id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 182 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Aanhangigmaking - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Wijze van verstrekken van informatie - Precisering van de omvang van de aanhangigmaking - Omschrijving van de telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 182 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Aanhangigmaking - Precisering van de omvang van de aanhangigmaking - Omschrijving van de telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 182 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Artikel 182 Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling verzetten zich ertegen dat indien de akte van aanhangigmaking een in de bewoordingen van de strafwet omschreven misdrijf vermeldt met precieze aanduiding van de plaats en tijdsperiode van het misdrijf, waarbij wordt verwezen naar onder meer een aantal feitelijke elementen, het vonnisgerecht oordeelt dat niet enkel de vermelde feitelijke elementen aanhangig zijn gemaakt; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)In deze zaak had het openbaar ministerie eisers in cassatie vervolgd wegens onterende behandeling van hun twee minderjarige pleegkinderen, waarbij in de rechtstreekse dagvaarding de omschrijving van art. 417bis, 3°, en 417quinquies Strafwetboek was bepaald, na een algemene plaats- en tijdsbepaling. Deze algemene omschrijving van de feiten werd in de dagvaarding aangevuld met een concrete lijst van gedragingen per minderjarig slachtoffer, telkens na de zin “in de periode van plaatsing in het pleeggezin, van… tot, onder andere”, zoals o.a. het onthouden van basishygiëne en het uitbesteden van vele huiselijke taken aan verweerster 1 en het opsluiten in de slaapkamer vanaf 18.00u. en het bijna dagelijks schoppen en slagen wegens onbenulligheden van verweerder
- Eisers werden in eerste aanleg vrijgesproken. Op hoger beroep van het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen (verweerders in cassatie) hebben de appelrechters beklaagden (eisers in cassatie) veroordeeld op basis van een aangepaste tenlastelegging, die inhield dat de opsomming van alle concrete gedragingen in de telastlegging werd verwijderd, waardoor de telastlegging beperkt bleef tot de omschrijving van onterende behandeling in de hoedanigheid van pleegouders in de bewoordingen van art. 417bis, 3°, en 417quinquies Sw., met behoud van plaats- en tijdsbepaling per slachtoffer. Het bestreden arrest stelde dat de opsommingen de telastlegging niet bepalen, maar slechts concrete feitelijkheden zijn uit het strafdossier, die het openbaar ministerie aanhaalt tot bewijs van zijn standpunt. De lijst van feitelijke gedragingen werd wel overgenomen in het motiverend gedeelte van het bestreden arrest, per minderjarig slachtoffer, waarbij één concrete gedraging van onterende behandeling werd toegevoegd (nl. het over het hoofd uitgieten van een emmer met uitwerpselen), en de appelrechters oordeelden dat al deze handelingen samen de onterende behandeling vormden (BDS). Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in bewoordingen van de strafwet met nauwkeurige aanduiding van plaats en tijdstip van het misdrijf - Opsomming in de inleidende akte van een aantal feitelijke elementen - Behoud van de omschrijving van de telastlegging door het vonnisgerecht zonder vermelding van de feitelijke elementen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 182 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Aanhangigmaking - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in bewoordingen van de strafwet met nauwkeurige aanduiding van plaats en tijdstip van het misdrijf - Opsomming in de inleidende akte van een aantal feitelijke elementen - Behoud van de omschrijving van de telastlegging door het vonnisgerecht zonder vermelding van de feitelijke elementen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 182 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Aanhangigmaking - Omschrijving van de feiten in bewoordingen van de strafwet met nauwkeurige aanduiding van plaats en tijdstip van het misdrijf - Opsomming in de inleidende akte van een aantal feitelijke elementen - Behoud van de omschrijving van de telastlegging door het vonnisgerecht zonder vermelding van de feitelijke elementen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 182 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 8 Uit de artikelen 2, eerste en tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding en 557 Gerechtelijk Wetboek volgt dat voor het bepalen van de waarde van een schadevergoedingsvordering uit een misdrijf door een burgerlijke partij voor het strafgerecht rekening wordt gehouden met de gevorderde hoofdsom en met de gevorderde vergoedende interesten, dit zijn de gevorderde interesten vervallen tussen de datum van het misdrijf en de datum waarop de burgerlijke partij haar in geld waardeerbare vordering voor het strafgerecht heeft geformuleerd; voor het bepalen van de waarde van die vordering wordt geen rekening gehouden met de gerechtelijke vergoedende interesten, dit zijn de interesten vanaf de datum waarop de burgerlijke partij haar voor de strafrechter in geld waardeerbare vordering heeft geformuleerd en de datum van de rechterlijke beslissing, noch met de gerechtelijke verwijlinteresten, zijnde de interesten vanaf de uitspraak. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Basisbedrag - Bedrag van de vordering van de burgerlijke partij - Gevorderde hoofdsom en vergoedende interesten - Berekening - Grenzen Wettelijke bepalingen: KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 557 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Veroordeling van de beklaagde - Rechtsplegingsvergoeding - Basisbedrag - Bedrag van de vordering van de burgerlijke partij - Gevorderde hoofdsom en vergoedende interesten - Berekening - Grenzen Wettelijke bepalingen: KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 557 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0615.N
- M R P V, beklaagde,
- M V, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen
- J L, burgerlijke partij,
- M L, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 april
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 182, 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het arrest vermeldt bij de beoordeling van de schuld aan de heromschreven telastlegging bijkomende feitelijke handelingen die niet waren opgenomen in de dagvaarding; zo verwijst het arrest naar het niet in de dagvaarding vermeld gegeven dat de verweerder 2 een emmer met hondenuitwerpselen over zijn hoofd kreeg; dit kan dan ook niet het voorwerp uitmaken van de beoordeling door de rechter; de saisine van de rechter is beperkt tot die feiten die uitdrukkelijk worden vermeld in de dagvaarding; indien er wordt gedagvaard voor een bepaalde feitelijke handeling die een misdrijf uitmaakt, maar uit het strafdossier blijkt dat er ook een andere feitelijke handeling is die eenzelfde of zelfs een ander misdrijf uitmaakt, kan deze andere feitelijke handeling niet worden beoordeeld door de rechter; door de appellanten werd in hun grievenformulier geen gewag gemaakt van bijkomende feitelijke handelingen; de appelrechters overschrijden hun saisine door buiten de grieven van de appellanten te oordelen; de grieven zijn enkel gericht tegen de feiten vermeld in het beroepen vonnis; door de heromschrijving van de telastlegging verruimen de appelrechters hun bevoegdheid; spijts de vermelding dat de zo verbeterde telastlegging op dezelfde feiten slaat, voegt het arrest toch andere feiten toe.
