de bedoeling had om de materiële gedraging te stellen waarvan hij weet dat ze strafbaar is. Het volstaat dat de dader de strafbare handeling stelt terwijl hij beseft dat die handeling wederrechtelijk is. Niet vereist is dat de wil van de dader ook betrokken is op de wederrechtelijkheid van zijn gedraging. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest vermeldt, oordelen de appelrechters dat de eisers de bewezenverklaarde feiten bewust en zonder enige dwang of andere vorm van schulduitsluiting of rechtvaardiging hebben gepleegd. Met betrekking tot de telastlegging B.1.b oordeelt het arrest (p. 55-56) bovendien dat alleen al de visuele vaststellingen van de inspecteurs weerleggen dat de eisers binnen hun mogelijkheden alle nodige handelingen hebben gesteld om te voorkomen dat er behandeld houtafval zou worden verbrand, en dat het hout vooraf onvoldoende werd gesorteerd en geselecteerd waardoor regelmatig verontreinigd houtafval in de te verbranden massa belandde. Aldus stelt het arrest wettig vast dat de eisers behalve wetens ook willens hebben gehandeld. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het onderdeel heeft voor het overige dezelfde strekking als het eerste onderdeel. In zoverre moet het onderdeel om de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen worden verworpen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1.1, zoals van toepassing voor 1 maart 2018, en 6.2.1, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2018, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: met het oordeel dat enkel een algemeen opzet vereist is als moreel element van het misdrijf, is de schuldigverklaring voor de telastlegging H niet naar recht verantwoord; de telastlegging H heeft betrekking op een stedenbouwkundig misdrijf, dat als schuldvorm geen algemeen opzet maar onachtzaamheid vereist.
- Wanneer de strafrechter oordeelt dat een misdrijf met een algemeen opzet werd gepleegd, heeft de beklaagde geen belang bij het verweer dat het misdrijf volgens hem slechts onachtzaamheid als schuldvorm vereist. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16.6.1 en 16.6.2 DABM, alsook miskenning van het begrip opzet in het strafrecht: hoewel de schuldvorm van de in de telastlegging C bedoelde misdrijven zowel uit opzet als onachtzaamheid kan bestaan, oordeelt het arrest dat de feiten van de telastlegging C met een algemeen opzet werden gepleegd, op grond waarvan het horen van bepaalde getuigen wordt afgewezen en de straf mede wordt gemotiveerd; het arrest oordeelt evenwel louter dat de eisers niet de maatregelen hebben genomen zoals het een normaal zorgvuldige en vooruitziende persoon die zich in dezelfde omstandigheden bevindt, betaamt en niet hebben voldaan aan de algemene zorgvuldigheidsplicht; hieruit kan niet worden afgeleid dat de eisers wetens en willens zouden hebben gehandeld.
- Met de redenen die het arrest vermeldt, oordelen de appelrechters dat de eisers wetens en willens de op hen rustende algemene zorgvuldigheidsplicht hebben miskend. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest vermeldt geen schuldvorm voor de telastleggingen B.1, D en E; derhalve kan niet worden nagegaan of de appelrechters op een regelmatige wijze de toepasselijke schuldvorm hebben vastgesteld voor die misdrijven, met name of die misdrijven nu bewezen werden verklaard als opzettelijke dan wel als onopzettelijke misdrijven.
- Het arrest (p. 49) oordeelt dat de bewezen telastleggingen algemeen opzet vereisen, dit is het wetens en willens handelen, en leidt het bestaan van dit opzet af uit de door de eisers gepleegde materiële feiten en de vaststelling dat die feiten hen toerekenbaar zijn en er geen rechtvaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid enigszins aannemelijk wordt gemaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eisers op geen enkele wijze preciseren of zij aanvullend onderzoek wensen en wat dit dan zou moeten inhouden, miskent het arrest de bewijskracht van de appelconclusies van de eisers, waarin zij hadden aangevoerd dat drie personen zouden worden gehoord, namelijk de externe milieu-adviseur K.B. en de dichtste buren in de Moerstraat S.H. en C.C.
- Het arrest (p. 47) stelt vast dat de eisers vragen dat drie getuigen à décharge op de rechtszitting zouden worden gehoord, namelijk K.B., S.H. en C.C., en wijst dit verzoek vervolgens op een met redenen omklede wijze af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: de afwijzing van het verzoek om drie getuigen à décharge te horen is niet naar recht verantwoord en evenmin regelmatig met redenen omkleed; de afwijzing van het gevraagde getuigenverhoor is gegrond op een foutieve rechtsopvatting van het begrip opzet; bovendien wordt met betrekking tot de telastlegging C uiteindelijk slechts onachtzaamheid als schuldvorm aangenomen, terwijl voor de afwijzing van het getuigenverhoor wordt uitgegaan van opzet, wat een tegenstrijdige motivering inhoudt; behalve voor de telastleggingen A, B.2 en F wordt voor de telastleggingen A, B, D, E en F niets gezegd over de schuldvorm, zodat het arrest op grond hiervan het getuigenverhoor niet vermocht af te wijzen; de redenen betreffende het algemeen opzet op grond waarvan het getuigenverhoor wordt afgewezen, worden ook niet meer hernomen bij de bewezenverklaring van de telastleggingen B.1, C, D en E.
