id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.10 Rolnummer: P.21.1098.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 531 - laatst gezien 2026-06-15 05:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepalingen van artikel 2, § 1, KB Inschrijving Voertuigen en artikel 3 KB Commerciële Kentekenplaten, volgt dat de algemene inschrijvingsplicht enkel vervalt wanneer voertuigen onder dekking van een handelaarsplaat of een proefrittenplaat, onder de in het voormelde artikel 3 KB Commerciële Kentekenplaten voorwaarden in het verkeer worden gebracht. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - INSCHRIJVING VAN VOERTUIGEN Vrije woorden: Algemene inschrijvingsplicht - Commerciële kentekenplaten - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: KB 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen - 20-07-2001 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2001014153 KB 8 januari 1996 tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens - 08-01-1996 - Art. 3 - 44 Link Justel databank 19960108-44 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1098.N M. S. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jean-François Peeters, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 16 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 tot 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het voertuig Citroën Jumper op het ogenblik van de feiten niet geldig was verzekerd, geven de appelrechters van de door de eiser neergelegde e-mail van Axa Belgium een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is; in de e-mail van 9 maart 2020 wordt immers bevestigd dat de “waarborg BA wel degelijk verworven is voor een nummerplaat 1ZZX462 voor de periode van 02.08.2017 tot 03.07.2019”; hieruit volgt dat eisers voertuig via de verzekering op de proefrittenplaat was verzekerd.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordelen de appelrechters dat: - de informatie in de neergelegde e-mail in strijd is met de informatie die zich in het strafdossier bevindt, met name een afschrift van een verzekeringspolis op het chassisnummer van de Citroën Jumper, die werd gesloten na de feiten; - de voormelde e-mail geen polisnummer vermeldt en het verzekeringsattest ook niet wordt bijgebracht, zodat dit stuk niet bewijst dat het voertuig Citroën Jumper op 9 mei 2019 was verzekerd; - een proefrittenplaat bovendien niet gebruikt mag worden op een takelwagen om een ander voertuig te takelen en dit gebruik buiten het verzekerde doel van de proefrittenplaat valt. Met die redenen geven zij geen uitlegging van de e-mail van 9 maart 2020, maar beoordelen zij de bewijswaarde ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1353 oud Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis steunt eisers schuldigverklaring aan de telastlegging E ten onrechte op het vermoeden dat de eiser zijn voertuig aan M.B. heeft toevertrouwd om een andere wagen te takelen; dit vermoeden kan niet worden afgeleid uit de gegevens van het strafdossier.
- Behoudens in hier niet toepasbare gevallen, zijn de bewijsregels van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing in strafzaken. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 1353 oud Burgerlijk Wetboek, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen niet dat de eiser wordt vermoed zijn voertuig aan M.B. te hebben toevertrouwd om een ander voertuig te takelen. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordelen zij wel dat de verklaring van de eiser dat M.B. buiten zijn weten gebruik zou hebben gemaakt van eisers takelwagen om dit voertuig te takelen, in strijd is met de andere elementen van het strafdossier en als ongeloofwaardig wordt beschouwd, alsook dat uit het dossier duidelijk blijkt dat de eiser zijn niet-ingeschreven takelwagen ter beschikking stelde van M.B. door op een niet-toegelaten wijze gebruik te maken van een proefrittenplaat. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de hen voorgelegde bewijsmiddelen, is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 tot regeling van de inschrijving van de commerciële platen voor motorvoertuigen en aanhangwagens (hierna KB Commerciële Kentekenplaten): het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser de voorwaarden voor het gebruik van een proefrittenplaat, bepaald in artikel 5.2 van het voormelde KB, niet heeft gerespecteerd; deze bepaling verbiedt niet dat in het kader van een “test” een voertuig voorzien van een proefrittenplaat wordt toevertrouwd aan een derde; hierbij stellen de appelrechters ook niet vast dat de eiser M.B. heeft toegelaten om het takelvoertuig aan te wenden voor een andere gebruik dan bepaald in artikel 5.
- Het bestreden vonnis stelt niet vast dat de eiser zijn takelvoertuig aan M.B. heeft toevertrouwd in het kader van een “test”, maar wel dat de eiser dit voertuig aan M.B. heeft uitgeleend om er een andere wagen mee te takelen en dat dit een oneigenlijk gebruik van de proefrittenplaat inhoudt. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5 KB Commerciële Kentekenplaten: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser de voorwaarden voor het gebruik van een proefrittenplaat, bepaald in artikel 5.2 van het voormeld KB, niet heeft gerespecteerd; deze bepaling verbiedt niet om het functioneren van de mechanismes aanwezig op een takelwagen in geladen toestand te testen; het gegeven dat een derde hiertoe een voertuig op de takelwagen heeft geplaatst, laat niet toe om een inbreuk door de eiser vast te stellen.
- Het bestreden vonnis stelt niet vast dat M.B. een wagen op de takelwagen Citroën Jumper heeft geplaatst om de goede werking van het mechanisme van de takelwagen na te gaan, maar wel dat de eiser dit voertuig aan M.B. heeft uitgeleend om er een andere wagen mee te takelen. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist feitelijke grondslag. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 2, § 1, KB Inschrijving Voertuigen en de artikelen 29, § 1, derde lid en 38, § 5, 3°, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat, gelet op het oneigenlijke gebruik van de proefrittenplaat, de telastlegging F eveneens is bewezen; de proefrittenplaat was geldig tot 13 december 2019 en geldig verzekerd, bovendien werd het voertuig waarop deze nummerplaat betrekking heeft in overeenstemming met de bepalingen van artikel 5.2 KB Commerciële Kentekenplaten gebruikt.
- Artikel 2, § 1, KB Inschrijving Voertuigen voorziet in een algemene inschrijvingsplicht voor elk voertuig dat in België op de openbare weg rijdt, stilstaat of parkeert. Artikel 3 KB Commerciële Kentekenplaten bepaalt dat, bij afwijking van artikel 2, § 1 KB Inschrijving Voertuigen, de motorvoertuigen en de aanhangwagens tot het verkeer op de openbare weg in België onder dekking van een handelaarsplaat of van een proefrittenplaat worden toegelaten voor zover de voorwaarden bepaald in dit besluit zijn nageleefd en genoemde handelaarsplaat of proefrittenplaat geregistreerd is in het repertorium bedoeld in artikel 1, op verzoek van hetzij de persoon die er gebruik van maakt in het kader van een beroep bedoeld in artikel 5, punt 5.
- of 5.2., of in artikel 11, hetzij een instelling die er gebruik van maakt in het kader van een activiteit bedoeld in artikel 5, punt 5.3., 5.
- of 5.
- Uit deze bepalingen volgt dat de algemene inschrijvingsplicht enkel vervalt wanneer voertuigen onder dekking van een handelaarsplaat of een proefrittenplaat, onder de in het voormelde artikel 3 KB Commerciële Kentekenplaten voorwaarden in het verkeer worden gebracht.
- Uit het antwoord op het derde en vierde middel volgt dat het middel ten onrechte ervan uitgaat dat het takelvoertuig waarop de proefrittenplaat betrekking heeft in overeenstemming met de bepalingen van artikel 5.2 KB Commerciële Kentekenplaten werd gebruikt. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 26 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div