id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211108.3N.7 Rolnummer: S.21.0002.N Zaak: S. contra RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-12-14 Raadplegingen: 1161 - laatst gezien 2026-06-19 04:05 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Om vast te stellen dat een natuurlijke persoon, lasthebber van een rechtspersoon, de werkgever is van een ander persoon, is niet vereist dat het arrest ook uitdrukkelijk vaststelt dat een formele tewerkstelling van diezelfde arbeidskracht door de rechtspersoon niet met de realiteit overeenstemt en dus geveinsd is; de rechter moet enkel vaststellen dat er in werkelijkheid een arbeidsovereenkomst bestaat tussen die natuurlijke persoon en de bedoelde werknemer. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Algemeen Vrije woorden: Rechtspersoon - Veinzing - Natuurlijke persoon - Werkgever - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Artt. 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 2 Op grond van de autonomie van het strafrecht mag de strafrechter bij de interpretatie en toepassing van strafbepalingen aan begrippen uit andere rechtstakken weliswaar een betekenis geven die afwijkt van de betekenis die geldt in de rechtstak waaruit het begrip afkomstig is; bepalingen uit de sociale wetten of uit het sociaal strafrecht die bepalen wat strafbaar is en wie strafbaar is, zijn strafbepalingen
(1).
(1)Zie Cass. 4 september 2018, AR P.17.1273.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180904.1, AC 2018, nr.
- Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Autonomie van het strafrecht - Sociaal strafrecht - Dader - Bepaling Fiche 3 De bepalingen in de sociale wetten die de wettelijke verplichtingen van de werkgevers omschrijven zijn geen strafbepalingen, zodat de strafrechter aan die bepalingen en de begrippen die ze bevatten geen eigen betekenis kan geven, maar voor de interpretatie ervan integendeel toepassing moet maken van sociaalrechtelijke bepalingen en artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Autonomie van het strafrecht - Sociaal strafrecht - Sociaalrechtelijke verplichtingen - Bepaling Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 16, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 4 Om te bepalen of een inbreuk werd gepleegd op een sociaalrechtelijke verplichting die het bestaan van een arbeidsovereenkomst en de hoedanigheid van werknemer vereist, moet de rechter het bewijs van het bestaan van die overeenkomst beoordelen overeenkomstig de regels van het sociaal recht. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Autonomie van het strafrecht - Sociaal strafrecht - Sociaalrechtelijke verplichtingen - Inbreuk - Bepaling Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 16, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. S.21.0002.N A.S., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 28 juli
- Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (…) Tweede onderdeel
- Uit het geheel van de redenen van het arrest blijkt dat de appelrechters, waar zij de woorden ‘feitelijk werkgever’ gebruiken, de werkelijke arbeidsrechtelijke werkgever bedoelen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het arrest leidt de hoedanigheid van de eiseres als arbeidsrechtelijke werkgever niet af uit haar functie als boekhouder maar uit een geheel van feiten en redenen die aantonen dat de arbeidskrachten voor haar arbeid hebben gepresteerd en niet voor de bedoelde vennootschappen, dat zij het arbeidsrechtelijk gezag uitoefende, en dat zij instond voor het loon van de werknemers, zodat alle bestanddelen van een arbeidsovereenkomst zijn verenigd in de werkrelatie tussen de eiseres en de bedoelde arbeidskrachten. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, laten de appelrechters hun oordeel dat de eiseres de werkelijke werkgever van de betrokken arbeidskrachten is niet steunen op het gezag van gewijsde van het correctioneel vonnis van 17 juni 2015 en het arrest van 27 oktober
- Zij stellen integendeel vast dat dit niet uit het correctioneel vonnis of arrest blijkt. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Krachtens de artikelen 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer, zicht verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever arbeid te verrichten.
- De rechter oordeelt in feite of de bestanddelen zijn aangetoond die het bestaan van een arbeidsovereenkomst verantwoorden en welke personen door die arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Uit de vaststellingen die het arrest bevat kan het naar recht afleiden dat de eiseres de werkgever is van de bedoelde arbeidskrachten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Er is sprake van veinzing wanneer de partijen een of meer schijnbare akten opmaken maar overeenkomen de gevolgen ervan te wijzigen of teniet te doen door een andere overeenkomst die geheim blijft.
- Om vast te stellen dat een natuurlijke persoon, lasthebber van een rechtspersoon, de werkgever is van een ander persoon, is niet vereist dat het arrest ook uitdrukkelijk vaststelt dat een formele tewerkstelling van diezelfde arbeidskracht door de rechtspersoon niet met de realiteit overeenstemt en dus geveinsd is. De rechter moet enkel vaststellen dat er in werkelijkheid een arbeidsovereenkomst bestaat tussen die natuurlijke persoon en de bedoelde werknemer. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel voor het overige opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Krachtens artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, gedraagt, wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt, de strafrechter zich naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van die overeenkomst of over de uitvoering ervan.
- Op grond van de autonomie van het strafrecht mag de strafrechter bij de interpretatie en toepassing van strafbepalingen aan begrippen uit andere rechtstakken weliswaar een betekenis geven die afwijkt van de betekenis die geldt in de rechtstak waaruit het begrip afkomstig is. Bepalingen uit de sociale wetten of uit het sociaal strafrecht die bepalen wat strafbaar is en wie strafbaar is, zijn strafbepalingen. De bepalingen in de sociale wetten die de wettelijke verplichtingen van de werkgevers omschrijven zijn daarentegen geen strafbepalingen, zodat de strafrechter aan die bepalingen en de begrippen die ze bevatten geen eigen betekenis kan geven, maar voor de interpretatie ervan integendeel toepassing moet maken van sociaalrechtelijke bepalingen en artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
- Om te bepalen of een inbreuk werd gepleegd op een sociaalrechtelijke verplichting die het bestaan van een arbeidsovereenkomst en de hoedanigheid van werknemer vereist, moet de rechter het bewijs van het bestaan van die overeenkomst beoordelen overeenkomstig de regels van het sociaal recht.
- Het gezag van gewijsde “erga omnes” in strafzaken geldt voor hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist met betrekking tot het al dan niet bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de redenen die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken.
- De veroordeling wegens het misdrijf bestaande in het niet-aangeven van verschuldigde socialezekerheidsbijdragen veronderstelt het bestaan van een tewerkstelling krachtens een arbeidsovereenkomst of gelijkgestelde rechtsverhouding en dus het bestaan van de voor een arbeidsovereenkomst vereiste elementen arbeid, loon en gezag. De strafrechter die een persoon veroordeelt wegens dat misdrijf, heeft bijgevolg zeker en noodzakelijk beslist dat de betreffende arbeidskrachten, waarvoor bij de verweerder geen aangifte is gedaan, tewerkgesteld waren krachtens een arbeidsovereenkomst en aldus ook zeker en noodzakelijk het bestaan aangenomen van de elementen arbeid, loon en gezag.
- Het bestreden arrest dat oordeelt dat, gelet op het arrest van 27 oktober 2016 van het hof van beroep te Antwerpen de elementen arbeid, loon en gezag vaststaan, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 452,08 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 8 november 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211108.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180904.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div