- Het onderdeel is afgeleid uit de in het derde middel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: het afwijzen van het verzoek van de eisers om K.B., S.H. en C.C. als getuigen à décharge te horen, is niet naar recht verantwoord; voor het afwijzen van het getuigenverhoor van K.B. oordelen de appelrechters niet wettig dat diens verklaring geen concrete relevantie heeft voor de beoordeling van de telastleggingen of voor de beoordeling van het opzet; ook de afwijzing van het getuigenverhoor van S.H. is niet naar recht verantwoord; het oordeel van het arrest dat het gegeven dat S.H. als dichte buur toch ook hinder moet hebben ervaren, niet voldoende precies is, houdt immers geen concrete reden in voor de afwijzing van het verhoor van deze getuige in het licht van het recht van de eisers op een eerlijk proces, in zijn geheel beschouwd, te meer daar het dikwijls gaat over subjectieve elementen zoals geur- en geluidshinder; hetzelfde geldt voor de afwijzing van het getuigenverhoor van C.C.; dit geldt des te meer omdat het arrest zich ook baseert op de zintuiglijke waarnemingen van de opsporingsambtenaren, waarvan sommige vaststellingen bijzondere bewijswaarde hebben; nog afgezien dat niet blijkt aan welke vaststellingen van de opsporingsambtenaren het arrest bijzondere bewijswaarde toekent, worden de eisers aldus belemmerd om aan de hand van de getuigenis van C.C. het bewijs van het tegendeel van die vaststellingen aan te tonen; dat de afwijzing van het getuigenverhoor het recht van de eisers op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet miskent, kan evenmin worden verantwoord door het oordeel dat het arrest wordt gewezen door een onpartijdige en onafhankelijke instantie.
- In zoverre het onderdeel met betrekking tot het afwijzen van het getuigenverhoor van K.B. is afgeleid uit de in het derde middel vergeefs aangevoerde wetsschendingen, is het niet ontvankelijk.
- Het door de eisers gevraagde getuigenverhoor wordt door het arrest niet verworpen omdat de appelrechters van oordeel zijn dat zij oordelen als een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Volgens artikel 6.3.d EVRM en artikel 14.3.e IVBPR, die bijzondere toepassingsmodaliteiten bevatten van het door artikel 6.1 EVRM, respectievelijk artikel 14.1 IVBPR gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen.
- Die bepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht.
- De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete omstandigheden kunnen betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring.
- Niets belet dat de rechter zijn beslissing om een getuige à décharge niet ter rechtszitting te horen, enkel steunt op de onbetrouwbaarheid van de door de betrokkene af te leggen verklaring. Dat impliceert namelijk dat die verklaring niet zal bijdragen tot de waarheidsvinding.
- Wel is vereist dat de rechter daarover een redelijke zekerheid heeft. Daarvoor moet hij evenwel niet eerst de verklaring van de betrokkene horen. De rechter kan dat immers afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt niet alleen zoals het onderdeel vermeldt. Het oordeelt ook dat (p. 48 en p. 49): - K.B. nog steeds werkt voor de eiseres, wat de twijfel over de betrouwbaarheid van zijn eventuele verklaring bevestigt, gezien zijn afhankelijke relatie tegenover de eisers; - de relatie van S.H. als werknemer van de eiseres in sterke mate zijn betrouwbaarheid als getuige vermindert, zoals al bij herhaling vermeld; - wat C.C. betreft, de eisers enkel vermelden dat hij, klaarblijkelijk samen met S.H. “de dichtste buur in de Moerstraat is”, wat evenmin een voldoende concretisering is van de relevantie voor de waarheidsvinding van zijn getuigenis. Die redenen maken concrete omstandigheden uit op grond waarvan het arrest wettig kan oordelen dat K.B., S.H. en C.C. niet als getuigen à décharge ter rechtszitting moeten worden gehoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eisers door het getuigenverhoor van C.C. het tegenbewijs kunnen leveren van de vaststellingen met bijzondere bewijswaarde van de opsporingsambtenaren, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: het oordeel dat er geen deskundigenonderzoek moet worden bevolen om na te gaan of het bedrijf actueel voldoet aan de milieunormen en om geluids- en geurmetingen uit te voeren omdat de controle hiervan door de bevoegde inspectiediensten moet gebeuren en het nagaan van de actuele toestand niet noodzakelijk is voor de beoordeling van de telastleggingen die tot de saisine van het hof van beroep behoren, is niet naar recht verantwoord; een deskundige kan hoe dan ook op tegenspraak de nodige vaststellingen doen over de conformiteit van de werkzaamheden met de verleende vergunningen; het nagaan van de actuele situatie is minstens van belang voor de persoonlijkheid van de eiser als zaakvoerder, wat meespeelt bij de straftoemeting en van belang kan zijn met betrekking tot de in ondergeschikte orde geformuleerde vraag tot opschorting.
- Geen enkele bepaling verplicht de rechter in strafzaken een deskundigenonderzoek te bevelen enkel omdat het resultaat ervan van belang zou kunnen zijn voor de actuele toestand van de beklaagde of voor de straftoemeting. De rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van een dergelijke onderzoekshandeling. Aldus belet niets de rechter om, mits hij de motiveringsverplichting naleeft, de aanstelling van een deskundige te weigeren wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het onderdeel vermeldt, verantwoordt het arrest naar recht de beslissing om geen deskundigenonderzoek te bevelen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het oordeel van de appelrechters dat er geen sprake was van een eenzijdig en onpartijdig onderzoek is niet regelmatig met redenen omkleed; de eisers hadden in hun appelconclusies aangevoerd dat er geen objectief en onpartijdig onderzoek werd gevoerd en hadden dit toegelicht aan de hand van de specifieke vaststellingen en per categorie inbreuken; dit verweer wordt door de algemene beschouwingen van het arrest niet beantwoord, zodat het arrest niet regelmatig met redenen is omkleed.
- De rechter moet niet elk argument dat ter staving van een verweermiddel wordt ingeroepen maar geen afzonderlijk middel is, beantwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de in het middel aangehaalde redenen verwerpen de appelrechters het in het middel bedoelde verweer en is het arrest regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: het oordeel dat de eisers een daad van deelneming hebben gesteld aan het in de telastlegging H bedoelde misdrijf is niet naar recht verantwoord; de telastlegging H, die betrekking heeft op het zonder vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens, betreft een onopzettelijk misdrijf, zodat daden van deelneming uitgesloten zijn.
- Het zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens, wordt strafbaar gesteld door artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals van toepassing voor 1 maart 2018, thans artikel 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals van toepassing vanaf 1 maart
- Dit is een opzettelijk misdrijf. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door geen schuldvorm te bepalen voor de telastleggingen B.1, D en E, kan niet worden nagegaan of het arrest de deelneming aan die misdrijven naar recht bewezen verklaart; het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed.
