id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Schuldbeoordeling - Stukken die beschreven zijn maar niet gevoegd - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Schuldbeoordeling - Stukken die beschreven zijn maar niet gevoegd - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 5 Het enkele gegeven dat een beklaagde recht heeft op een behandeling van zijn zaak in twee aanleggen, heeft niet tot gevolg dat eender welke miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging tijdens de procedure in eerste aanleg te aanzien is als onherstelbaar of als zodanig moet worden gesanctioneerd; of er sprake is van een onherstelbare miskenning van die rechten moet immers worden beoordeeld op basis van het strafproces in zijn geheel en bijgevolg kan een dergelijke miskenning tijdens de procedure in eerste aanleg worden geremedieerd door de behandeling van de zaak in hoger beroep, ter gelegenheid waarvan de beklaagde zijn verweer onverkort kan laten gelden, zodat de appelrechter bij de beoordeling van de draagwijdte van die miskenning dan ook rekening kan houden met de rechten en mogelijkheden waarover de beklaagde heeft beschikt in het kader van de appelprocedure. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op eerlijk proces en recht van verdediging - Procedure in eerste aanleg - Recht op hoger beroep - Onherstelbare miskenning - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALGEMEEN Vrije woorden: Zevende Aanvullend Protocol EVRM - Artikel 2 - Recht op hoger beroep - Miskenning van het recht op eerlijk proces en recht van verdediging in eerste aanleg - Onherstelbare miskenning - Beoordeling - Wijze Fiches 6 - 9 Uit de artikelen 6.1, 6.3.b en 13 EVRM volgt dat de rechter in beginsel ertoe gehouden is de behandeling van een strafzaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is opdat de beklaagde effectief zou beschikken over voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden; indien de rechter een uitstel weigert, wat hij niet enkel kan omwille van proceseconomische redenen, maar ook omdat hij dit uitstel niet noodzakelijk acht met het oog op de effectieve uitoefening van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de beklaagde, moet hij de concrete omstandigheden vaststellen waarop hij zich baseert en die omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de tijdspanne waarbinnen de beklaagde zijn verdediging heeft kunnen voorbereiden, de eigenheid van de zaak en de aanvoeringen van de beklaagde of zijn raadsman
(1).
(1)Zie ook Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5, AC 2020, nr. 676. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Tijd en faciliteiten voor verdediging - Uitstel van de behandeling - Weigering - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Uitstel van de behandeling - Weigering - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Uitstel van de behandeling - Weigering - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Tijd en faciliteiten voor verdediging - Uitstel van de behandeling - Weigering - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 10 - 14 Op grond van het geheel van de omstandigheden die hij vaststelt, oordeelt de appelrechter onaantastbaar of de uit de artikelen 6.1, 6.3.b en 13 EVRM volgende rechten van de beklaagde onherstelbaar zijn miskend door de weigering van de eerste rechter om de behandeling van zijn zaak uit te stellen; het Hof gaat enkel na of de appelrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Uitstel van de behandeling - Weigering door de eerste rechter - Onherstelbare miskenning van recht op eerlijk proces en recht van verdediging - Beoordeling - Wijze - Wettigheidstoezicht Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Uitstel van de behandeling - Weigering door de eerste rechter - Onherstelbare miskenning van recht op eerlijk proces en recht van verdediging - Beoordeling - Wijze - Wettigheidstoezicht Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Uitstel van de behandeling - Weigering door de eerste rechter - Onherstelbare miskenning van recht op eerlijk proces en recht van verdediging - Beoordeling - Wijze - Wettigheidstoezicht Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Uitstel van de behandeling - Weigering door de eerste rechter - Onherstelbare miskenning van recht op eerlijk proces en recht van verdediging - Beoordeling - Wijze - Wettigheidstoezicht Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Uitstel van de behandeling - Weigering door de eerste rechter - Onherstelbare miskenning van recht op eerlijk proces en recht van verdediging - Beoordeling - Wijze - Wettigheidstoezicht Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 15 - 16 Bij de beoordeling van de door een beklaagde aangevoerde miskenning van het recht op een eerlijk proces wegens het feit dat tijdens het gerechtelijk onderzoek niet alle vereiste onderzoekshandelingen zouden zijn uitgevoerd, kan de rechter wel degelijk rekening houden met het feit dat de beklaagde geen gebruik heeft gemaakt van vroegere gelegenheden om bijkomend onderzoek te vragen. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Miskenning - Onvolledigheid van het onderzoek - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Miskenning - Onvolledigheid van het onderzoek - Beoordeling - Wijze Tekst van de beslissing Nr. P.21.0716.N P. M. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen Opdrachthoudende vereniging IMEA, met zetel te 2100 Antwerpen, Merksemsesteenweg é, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het arrest steunt de motivering van eisers schuldigverklaring op stukken die niet in het dossier aanwezig zijn, meer bepaald op brieven die aan de eiser zouden zijn gericht; het beantwoordt niet eisers verweer dat de vermelding van die stukken in het strafdossier te onduidelijk is om als enig element lastens de eiser in aanmerking te nemen.
