← België

GENERAL TANK CLEANING bvba c. ANTWERP TANK CLEANING NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211108.3N.10 Rolnummer: C.20.0108.N Zaak: GENERAL TANK CLEANING bvba c. ANTWERP TANK CLEANING NV Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2021-12-14 Raadplegingen: 1033 - laatst gezien 2026-06-19 05:16 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211108.3N.10 Fiche De werkgever kan zijn burgerrechtelijke immuniteit ten aanzien van de getroffene van het arbeidsongeval en diens rechthebbenden uit artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet tegenwerpen aan de derde, door wiens fout het arbeidsongeval mede is ontstaan en die ingevolge zijn betaling aan de getroffene, diens rechthebbenden of de arbeidsongevallenverzekeraar op hem verhaal tracht uit te oefenen; dit geldt zelfs indien de derde zijn verhaal steunt op artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - AANSPRAKELIJKHEID - Werknemer. Werkgever Vrije woorden: Derde aansprakelijke - Regresvordering lastens werkgever - Artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek - Immuniteit - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 - 10-04-1971 - Artt. 46, § 1, en 47 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0108.N GENERAL TANK CLEANING bv, met zetel te 2030 Antwerpen, Havenweg 83, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0458.794.459, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. ANTWERP TANK CLEANING nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Schomhoeveweg 9, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0463.790.751,
  2. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.483.367, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 oktober
  3. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 oktober 2021 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 13 oktober 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  4. Wanneer schade is veroorzaakt door samenlopende fouten van verschillende personen, kan de aansprakelijke persoon die het slachtoffer heeft vergoed, verhaal nemen op ieder van de personen die met hem in solidum is of had kunnen worden veroordeeld.
  5. Krachtens artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet, is, ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten, de rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de getroffene of zijn rechthebbenden slechts mogelijk tegen de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde in de in deze bepaling opgesomde bepalingen.
  6. Krachtens artikel 47 Arbeidsongevallenwet kunnen de arbeidsongevallenverzekeraar of Fedris een rechtsvordering instellen tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke tot beloop van de krachtens artikel 46, § 2, eerste lid, gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld bij de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies. Zij kunnen die burgerlijke vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en worden gesubrogeerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 46, § 2, eerste lid, krachtens het gemene recht, hadden kunnen uitoefenen.
  7. Hieruit volgt dat de werkgever zijn burgerrechtelijke immuniteit ten aanzien van de getroffene van het arbeidsongeval en diens rechthebbenden uit artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet kan tegenwerpen aan de derde, door wiens fout het arbeidsongeval mede is ontstaan en die ingevolge zijn betaling aan de getroffene, diens rechthebbenden of de arbeidsongevallenverzekeraar op hem verhaal tracht uit te oefenen. Dit geldt zelfs indien de derde zijn verhaal steunt op artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek.
  8. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de fouten van de getroffene van het arbeidsongeval, de eiseres als werkgever van de getroffene en de eerste verweerster in gelijke mate hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade; - de eerste rechter de eerste verweerster en zijn verzekeraar, de tweede verweerster, veroordeelde tot vergoeding van twee derden van de schade van de getroffene en diens arbeidsongevallenverzekeraar; - de gehoudenheid van de verweersters mede te wijten is aan de fout van de eiseres; - de verweersters hierdoor een eigen schade lijden; - de verweersters geen rechthebbende zijn onder de Arbeidsongevallenwet.
  9. De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat de eiseres de immuniteit bepaald in artikel 46 Arbeidsongevallenwet niet kan tegenwerpen aan de verweersters en haar op grond van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek veroordeelt tot terugbetaling van de helft van de uitgaven ten voordele van de getroffene en de arbeidsongevallenverzekeraar, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vordering van de verweersters tegen de eiseres en de hieraan verbonden kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 8 november 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211108.3N.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211108.3N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220124.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.