- Het onderdeel is afgeleid uit de in het vijfde onderdeel van het derde middel vergeefs aangevoerde wetsschending. Bijgevolg is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: door de eisers schuldig te verklaren aan deelneming aan de telastlegging C, dat als onopzettelijk misdrijf bewezen wordt verklaard, is het arrest niet naar recht verantwoord.
- Het onderdeel is afgeleid uit de in het vierde onderdeel van het derde middel vergeefs aangevoerde wetsschending en is bijgevolg niet ontvankelijk. Zevende middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 14.7 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde (non bis in idem): met het oordeel dat de telastlegging H ook voor de periode van 18 november 2011 tot en met 31 oktober 2018 bewezen is, veroordelen de appelrechters de eisers wegens feiten waarvoor zij definitief werden vrijgesproken door het beroepen vonnis; de eisers werden in het beschikkend gedeelte van het beroepen vonnis vrijgesproken van de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders, die betrekking heeft op de aanleg en het gebruik van een parking zonder stedenbouwkundige vergunning, voor de periode van 18 november 2011 tot en met 31 oktober 2018; het arrest stelt vast dat tegen die vrijspraak geen ontvankelijk rechtsmiddel werd ingesteld en er met betrekking tot die vrijspraak geen saisine is in hoger beroep; evenwel veroordelen de appelrechters de eisers voor de telastlegging H van de dagvaarding van het openbaar ministerie ook voor de periode van 18 november 2011 tot en met 31 oktober 2018, waarbij het arrest oordeelt dat de feiten van de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders zich vereenzelvigen met de telastlegging H.
- De eiseres werd niet vervolgd en ook niet veroordeeld op basis van de telastlegging H. In zoverre het wordt aangevoerd door de eiseres, berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het arrest grondt het op vordering van de verweerders bevolen herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat niet op de telastlegging H. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Het arrest verklaart de eiser behalve aan bepaalde onderdelen van de telastleggingen van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders schuldig aan de in de dagvaarding van het openbaar ministerie bedoelde telastleggingen A, B.1.a, B.1.b, B.2.a, C.1.a.1, C.1.a.2, C.1.b.1, C.1.b.2, C.1.b.3, C.1.c.1, C.1.d.1, C.1.e.1, C.1.f.1., C.1.f.2, C.1.g.1, C.1.g.2, C.1.g.3, C.1.h, C.1.i, D.1.a.1, D.2.a, D.2.b.1, D.2.c.1, D.2.d.1, D.2.d.2, D.3.a.1, D.3.b.1, D.3.b.2, E.1, E.2, E.3, E.4, E.5, E.6, E.7, F.1.a, F.2.a en H en veroordeelt hem hiervoor, na te hebben vastgesteld dat de bewezen feiten de uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, tot een geldboete van 15.000,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 120.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en tot een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, alsook tot de gerechtskosten en de bijzondere kostenvergoeding. Die straf en bijkomende veroordelingen zijn wettig verantwoord door de bewezenverklaring van de telastleggingen A, B.1.a, B.1.b, B.2.a, C.1.a.1, C.1.a.2, C.1.b.1, C.1.b.2, C.1.b.3, C.1.c.1, C.1.d.1, C.1.e.1, C.1.f.1., C.1.f.2, C.1.g.1, C.1.g.2, C.1.g.3, C.1.h, C.1.i, D.1.a.1, D.2.a, D.2.b.1, D.2.c.1, D.2.d.1, D.2.d.2, D.3.a.1, D.3.b.1, D.3.b.2, E.1, E.2, E.3, E.4, E.5, E.6, E.7, F.1.a en F.2.a. Uit het arrest blijkt niet dat de straffen mede werden beïnvloed door de bewezenverklaring van de telastlegging H. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Het arrest oordeelt niet dat de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders slechts betrekking heeft op de periode van 18 november 2011 tot 24 oktober 2018, maar wel (p. 31) dat die telastlegging betrekking heeft op de periode van 1 november 2011 (datum vaststellingen) tot 24 oktober
- In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het arrest (p. 31-32 en 66) oordeelt voorts dat: - de eisers in het beroepen vonnis werden vrijgesproken van de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders voor de periode van 18 november 2011 tot 24 oktober 2018 en het hof van beroep geen saisine heeft met betrekking tot die periode; - de feiten van de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders “voor zover nog aanhangig voor het hof” zich vereenzelvigen met de feiten van de dagvaarding van het openbaar ministerie “voor zover de periodes van deze telastleggingen overlappen”.
- Hieruit volgt dat: - de in het arrest bewezenverklaarde telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders en de bewezenverklaarde telastlegging H van de dagvaarding van het openbaar ministerie in hoger beroep aanhangig waren in zoverre die telastleggingen betrekking hadden op de periode van 1 november 2011 tot en met 17 november 2011; - de eisers in het beroepen vonnis niet werden vrijgesproken van die telastleggingen in zoverre ze betrekking hebben op de periode van 1 november 2011 tot en met 17 november
- Het onderdeel heeft slechts betrekking op de bewezenverklaarde telastlegging H voor de misdrijfperiode van 18 november 2011 tot 24 oktober 2018 en niet voor de periode van 1 november 2011 tot en met 17 november
- In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door enerzijds te oordelen dat de vrijspraak van de eisers voor de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders definitief is en anderzijds te oordelen dat de feiten van die telastlegging, voor zover nog aanhangig in hoger beroep, zich vereenzelvigen met deze van de telastlegging H en vervolgens de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders bewezen te verklaren in hoofde van de eisers, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders betrekking heeft op de periode van 1 november 2011 (datum vaststellingen) tot 24 oktober
- Het onderdeel heeft slechts betrekking op de bewezenverklaarde telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders in zoverre het arrest vaststelt dat hiervoor in het beroepen vonnis een vrijspraak werd verleend, dit is voor de misdrijfperiode van 18 november 2011 tot 24 oktober 2018, en niet in zoverre die telastlegging betrekking heeft op de periode van 1 november 2011 tot en met 17 november
- Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Achtste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12, 14, 149 en 159 Grondwet, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek en de artikelen 4.2.1, 5°, b), 4.2.14, § 1, en § 4, 6.1.1, eerste lid, 1°, thans 6.2.1, eerste lid, 1°, en 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt niet wettig dat de omstandigheid dat in de overwegingen van de beslissing van 18 oktober 2012 van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen werd vermeld dat de verharding een bestaande verharding van vóór 1962 betreft die als vergund kan worden geacht, geen afbreuk doet aan het bewijs van de telastlegging H en de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders; de omstandigheid dat de verharding reeds vóór 1962 aanwezig was, impliceert dat er geen sprake kon zijn van enig stedenbouwkundig misdrijf; het arrest kon zonder een gemotiveerde wettigheidstoets de beslissing van de deputatie van 18 oktober 2012 niet zomaar naast zich neerleggen.