- In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Artikel 195 Wetboek van Strafvordering houdt voor de rechter niet de verplichting in om te antwoorden op de conclusies van partijen, noch om de schuldigverklaring van een beklaagde te motiveren. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Het enkele feit dat de rechter bij de schuldbeoordeling rekening houdt met stukken die in het strafdossier zijn vermeld, maar als dusdanig niet bij dat dossier zijn gevoegd, houdt geen schending in van artikel 6.1 EVRM noch miskenning van het recht van verdediging of het recht op tegenspraak. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, oordeelt de rechter integendeel onaantastbaar over de mate waarin die stukken kunnen bijdragen tot zijn oordeelsvorming en kan de beklaagde tegenspraak voeren over de stukken zoals die zijn beschreven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
- Het arrest steunt eisers schuldigverklaring op een geheel van redenen die het (p. 11-12) vermeldt, waaronder de reden dat uit verder onderzoek naar voor kwam dat in de doorzochte woning geopende post van Waterlink en Eandis op naam van de eiser werd aangetroffen, die evenwel niet in beslag werd genomen. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat het feit dat de brieven zich niet in het dossier bevinden, de appelrechters niet belet om daarmee wel degelijk rekening te houden als een van de elementen waaruit eisers schuld blijkt. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest eisers verweer, zonder dat het moet antwoorden op alle tot staving daarvan aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken, en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.b en 13 EVRM, artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 189, 195 en 202 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers recht van verdediging en recht op een eerlijk proces, meer specifiek zijn recht om over voldoende tijd voor de verdediging te beschikken, niet zijn miskend door het feit dat de eerste rechter heeft geweigerd zijn zaak af te splitsen van die van de andere beklaagden; met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest niet eisers specifieke argumentatie inzake de miskenning van zijn voormelde rechten, miskent het eisers recht op een dubbele aanleg en geeft het aan het zittingsblad een interpretatie die niet overeenstemt met de inhoud ervan; door enkel te spreken van “voldoende gelegenheid” en “de mogelijkheid” tot het voorbereiden van eisers verdediging, beoordeelt het arrest het begrip “tijd nodig voor de voorbereiding van de verdediging” op een wijze die niet in overeenstemming is met artikel 6.3.b EVRM (eerste onderdeel); het arrest houdt geen rekening met de specifiek door de eiser aangevoerde omstandigheden dat hij nooit van zijn vrijheid is beroofd, er voor hem voorheen geen advocaat is tussengekomen en de tijd tussen de kennisneming van zijn dagvaarding en de inleidingszitting te kort was om zijn verdediging voor te bereiden; het beantwoordt dat verweer niet (tweede onderdeel); de redenen die het arrest vermeldt om eisers zaak niet af te splitsen, zijn niet afdoende om een schending van artikel 6.3.b EVRM te weerleggen (derde onderdeel); de vermelde redenen van het arrest zijn louter subjectief en betreffen enkel de proceshouding van de eiser, maar vinden geen grondslag in de objectieve proceseconomische argumenten die in eisers zaak aan de orde waren; het arrest preciseert niet waarom de eiser geen recht had op een uitstel, gelet op het gebrek aan tijd om zijn verdediging voor te bereiden, wat de essentie van eisers verzoek betrof (vierde onderdeel); met de reden dat eisers recht van verdediging in hoger beroep werd gerespecteerd, beantwoordt het arrest niet zijn verweer dat de wijze waarop zijn zaak in eerste aanleg is behandeld het recht op een dubbele aanleg miskent (vijfde onderdeel); anders dan het arrest afleidt uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 juni 2019, heeft de eiser op die rechtszitting niet aangekondigd dat hij eventueel op de rechtszitting van 7 juni 2019 nog een conclusie zou neerleggen; eisers raadsman heeft enkel gezegd dat hij een conclusie wenste op te stellen; daaruit kan het arrest niet afleiden dat de eiser door zijn eigen houding zijn recht op een eerlijk proces in de weg heeft gestaan (zesde onderdeel).
- Het recht op een dubbele aanleg volgt niet uit artikel 202 Wetboek van Strafvordering.
