id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.11 Rolnummer: P.21.0958.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 798 - laatst gezien 2026-06-18 19:16 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.11 Fiches 1 - 2 Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om de uitspraak van veroordeling op te schorten volgt niet dat de rechter verplicht is die maatregel toe te kennen; de rechter oordeelt onaantastbaar over de wenselijkheid ervan en er bestaat immers geen recht op opschorting van de uitspraak van veroordeling
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verplichting - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Verplichting - Beoordeling - Wijze Fiches 3 - 4 Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien de rechter een verzoek om de opschorting van de uitspraak van veroordeling afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende redenen daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing, maar die motivering mag beknopt zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Weigering - Motivering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Weigering - Motivering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Uit de samenlezing van artikel 149 Grondwet, artikel 3 Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Aanvoering van concrete elementen betreffende de gevolgen van een straf - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Aanvoering van concrete elementen betreffende de gevolgen van een straf - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 7 - 8 De rechter mag bij de beoordeling van de vraag van een beklaagde om opschorting van de uitspraak van veroordeling wel degelijk het gegeven betrekken dat hij geen concrete gegevens verstrekt betreffende zijn persoonlijke situatie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Beoordeling - Gebrek aan concrete gegevens - Redenen Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Beoordeling - Gebrek aan concrete gegevens - Redenen Tekst van de beslissing Nr. P.21.0958.N G. R. F. B. B., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Jacques Vandeuren, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 juni
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat Dirk Schoeters heeft op 14 oktober 2021 ter griffie een schriftelijke conclusie ingediend. Op de openbare rechtszitting van 26 oktober 2021 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de opschorting van de uitspraak van veroordeling niet van aard is om de eiseres te wijzen op haar maatschappelijke beperkingen en verplichtingen en dat de eiseres niet aantoont dat een veroordeling, deels met uitstel van tenuitvoerlegging, voor haar een onevenwichtige sociaaleconomische declassering zou meebrengen, onderzoekt het arrest niet of een effectieve bestraffing nadelig kan zijn op dat vlak en beantwoordt het bijgevolg niet het verzoek op een wijze zoals vereist door deze bepalingen; de rechter moet de weigering van een opschorting nauwkeurig motiveren; hij moet een afweging maken tussen enerzijds de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de dader en anderzijds de nadelige effecten van de strafrechtelijke interventie voor de reclassering en de resocialisering van de veroordeelde; het verzoek van de eiseres om opschorting was concreet gemotiveerd: zij beschikt over een blanco strafregister, zij heeft recent haar rechtenstudies hervat en zit in het tweede bachelorjaar, zij is getrouwd en zij heeft met haar echtgenoot een dochter van vijf maanden; het arrest gaat niet in concreto na in welke mate een effectieve bestraffing een sociaaleconomische declassering in het licht van deze pertinente en concrete redenen zal teweegbrengen.
- Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om de uitspraak van veroordeling op te schorten volgt niet dat de rechter verplicht is die maatregel toe te kennen. De rechter oordeelt onaantastbaar over de wenselijkheid ervan. Er bestaat immers geen recht op opschorting van de uitspraak van veroordeling.
- Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien de rechter een verzoek om de opschorting van de uitspraak van veroordeling afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende redenen daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing. Die motivering mag echter beknopt zijn.
- Uit de samenlezing van artikel 149 Grondwet, artikel 3 Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De eiseres heeft in haar appelconclusie ter staving van haar verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling een aantal concrete elementen aangevoerd betreffende haar strafverleden, haar actuele en toekomstige professionele situatie en de impact die een strafrechtelijke veroordeling daarop zou hebben, alsook haar gezinssituatie.
- Het arrest wijst het verzoek van de eiseres om opschorting van de uitspraak van veroordeling af op de volgende gronden: - een dergelijke gunstmaatregel is niet van aard om de eiseres afdoende te wijzen op haar maatschappelijke beperkingen en verplichtingen; - deze maatregel is een buitengewone gunst die onder meer ertoe strekt te voorkomen dat een veroordeling buiten haar normalerwijze te voorziene gevolgen en onder andere door de eraan verbonden publiciteit voor de beklaagde een onevenwichtige sociaaleconomische declassering zou meebrengen; - de eiseres toont niet aan dat een veroordeling, deels met uitstel van tenuitvoerlegging, voor haar een onevenwichtige sociaaleconomische declassering zou meebrengen. Uit die nauwkeurige motivering volgt dat de appelrechters wel degelijk een afweging hebben gemaakt tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de eiseres en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor haar reclassering en resocialisering. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 Probatiewet: door de opschorting van de uitspraak van veroordeling te weigeren met het oordeel dat de eiseres nalaat aan te tonen dat een veroordeling voor haar een onevenwichtige sociaaleconomische declassering zo meebrengen, legt het arrest de bewijslast bij de eiseres en legt zij een niet in de wet bepaalde voorwaarde op.
- De rechter mag bij de beoordeling van de vraag van een beklaagde om opschorting van de uitspraak van veroordeling wel degelijk het gegeven betrekken dat hij geen concrete gegevens verstrekt betreffende zijn persoonlijke situatie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel legt het arrest aan de eiseres geen bewijslast op, maar oordeelt het enkel dat de aangevoerde gegevens de appelrechters niet kunnen overtuigen dat een veroordeling, deels met uitstel, tot haar onevenredige sociaaleconomische declassering zal leiden. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 26 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.19 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250528.2F.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div