- Artikel 4.2.14, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, voor de toepassing van deze codex te allen tijde worden geacht te zijn vergund. Er kan in beginsel dan ook geen sprake zijn van een stedenbouwkundig misdrijf wanneer de desbetreffende handelingen betrekking hebben op een constructie die vóór 22 april 1962 werd gebouwd.
- Wanneer een stedenbouwkundig misdrijf bestaat in het zonder voorafgaande vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens zoals bedoeld in artikel 4.2.1, 5°, b), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand dat bij toepassing van artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening op grond van dat misdrijf wordt bevolen, ook strekken tot het verwijderen van alles waarmee de grond voor dat gewoonlijk gebruik werd ingericht, met inbegrip van een verharding. De omstandigheid dat er op de desbetreffende plaats reeds vóór 22 april 1962 een verharding aanwezig was, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 65-66 en p. 72) oordeelt dat: - de telastlegging H geen oprichtingsmisdrijf inhoudt maar wel een gewoontemisdrijf zoals bedoeld in artikel 4.2.1, 5°, b), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, namelijk het zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens, strafbaar gesteld door artikel 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; - de toelichting van de telastlegging H, die luidt: “namelijk door het aanleggen van een parkeerterrein, waarbij de verharding werd ingericht en gebruikt als parkeerterrein”, enkel verduidelijkt dat de telastlegging slaat op het gewoonlijk gebruiken van het terrein voor het parkeren van voertuigen en geen oprich¬tingsmisdrijf betreft, noch meebrengt dat de telastlegging zou moeten worden opgesplitst in een gewoontemisdrijf en een oprichtingsmisdrijf; - de omstandigheid dat in de overwegingen van de beslissing van 18 oktober 2012 van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen werd vermeld dat de verharding een bestaande verharding van vóór 1962 betreft die als vergund kan worden geacht, hieraan geen afbreuk doet; - de verharding zoals zij gebruikt wordt voor het gewoonlijk gebruik wel deel uitmaakt van de wederrechtelijke toestand, wat gevolgen heeft voor het herstel, en dat de omstandigheid dat er al een verharding aanwezig zou zijn geweest, hieraan geen afbreuk doet en niet meebrengt dat deze verharding bij het bevel tot herstel niet mee zou kunnen worden betrokken; - de omstandigheid dat in de overwegingen van de beslissing van 18 oktober 2012 van de deputatie werd vermeld dat de verharding een bestaande verharding van vóór 1962 betreft die als vergund kan worden geacht, niet verhindert dat de verwijdering van de verharding die met het gewoonlijk gebruik gepaard gaat en die deze mee mogelijk maakt, wordt bevolen; - de feiten van de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders, voor zover nog aanhangig voor het hof, zich vereenzelvigen met de feiten van de telastlegging H van de dagvaarding van het openbaar ministerie voor zover de periodes van deze telastleggingen overlappen.
- Met die redenen oordeelt het arrest niet dat de telastlegging H en de telastlegging 9 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders, voor zover nog aanhangig in hoger beroep, betrekking hebben op een verharding die mogelijks al vóór 1962 bestond. De appelrechters oordelen immers dat er sprake is van een gewoontemisdrijf, meer bepaald het zonder de vereiste vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens, namelijk door het aanleggen van een parkeerterrein, waarbij de verharding werd ingericht en gebruikt als parkeerterrein. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Negende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 2 Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: de veroordeling van de eisers op grond van de telastlegging H is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest vermeldt niet de wetsbepalingen die het feit strafbaar stellen en de straf bepalen gedurende de volledige geïncrimineerde periode van 1 november 2011 tot 24 oktober 2018; het arrest gaat immers niet na wat de impact is van de inwerkingtreding van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
- De eiseres wordt niet vervolgd en ook niet veroordeeld op basis van de telastlegging H. In zoverre het wordt aangevoerd door de eiseres, berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, volgt dat een veroordelende beslissing de wetsbepalingen moet vermelden die de feiten strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen. Indien op het ogenblik van de beslissing de wetsbepalingen zijn opgeheven die de feiten op het ogenblik van het plegen ervan strafbaar stelden, dient de rechter ook de wetsbepalingen te vermelden op grond waarvan de feiten tot op het ogenblik van de beslissing strafbaar zijn gebleven.