- Het enkele gegeven dat een beklaagde recht heeft op een behandeling van zijn zaak in twee aanleggen, heeft niet tot gevolg dat eender welke miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging tijdens de procedure in eerste aanleg te aanzien is als onherstelbaar of als zodanig moet worden gesanctioneerd. Of er sprake is van een onherstelbare miskenning van die rechten moet immers worden beoordeeld op basis van het strafproces in zijn geheel. Bijgevolg kan een dergelijke miskenning tijdens de procedure in eerste aanleg worden geremedieerd door de behandeling van de zaak in hoger beroep, ter gelegenheid waarvan de beklaagde zijn verweer onverkort kan laten gelden. De appelrechter kan bij de beoordeling van de draagwijdte van die miskenning dan ook rekening houden met de rechten en mogelijkheden waarover de beklaagde heeft beschikt in het kader van de appelprocedure.
- Uit de artikelen 6.1, 6.3.b en 13 EVRM volgt dat de rechter in beginsel ertoe gehouden is de behandeling van een strafzaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is opdat de beklaagde effectief zou beschikken over voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden. Indien de rechter een uitstel weigert, wat hij niet enkel kan omwille van proceseconomische redenen, maar ook omdat hij dit uitstel niet noodzakelijk acht met het oog op de effectieve uitoefening van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de beklaagde, moet hij de concrete omstandigheden vaststellen waarop hij zich baseert. Die omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de tijdspanne waarbinnen de beklaagde zijn verdediging heeft kunnen voorbereiden, de eigenheid van de zaak en de aanvoeringen van de beklaagde of zijn raadsman.
- Op grond van het geheel van de omstandigheden die hij vaststelt, oordeelt de appelrechter onaantastbaar of de uit de artikelen 6.1, 6.3.b en 13 EVRM volgende rechten van de beklaagde onherstelbaar zijn miskend door de weigering van de eerste rechter om de behandeling van zijn zaak uit te stellen. Het Hof gaat enkel na of de appelrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt in essentie als volgt: - uit het proces-verbaal van de inleidingszitting van 6 juni 2019 is af te leiden dat de raadsman van de eiser is verschenen nadat de zaak eerder was uitgesteld voor behandeling naar de dag erop, zijnde 7 juni
- Op het proces-verbaal werd vermeld dat de raadsman van de eiser in kennis werd gesteld van de uitsteldatum en aankondigde dat hij eventueel nog een conclusie zou neerleggen; - uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 7 juni 2019 blijkt dat de raadsman van de eiser geen conclusie heeft neergelegd, maar heeft gevraagd om de zaak van de eiser af te splitsen om zijn verdediging beter te kunnen voorbereiden, welk verzoek de eerste rechter heeft afgewezen; - in de in het arrest vermelde tijdsomstandigheden, zijn de appelrechters van oordeel dat de eiser in dit weinig omvangrijk dossier voldoende gelegenheid werd geboden om zijn verweer terdege voor te bereiden; - de eiser kan bezwaarlijk voorhouden dat zijn recht van verdediging werd miskend doordat hem geen conclusietermijn werd toegestaan, aangezien hij op de inleidingszitting geen toepassing heeft gevraagd van artikel 152 Wetboek van Strafvordering en hij de mogelijkheid niet heeft benut om bij de behandeling van de zaak op 7 juni 2019 nog een conclusie neer te leggen; - daarenboven moet een eventuele miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces worden beoordeeld rekening houdend met het verloop van de ganse strafprocedure; - aan de eiser is in hoger beroep een conclusietermijn toegestaan en hij heeft een uitvoerige beroepsconclusie neergelegd; - in de gegeven omstandigheden is het hof van beroep van oordeel dat de eiser in dit weinig omvangrijk dossier meer dan voldoende tijd heeft gehad om een stevig verweer voor te bereiden. Hij heeft kennis kunnen nemen van en vrij tegenspraak kunnen voeren over al de dossierstukken die aan het oordeel van de eerste rechter en het hof van beroep werden voorgelegd.
- Met die redenen leidt het arrest uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 juni 2019 geen met de inhoud daarvan niet te verenigen gevolgen af, miskent het niet de begrippen “tijd” en “faciliteiten” bepaald in artikel 6.3.b EVRM, preciseert het waarom de bekritiseerde beslissing van de eerste rechter de in het middel vermelde rechten van de eiser niet miskent en beantwoordt het eisers verweer met inbegrip van zijn verweer over zijn recht op een dubbele aanleg, zonder dat het moet antwoorden op alle tot staving daarvan aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken.
- Verder kan het arrest uit die redenen wettig afleiden dat de eiser, rekening gehouden met de gehele rechtspleging, over voldoende tijd en faciliteiten heeft beschikt om zijn verdediging naar behoren voor te bereiden.
