id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211102.2N.1 Rolnummer: P.21.0708.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 1106 - laatst gezien 2026-06-19 05:14 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 149 Grondwet volgt dat in de mate waarin een appellant in een grievenformulier niet alleen zijn grieven aanduidt, maar ook een duidelijke eis, exceptie of verweer formuleert, de appelrechter daarop moet antwoorden; daarentegen verplicht noch artikel 149 Grondwet noch enig algemeen rechtsbeginsel de rechter te antwoorden op een aanvoering die geen precies verweer bevat of waaruit de appellant geen rechtsgevolg voor de te nemen beslissing afleidt en de omstandigheid dat die aanvoering het voorwerp uitmaakt van een grief die de saisine van de appelrechter bepaalt, speelt daarbij geen rol
(1).
(1)Cass. 21 november 2017, AR P.17.0040.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.5, AC 2017, nr.
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Grievenformulier - Aanduiding van grief - Formulering van eis, exceptie of verweer - Afleiden van een rechtsgevolg - Taak van de appelrechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hoger beroep - Grievenformulier - Aanduiding van grief - Formulering van eis, exceptie of verweer - Afleiden van een rechtsgevolg - Taak van de appelrechter - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.21.0708.N I M P, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. II K L, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 april
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek en de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser I tot gevangenisstraf, geldboete en verbeurdverklaring van vermogensvoordelen wegens de telastleggingen D.4, D.5, E.11 en F.14 voor de periode van telkens 13 maart 2017 tot 3 januari 2018 en wegens de telastlegging D.8 voor de periode van 1 april 2017 tot 3 januari 2018; het vermeldt enkel de toepasselijke wetsbepalingen van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen, in werking getreden op 26 september 2017, maar niet de wetsbepalingen van het vroegere koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies, dat van toepassing is gebleven tot 25 september
- Uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, volgt dat een veroordelende beslissing de wetsbepalingen moet vermelden die de feiten strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen. Indien op het ogenblik van de beslissing de wetsbepalingen zijn opgeheven die de feiten op het ogenblik van het plegen ervan strafbaar stelden, dient de rechter ook de wetsbepalingen te vermelden op grond waarvan de feiten tot op het ogenblik van de beslissing strafbaar zijn gebleven. De rechter dient hierbij de toepasselijke artikelen te vermelden en kan niet ermee volstaan om louter melding te maken van een wet of een besluit.
- Het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de feiten van de telastleggingen D.4, D.5, D.8, E.11 en F.14 gedurende de in het middel vermelde incriminatieperiodes, alsook aan de feiten van de telastleggingen H.2 en H.4 (diefstal). Het veroordeelt hem voor die vermengde feiten tot gevangenisstraf en geldboete. Het beveelt te zijnen laste eveneens de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen.
- De beslissing tot het opleggen van de gevangenisstraf en de geldboete aan de eiser I is naar recht verantwoord wegens zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen D.4, D.5, D.8, E.11 en F.14 gedurende de incriminatieperiodes van 26 september 2017 tot 3 januari 2018 en aan de telastleggingen H.2 en H.
- Hieruit volgt dat de onwettigheid van de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastleggingen D.4, D.5, D.8, E.11 en F.14 gedurende de voorafgaande incriminatieperiodes van 13 maart 2017, respectievelijk 1 april 2017, tot 25 september 2017 niet kunnen leiden tot de vernietiging van die beslissingen. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Het arrest vermeldt voor wat betreft de feiten van de telastleggingen D.4, D.5, D.8, E.11 en F.14 niet de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 december 1930, op grond waarvan de feiten waaraan het de eiser I schuldig verklaart strafbaar waren tot 25 september
- Uit het arrest blijkt evenmin in welke periode de eiser I de vermogensvoordelen die het verbeurdverklaart, uit die telastleggingen heeft verkregen.
- Hieruit volgt dat het arrest, in zoverre het lastens de eiser I de verbeurdverklaring beveelt van de vermogensvoordelen voortspruitend uit de telastleggingen D.4, D.5, D.8, E.11 en F.14, de in het middel vermelde wetsbepalingen schendt. In zoverre is het middel gegrond. Middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest laat na om op enige wijze de regelmatigheid van de procedure te beoordelen of standpunt in te nemen over de dataretentiewet, die volgens de van het beroepen vonnis overgenomen redenen nochtans de grondslag vormt voor verschillende onderzoeksdaden; aldus beantwoordt het arrest niet de in eisers grievenformulier aangevoerde procedurele grief in verband met de dataretentie.
- Uit artikel 149 Grondwet volgt dat in de mate waarin een appellant in een grievenformulier niet alleen zijn grieven aanduidt, maar ook een duidelijke eis, exceptie of verweer formuleert, de appelrechter daarop moet antwoorden. Daarentegen verplicht noch artikel 149 Grondwet noch enig algemeen rechtsbeginsel de rechter te antwoorden op een aanvoering die geen precies verweer bevat of waaruit de appellant geen rechtsgevolg voor de te nemen beslissing afleidt. Dat die aanvoering het voorwerp uitmaakt van een grief die de saisine van de appelrechter bepaalt, speelt daarbij geen rol. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 30) stelt vast dat de eiser II in zijn grievenformulier de volgende grief heeft laten gelden: “Procedure: De dataretentiewet in het licht van het arrest van het Hof van Justitie dd. 6 oktober 2020”.
- Met die beperkte, louter in algemene bewoordingen geformuleerde aanvoering heeft de eiser II in zijn grievenformulier geen precies verweer gevoerd, noch daaruit enig rechtsgevolg afgeleid voor de door de appelrechters te nemen beslissing. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt evenmin dat de eiser II die aanvoering heeft gepreciseerd of enig rechtsgevolg eruit heeft afgeleid in een voor de appelrechters genomen conclusie. Aldus bevat de vermelde grief geen verweer dat het arrest dient te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding (...) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het lastens de eiser I de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen beveelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot drie vierden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten van de eiser I aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Veroordeelt de eiser II tot de kosten van zijn cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 561,93 euro, waarvan de eiser I 280,96 euro is verschuldigd en de eiser II 280,97 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211102.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240619.2F.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div