- Indien de toepasselijke wetsbepalingen tijdens de bewezenverklaarde incriminatieperiode werden gewijzigd, dient de rechter behalve de wetsbepalingen in verband met de toegepaste straffen de wetsbepalingen te vermelden die de feiten gedurende de volledige bewezenverklaarde incriminatieperiode strafbaar stellen. In dat geval is de rechter evenwel niet verplicht om de telastlegging op te splitsen volgens de periode waarin de desbetreffende wetsbepalingen toepasselijk waren.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Bij de weergave van de telastlegging H in het arrest (p. 23) wordt niet alleen verwezen naar artikel 4.2.1, 5°, b), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening maar wordt ook vermeld dat de feiten strafbaar zijn gesteld door artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het arrest (p. 65) stelt voorts dat de feiten strafbaar zijn krachtens de artikelen 4.2.1, 5°, b), en 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Die laatste bepaling verwijst noodzakelijk naar deze zoals gewijzigd door artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
- Het arrest vermeldt aldus voor de volledige bewezenverklaarde incriminatieperiode van de telastlegging H de wetsbepalingen die de feiten strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tiende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12, 14, 149 en 159 Grondwet, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 4.2.1, 5°, b), 4.2.14, § 1, 6.1.1, eerste lid, 1°, thans 6.2.1, eerste lid, 1°, en 6.1.41, thans 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het oordeel dat de herstelvordering niet gebaseerd is op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die onredelijk is en het herstel niet leidt tot onevenredige lasten en niet disproportioneel is, is niet naar recht verantwoord; het arrest houdt geen rekening met het onweerlegbaar vermoeden van vergunning, noch met de wijzigingen in de plaatselijke ruimtelijke ordening van het betrokken perceel; het arrest gaat kennelijk uit van een status quo tussen het ogenblik van het inleiden van de herstelvordering in 2014 en de datum van het arrest, zonder rekening te houden met de inmiddels verleende vergunningen; de appelrechters motiveren ook niet in concreto waarom het herstel in de oorspronkelijke toestand strikt noodzakelijk is voor het herstel van de plaatselijke goede ruimtelijke ordening, noch waarom het herstel geen onevenredige lasten tot gevolg zou hebben, noch waarom het betalen van een meerwaardesom niet kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, noch waarom moet worden afgeweken van de in artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalde rangorde.
- Het arrest veroordeelt de eiseres niet tot het door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur gevorderde herstel in de oorspronkelijke toestand op basis van de telastlegging H. In zoverre het wordt aangevoerd door de eiseres, berust het middel in die mate op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de in het achtste middel vergeefs aangevoerde grief, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat de criteria van artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ook van toepassing zijn op de herstelvordering van de burgerlijke partij, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest geen rekening houdt met de actuele toestand op het vlak van de verleende vergunningen, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk.
- Artikel 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt: “Naast de straf beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een meerwaarde te betalen en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken. Dat gebeurt, met inachtneming van de volgende rangorde: 1° als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, het betalen van een meerwaarde; 2° als dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken; 3° in de andere gevallen, de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik. Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende herstelmaatregelen gecombineerd worden, bevolen volgens de rangorde, vermeld in het eerste lid. Het bevolen herstel dekt steeds de volledige illegaliteit ter plaatse, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken die niet bij de rechter aanhangig zijn.”
- De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een herstelmaatregel kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening en evenredig is met de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening, alsook of uit de vergelijking tussen het voordeel voor de ruimtelijke ordening dat volgt uit die maatregel en de voor de betrokkene veroorzaakte last niet volgt dat de herstelmaatregel kennelijk onredelijk is. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen zijn beslissing naar recht heeft kunnen afleiden.
- Met de redenen die het arrest (p. 70-72) vermeldt, oordelen de appelrechters dat de herstelvordering op een concrete wijze is gemotiveerd in functie van een goede ruimtelijke ordening, hierbij verwijzend naar de overwegingen ervan, en dat het herstel geen onevenredige lasten tot gevolg heeft en ook niet disproportioneel is. Het arrest oordeelt voorts dat het betalen van een meerwaardesom de gevolgen van het misdrijf niet herstelt op een wijze die kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, gezien de ruimtelijke impact door het gebruik van het terrein als parking zou blijven bestaan. De beslissing tot het bevelen van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand is aldus regelmatig met redenen omkleed en wettig verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Elfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eisers bij de diverse controles door de bevoegde toezichthouders in kennis werden gesteld van de vastgestelde inbreuken, dat hen de kans werd geboden hieraan te verhelpen en dat die vaststelling de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn vermindert, verantwoordt het arrest de gevolgen van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet naar recht; de mogelijkheid om te verhelpen aan de vastgestelde inbreuken vermindert geenszins de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn en het hierdoor veroorzaakte nadeel, zodat hiermee geen rekening mag worden gehouden.
- De rechter oordeelt in elke zaak afzonderlijk en aan de hand van de bijzondere omstandigheden ervan of er binnen een redelijke termijn is beslist over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging. Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde overheden, alsook het belang van de zaak voor die partijen.
- Wanneer de strafvervolging betrekking heeft op de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening, het milieu- of omgevingsrecht en de huisvesting, waarbij de herstelvordering een onderdeel is van de strafvordering in de ruime zin, kan de strafrechter, behoudens wanneer de beklaagde ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven niet vrijwillig tot herstel of regularisatie te zullen overgaan, bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de strafvervolging rekening houden met de mogelijkheden die aan de beklaagde werden toegekend om vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie van de wederrechtelijke toestand. Het middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Twaalfde middel Eerste en tweede onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: door de redenen over te nemen van het beroepen vonnis, houdt het arrest bij de straftoemeting rekening met de omstandigheid dat de eiser “herhaaldelijk geen verklaring wou afleggen”; het arrest neemt dit laatste aan zonder te antwoorden op de conclusies van de eisers waarin zij dit uitdrukkelijk hadden betwist, zodat de straftoemeting niet regelmatig met redenen is omkleed en niet naar recht is verantwoord (eerste onderdeel); het arrest houdt aldus ook op een ongeoorloofde wijze rekening met de wijze waarop de verdediging werd gevoerd en miskent het recht van verdediging en het zwijgrecht (tweede onderdeel).
- Met de loutere verwijzing naar de redenen van het beroepen vonnis met betrekking tot de straftoemeting, blijkt niet dat het arrest bij de straftoemeting rekening houdt met de omstandigheid dat de eiser herhaaldelijk geen verklaring wilde afleggen. De onderdelen missen feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet waarom de straffen waartoe de eisers worden veroordeeld niet minstens gedeeltelijk met uitstel van tenuitvoerlegging worden opgelegd, hoewel de eisers hierom in ondergeschikte orde hadden verzocht.
- Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die weigert uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan die beslissing op nauwkeurige wijze met redenen moet omkleden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. De rechter kan aan deze motiveringsplicht voor de weigering uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen ook voldoen door het opleggen van een effectieve straf te motiveren overeenkomstig de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 68) oordeelt over de straftoemeting onder meer als volgt: - gezien de eisers duidelijk vooral oog hadden voor hun eigen financiële be¬langen, is voor elk van hen een geldboete de meest passende straf; - om voldoende afschrikwekkend te zijn en om bij de naleving van milieureglementering een economische afweging inzake pakkans bij overtreding te ontraden, moet de geldboete ondanks het rechtsherstel voor de overschrijding van de redelijke termijn nog steeds voldoende hoog zijn, ook rekening houdend met de economische omvang van de exploitatie en het feit dat de exploitatie een hoge meerwaarde uit haar activiteiten creëert, zoals dit blijkt uit de jaarrekeningen die te raadplegen zijn via de KBO. Met die redenen doen de appelrechters nauwkeurig opgave van de concrete redenen waarom aan de eisers effectieve geldboetes worden opgelegd en bijgevolg waarom op de verzoeken van de eisers tot uitstel van tenuitvoerlegging niet wordt ingegaan. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Dertiende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 182 en 183 Wetboek van Strafvordering, artikel 17 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de regels van de bewijsvoering inzake de burgerlijke vordering voor de strafrechter: het arrest antwoordt niet op de appelconclusies van de eisers waarin zij zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van de burgerlijkepartijstellingen hadden betwist en waarin zij hadden gesteld dat het niet bewezen is dat de verweerders persoonlijke en reële schade hebben geleden en dat noch het bestaan, noch de omvang van die schade bewezen is; het arrest kent aan elke verweerder ook eenzelfde schadebedrag toe zonder te antwoorden op het verweer van de eisers dat de situatie van elke verweerder verschillend is.
- Met de redenen die het arrest bevat en die in het middel worden vermeld, verantwoordt het arrest waarom aan elke verweerder in billijkheid een identieke schadevergoeding moet worden toegekend en beantwoorden de appelrechters ook het in het middel aangehaalde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit dit vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Veertiende middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.2 en 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12, 14 en 149 Grondwet, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, artikel 8.1, 9°, Burgerlijk Wetboek en de artikelen 5.2.1, § 6, eerste lid, en 16.6.1 DABM: met het oordeel dat de telastlegging A en de gelijkluidende telastlegging 8 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders bewezen is gelet op de in het proces-verbaal van 4 oktober 2018 vervatte vaststellingen van de omgevingsinspectie, miskennen de appelrechters het vermoeden van onschuld; het proces-verbaal van 4 oktober 2018 kan niet worden beschouwd als een feitelijk vermoeden van de bewezenverklaring van de telastlegging A en de gelijkluidende telastlegging 8 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders, die betrekking hebben op de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit zonder omgevingsvergunning, namelijk een inrichting voor de opslag en verbranding van verontreinigd behandeld houtafval; het arrest oor¬deelt ook ten onrechte dat de telastlegging B.1.b, betreffende het verbranden van verontreinigd behandeld houtafval, bewezen is door de visuele vaststellingen van de verbalisanten; de richtwaarden voor de samenstelling van het in artikel 5.2.3bis.4.8 Vlarem II bedoelde hout kan slechts worden bepaald door een analyse.
- Volgens artikel 5.2.3bis.4.8, § 1, Vlarem II geldt voor het onderscheid tussen “niet-verontreinigd behandeld” en “verontreinigd behandeld” houtafval in geval van twijfel de in die bepaling opgenomen tabel van richtwaarden voor potentieel aanwezige verontreinigingen. Noch uit die bepaling, noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat het verbranden van verontreinigd behandeld houtafval slechts kan worden vastgesteld na een bemonstering en een analyse. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- In zoverre het onderdeel louter betrekking heeft op de monster- of staalname van 28 november 2012, kan het niet tot cassatie leiden. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Voor het overige komt het onderdeel, dat met betrekking tot de bewezenverklaring van de telastlegging A en de telastlegging 8 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders formeel wetsschendingen en miskenning van het vermoeden van onschuld aanvoert, in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 14 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 14ter Wet Raad van State, artikel 2, eerste lid, 4°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: Omgevingsvergunningsdecreet), artikel 51 Vlarem I zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten en de artikelen 5.2.1, § 6, eerste lid, en 16.6.1 DABM: het arrest verklaart de telastlegging A en de gelijkluidende telastlegging 8 van de rechtstreekse dagvaarding van de verweerders niet naar recht bewezen; de bij arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 door de Raad van State uitgesproken vernietiging van het ministerieel besluit van 30 januari 2015 waarbij de verandering van de inrichting werd vergund, heeft tot gevolg dat de in eerste aanleg bij besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 31 juli 2014 verleende vergunning herleeft, te meer daar het administratief beroep bij de bevoegde minister tegen dit besluit geen schorsende werking had; de eisers mochten de inrichting bijgevolg verder exploiteren in afwachting van een definitieve beslissing in de zin van artikel 2, eerste lid, 4°, Omgevingsvergunningsdecreet; het oordeel van de appelrechters dat die laatste bepaling niet van toepassing is, is niet naar recht verantwoord; aan die bepaling wordt immers geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de bij ministerieel besluit van 30 januari 2015 verleende vergunning geen omgevingsvergunning maar een milieuvergunning betreft; het onderdeel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 2, eerste lid, 4°, Omgevingsvergunningsdecreet de artikelen 10 en 11 Grondwet, samengelezen met artikel 14 EVRM, in de mate dat deze bepaling zo wordt gelezen dat zij enkel van toepassing zou zijn ten aanzien van een omgevingsvergunning en niet ten aanzien van een milieuvergunning, zoals ressorterende onder het inmiddels opgeheven Milieuvergunningsdecreet?”