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 56, § 1, en 195 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat er geen sprake is van partijdige bewijsgaring tijdens het vooronderzoek, dat de eiser de mogelijkheid had bijkomende onderzoekshandelingen te vragen tijdens de regeling van de rechtspleging en dat eisers verweer in feite de vraag stelt naar het al of niet bewezen zijn van de feiten, “wat eigenlijk losstaat van de door artikel 6.3.a EVRM bedoelde problematiek”; eisers verweer betrof het recht op loyaal onderzoek à décharge en stond los van de bewijslast; ook heeft de eiser niet artikel 6.3.a EVRM als geschonden aangewezen, maar artikel 6.1 EVRM; aldus faalt het arrest in de motivering (eerste onderdeel); het arrest beantwoordt eisers verweer enkel met algemene redenen over de onpartijdigheid van de onderzoeksrechter; die redenen zijn niet pertinent; aldus beantwoordt het arrest niet eisers specifieke verweer over welbepaalde ontbrekende onderzoekshandelingen, de schending van artikel 6.1 EVRM en artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering en de miskenning van het recht op een eerlijk proces (tweede onderdeel); dat de eiser vroeger bijkomend onderzoek had kunnen vragen, is niet van belang (derde onderdeel).
- Artikel 195 Wetboek van Strafvordering houdt voor de rechter niet de verplichting in om te antwoorden op de conclusies van partijen, noch om de schuldigverklaring van een beklaagde te motiveren.
- Bij de beoordeling van de door een beklaagde aangevoerde miskenning van het recht op een eerlijk proces wegens het feit dat tijdens het gerechtelijk onderzoek niet alle vereiste onderzoekshandelingen zouden zijn uitgevoerd, kan de rechter wel degelijk rekening houden met het feit dat de beklaagde geen gebruik heeft gemaakt van vroegere gelegenheden om bijkomend onderzoek te vragen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest beantwoordt eisers verweer in de eerste plaats met een verwijzing naar artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering en geeft daarmee te kennen dat die bepaling voor de inverdenkinggestelde een garantie inhoudt op een objectief strafonderzoek dat ook à décharge wordt gevoerd. Verder oordeelt het arrest onaantastbaar dat lezing van het strafdossier aantoont dat de onderzoeksrechter alle onderzoekshandelingen heeft bevolen die hij nuttig achtte in het kader van de waarheidsvinding, dit zowel à charge als à décharge, en dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het loutere feit dat de eiser meent dat nog andere onderzoekshandelingen hadden kunnen worden uitgevoerd. Het oordeelt vervolgens dat de eiser ook tijdens de regeling van de rechtspleging bijkomend onderzoek had kunnen vragen maar dat niet heeft gedaan, dat de eiser in de vonnisprocedure alle nuttig geachte verweer heeft kunnen voeren, dat het vermoeden van onschuld ook wordt gewaarborgd door de onpartijdigheid waarmee de vonnisrechter de bewijzen beoordeelt en dat uit niets blijkt dat de bewijsgaring tijdens het gerechtelijk onderzoek op onregelmatige of partijdige wijze zou zijn gebeurd. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder dat het moet antwoorden op alle tot staving daarvan aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken, en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 2bis, § 3, b, Drugwet en artikel 159 Wetboek van Strafvordering: het arrest verwerpt eisers verweer dat hij de hem ten laste gelegde feiten niet in vereniging heeft gepleegd terwijl daarnaar geen onderzoek is gevoerd en het beantwoordt eisers desbetreffende verweer niet (eerste onderdeel); het arrest maakt geen onderscheid tussen enerzijds de materialiteit en het opzet om planten te hebben geteeld en anderzijds de materialiteit en de bewuste wil om van de vereniging deel uit te maken (tweede onderdeel).
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 159 Wetboek van Strafvordering, zonder te preciseren hoe en waarom het arrest dat artikel schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel aanvoert dat geen onderzoek is gevoerd naar de verzwarende omstandigheid van de vereniging, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het evenmin ontvankelijk.
- Het arrest oordeelt in essentie dat uit de feiten die het vaststelt, namelijk dat door meerdere personen cannabisplantages werden geëxploiteerd in daartoe specifiek ingerichte ruimtes in het door de eiser gehuurde pand, blijkt dat de eiser de bewuste wil had om deel uit te maken van de vereniging waarvan het de wezenskenmerken beschrijft en dat de eiser voor het plegen van de feiten onmisbare hulp heeft verleend. Aldus bevat het arrest niet de in het middel bedoelde verwarring, beantwoordt het eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 26 oktober 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div