- Het arrest (p. 52-53) oordeelt niet dat artikel 2, eerste lid, 4°, Omgevingsvergunningsdecreet niet van toepassing is, maar wel dat het in die bepaling omschreven begrip van een “definitieve beslissing (…) niet toepasselijk (is) op de door de Raad van State in deze zaak vernietigde beslissing”. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De voorgestelde prejudiciële vraag die berust op deze onjuiste lezing, wordt niet gesteld.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2, eerste lid, 4°, Omgevingsvergunningsdecreet is voldaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het arrest oordeelt voor het overige naar recht “dat de (omgevings)vergunning alleszins voor het gedeelte dat betrekking had op de in de telastlegging A voorziene feitelijke gedraging, namelijk opslag en verbranding van verontreinigd behandeld houtafval, werd vernietigd en de exploitatie van dat deel van de inrichting in de periode van de telastlegging A zonder vergunning gebeurde”. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 71 Strafwetboek, alsook miskenning van het gewijsde van het arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 van de Raad van State: het oordeel dat het bestaan van een noodtoestand als rechtvaardigingsgrond niet enigszins aannemelijk wordt gemaakt, is niet naar recht verantwoord; de appelrechters oordelen ten onrechte dat het arrest van de Raad van State “niet zo onvoorspelbaar was als de [eisers] voorhouden” en miskennen hierdoor ook het gewijsde van dat arrest; elke bestuursrechtelijke beslissing geniet het vermoeden van wettigheid, ook al wordt die beslissing betwist in een procedure voor de Raad van State; ook het oordeel van de appelrechters dat de vergunningverlenende overheden zich reeds hebben uitgesproken over de door de eisers ingeroepen noodtoestand, is niet naar recht verantwoord.
- Het arrest stelt niet dat de vergunningverlenende overheden zich reeds hebben uitgesproken over de door de eisers ingeroepen noodtoestand, maar wel (p. 53) dat economische motieven niet zonder meer deel zijn van de afweging in de keuze tussen het naleven en het overtreden van de wet en ook de vergunningsverlenende overheden en de administratieve rechters deze argumenten al in hun beoordeling hebben betrokken. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vijftiende middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1349 oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 8.1, 9°, Burgerlijk Wetboek en de rubrieken 3.4, 1°, b, en 2°, van de bijlagen bij Vlarem II, in samenhang gelezen met artikel 3 van de bijlage 2.3.1 “Basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater”: de vrijspraak van de eisers voor de telastlegging G en de schuldigverklaring van de eisers aan de telastleggingen B.2, C.1.d.1 en F zijn tegenstrijdig; al die telastleggingen hebben betrekking op dezelfde materiële handelingen, namelijk het zonder vergunning lozen van bedrijfsafvalwater; ingevolge die interne tegenstrijdigheid miskennen de appelrechters de motiveringsplicht; de bewezenverklaring van de telastleggingen B.2, C.1.d.1 en F.2 is ook niet naar recht verantwoord, aangezien uit geen enkel gegeven enig gemeten debiet blijkt en nergens wordt vastgesteld dat het bedrijfsafvalwater gevaarlijke stoffen bevat in hogere concentraties dan toegelaten.
- De rechter die een beklaagde veroordeelt voor een bepaald feit omschreven onder een bepaalde telastlegging kan die beklaagde niet zonder tegenstrijdigheid vrijspreken voor datzelfde feit, omschreven onder een andere telastlegging. Hoewel een vrijspraak in beginsel betrekking heeft op een feit en niet op de kwalificatie ervan, is de rechterlijke beoordeling evenwel niet tegenstrijdig wanneer de rechter oordeelt dat het feit slechts onder de telastlegging of de telastleggingen valt waaraan hij de beklaagde schuldig verklaart en hij met de vrijspraak voor een andere telastlegging louter bedoelt dat het niet bewezen is dat hetzelfde feit onder de strafrechtelijke kwalificatie van die andere telastlegging valt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit het arrest blijkt dat het ontslag van rechtsvervolging van de eisers met betrekking tot de telastlegging G, omschreven als een inbreuk op artikel 12, § 1, Materialendecreet, louter betrekking heeft op de misdrijfomschrijving van die telastlegging en dat hiermee geen vrijspraak wordt verleend voor de feiten die het voorwerp van die telastlegging uitmaken, in zoverre zij vallen onder de misdrijfomschrijvingen van de telastleggingen B.2, C.1.d.1 en F.
- In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 8.1, 9°, Burgerlijk Wetboek is behoudens in geval van het hier niet toepasselijke artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet van toepassing op het bewijs van een misdrijf. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de telastleggingen B.2, C.1.d.1 en F bewezen zijn en de eisers zich aldus schuldig hebben gemaakt aan het zonder vergunning lozen van bedrijfsafvalwater, miskennen de appelrechters de bewijskracht van de bij besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 31 juli 2014 verleende vergunning, waarin hen hoe dan ook werd vergund om bedrijfsafvalwater te lozen; dit werd ook ingeroepen in de appelconclusies van de eisers.
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel van het veertiende middel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 71 Strafwetboek: het arrest antwoordt niet op het verweer van de eisers dat er met betrekking tot de telastleggingen B.2, C.1.d.1 en F sprake was van een overmachtssituatie, veroorzaakt door overvloedige regenval.
- Het arrest (p. 56, 60 en 64) oordeelt dat: - met betrekking tot de telastlegging B.2, de toezichthouder heeft vastgesteld dat de lozing bewust gebeurde; - met betrekking tot de telastlegging C.1.d.1 werd vastgesteld dat er sprake was van een bewust oppompen van de afvalsmurrie door middel van een pomp; - met betrekking tot de telastlegging F de eisers ten onrechte aanvoeren dat er wat betreft het lozen van bedrijfsafvalwater in een afwateringsgracht sprake was van een situatie van overmacht gelet op de zeer overvloedige regenval in de bewuste periode en dit laatste geen afbreuk doet aan de vaststelling dat er sprake was van een bewuste lozing gelet op de beschreven werkwijze met een niet-adequate afwateringsbuis. Met die redenen beantwoordt het arrest het in het onderdeel aangehaalde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zestiende middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 71 Strafwetboek, artikel 8.1, 9°, Burgerlijk Wetboek en de artikelen 5.4.9, § 1, 16.6.1, § 1, eerste lid, en 16.6.2, § 1, DABM, in samenhang met de artikelen 4.1.2.1, 4.1.3.2, 4.1.3.3, 4.1.6.1, 4.1.12.2, § 2, 4.5.1.1, 5.2.1.3, 5.2.1.6, § 4, en 5.28.2.3, § 5, Vlarem II: met het oordeel dat er sprake is van een miskenning van de milieuzorgplicht, is de bewezenverklaring van de onderscheiden onderdelen van de telastlegging C niet naar recht verantwoord; hoewel die misdrijven zowel uit onachtzaamheid als met algemeen opzet kunnen worden gepleegd, betreffen de in de telastlegging C bedoelde misdrijven louter het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid; het arrest maakt geen concrete beoordeling van de abnormaliteit van de hinder noch van de inspanningen van de eisers om de hinder zoveel als mogelijk te voorkomen en te beperken, zoals aangevoerd in de appelconclusies van de eisers.
- Uit het antwoord op het vierde onderdeel van het derde middel blijkt dat het arrest met betrekking tot de telastlegging C oordeelt dat de eisers wetens en willens, dit is opzettelijk, de op hen rustende algemene zorgvuldigheidsplicht hebben miskend. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Met de redenen die het arrest bevat (p. 56-62), oordelen de appelrechters met betrekking tot de onderscheiden onderdelen van de telastlegging C dat er sprake is van abnormale hinder en dat de eisers zijn tekortgeschoten aan de op hen rustende algemene zorgvuldigheidsplicht. Met die redenen beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer en verantwoorden zij de bewezenverklaring van de onderscheiden onderdelen van de telastlegging C naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: door de bewezenverklaring van de telastlegging C.1.b.3 miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal nr. GE64.H1.0191-18 van 16 oktober 2018, waarin er slechts sprake is van geurhinder en niet van abnormale hinder; door de bewezenverklaring van de telastlegging C.1.e.1 miskent het arrest ook de bewijskracht van het proces-verbaal nr. GE64.H1.0175-14 van 22 september 2014, waaruit blijkt dat er wél een melding is gebeurd en de eiseres de meetresultaten heeft doorgestuurd.
- Het onderdeel dat formeel een motiveringsgebrek en miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de intensiteit van de geurhinder. Het onderdeel is bijgevolg niet ontvankelijk. Zeventiende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de bewezenverklaring van de telastlegging D.2.a.1 met betrekking tot het groenscherm is niet regelmatig met redenen omkleed en miskent de bewijskracht van het proces-verbaal nr. GE.H1.0042-14 van 13 maart 2014; ook de bewezenverklaring van de telastlegging D.2.b.1 met betrekking tot het attest voor de luchtwasser is niet regelmatig met redenen omkleed; het vergunningbesluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 20 november 2008 hield niet de verplichting in dat de voorwaarden waaraan de luchtwasser diende te voldoen, moest worden geattesteerd; uit het dossier en met name uit het schrijven van de raadsman van de eiseres van 15 april 2014 en de daarbij gevoegde stukken blijkt bovendien dat het attest wel degelijk werd bezorgd; overigens was het de omgevingsinspectie zelf die om de voorlegging van het attest heeft verzocht.
- Het arrest verwijst voor de bewezenverklaring van de telastlegging D.2.a.1 niet naar het proces-verbaal nr. GE.H1.0042-14 van 13 maart 2014 en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het middel met betrekking tot de bewezenverklaring van zowel de telastlegging D.2.a.1 als de telastlegging D.2.b.1 tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Achttiende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1017, 1018, 6° en 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 211 Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat de verweerders elk gerechtigd zijn op een rechtsplegingsvergoeding van 461,53 euro in eerste aanleg en van 923,00 euro in hoger beroep, zijnde telkens het aandeel van elke verweerder in het dubbel van het maximum van de rechtsplegingsvergoeding, van toepassing op de in elke aanleg respectievelijk gestelde vorderingen, is niet naar recht gemotiveerd; hoewel de vorderingen van de verweerders slechts gedeeltelijk worden ingewilligd en de verweerders gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, laten de appelrechters na de rechtsplegingsvergoeding om te slaan tussen de partijen bij toepassing van artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, zonder de redenen te vermelden waarom geen toepassing wordt gemaakt van de mogelijkheid tot het omslaan of compenseren van de wederzijdse aanspraken op een rechtsplegingsvergoeding.
- Artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, onder meer wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld. Die bepaling is niet van toepassing in strafzaken. Het middel, dat in zijn geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middel van de eiseres Negentiende middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 16.6.1 en 16.6.2 DABM, alsook miskenning van het begrip “opzet” in het strafrecht: het oordeel dat de eiseres de bewezenverklaarde misdrijven wetens en willens heeft gepleegd, is niet naar recht verantwoord; de enkele vaststelling dat er binnen de eiseres als rechtspersoon niet voldoende aandacht was voor de naleving van de milieuregelgeving kan immers evenzeer wijzen op een vorm van nalatigheid; hierdoor miskent het arrest het begrip “opzet”.
- Uit het antwoord op het tweede en het vierde onderdeel van het derde middel blijkt dat het arrest wettig oordeelt dat de eisers wetens en willens hebben gehandeld. Het oordeel dat er binnen de eiseres als rechtspersoon niet voldoende aandacht was voor de naleving van de milieuregelgeving, doet hieraan geen afbreuk. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 350,41 euro, waarvan de eiseres I 175,20 euro is verschuldigd en de eiser II 175,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 oktober 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.27 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.21 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061212.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070626.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091209.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160503.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div