- Bij het vonnisgerecht wordt niet de omschrijving van een misdrijf aanhangig gemaakt, maar wel de feitelijke strafbare gedraging die wordt bedoeld door de akte die de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig maakt.
- Het is het vonnisgerecht dat aan de hand van de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking en de eraan ten grondslag liggende gegevens van het strafdossier bepaalt welke die feitelijke strafbare gedraging is en die daaraan met inachtneming van het recht van verdediging de juiste omschrijving geeft. De verplichting aan de aanhangig gemaakte feitelijke strafbare gedraging een juiste omschrijving te geven geldt ook voor het appelgerecht.
- Artikel 182 Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling verzetten zich ertegen dat indien de akte van aanhangigmaking een in de bewoordingen van de strafwet omschreven misdrijf vermeldt met precieze aanduiding van de plaats en tijdsperiode van het misdrijf, waarbij wordt verwezen naar onder meer een aantal feitelijke elementen, het vonnisgerecht oordeelt dat niet enkel de vermelde feitelijke elementen aanhangig zijn gemaakt.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van de redenen die het arrest bevat, kan het wettig oordelen dat de in de telastlegging vermelde opsomming van de feitelijke elementen die het openbaar ministerie heeft aangenomen ter staving van de telastlegging, de telastlegging niet bepalen en uit de telastlegging moeten worden verwijderd, zodat de telastlegging als volgt moet worden aangepast, met de vaststelling dat daardoor de in de akte van aanhangigmaking vervatte feiten niet worden gewijzigd: “als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek, te Ieper en met samenhang elders in het Rijk bij inbreuk op de artikelen 417bis, 3° en 417quinquies Strafwetboek, een persoon aan een onterende behandeling, zijnde elke behandeling die in de ogen van het slachtoffer of van derden een ernstige krenking of aantasting van de menselijke waardigheid uitmaakt, te hebben onderworpen, met name in hun hoedanigheid van pleegouders, 1) in de periode van plaatsing in het pleeggezin van 1 september 2002 tot 31 augustus 2012 en in de periode van plaatsing in het pleeggezin van 8 december 2015 tot 31 augustus 2017: ten aanzien van L.M., geboren te Ieper op 11 februari 1998; 2) In de periode van plaatsing in het pleeggezin tussen 1 september 2002 en 31 augustus 2017: ten aanzien van L.J., geboren te Ieper op 21 februari 1997” In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering beletten het appelgerecht niet om indien een appellant de schuld aan een feit omschreven onder een telastlegging als grief heeft aangeduid deze telastlegging te heromschrijven door weglating in de initiële omschrijving van de bij wijze van voorbeeld vermelde feitelijke gegevens. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: door zowel de hoedanigheid van dader als van mededader te vermelden en aan te nemen dat de telastlegging, hetzij het daderschap hetzij het mededaderschap betreft, is het arrest niet duidelijk in de omschrijving van de feitelijke handelingen en de daaropvolgende beslissing van veroordeling; men kan niet tegelijkertijd dader en mededader zijn aan eenzelfde misdrijf.
- Dader is hij die de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in zijn persoon verenigt. Mededader is hij die met opzet aan een misdrijf deelneemt op een bij de wet bepaalde wijze, zonder daarbij het misdrijf in al zijn bestanddelen te plegen.
- Met het geheel van de redenen die het arrest bevat, geeft het te kennen dat de eisers schuldig zijn als dader aan het hen verweten misdrijf. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest zegt niets over het mededaderschap maar neemt louter aan dat de eisers dader of mededader zijn van het misdrijf, terwijl rechtspraak en rechtsleer drie constitutieve elementen van de deelneming onderscheiden, een wilsovereenstemming, een misdrijf waaraan werd deelgenomen en een positieve deelnemingsdaad; het arrest beoordeelt die bestanddelen niet; met het oordeel dat de eisers de hand hadden in de vermelde praktijken en de feiten wetens en willens pleegden, geven de appelrechters niet aan of er een positieve deelnemingsdaad werd gesteld bepaald in artikel 66 Strafwetboek; het arrest is niet duidelijk over het daderschap; het arrest duidt niet op geïndividualiseerde wijze aan welke gedraging elkeen van de eisers zou hebben gesteld; aldus toetst het arrest de handelingen niet aan de constitutieve bestanddelen van het mededaderschap bepaald in artikel 66 Strafwetboek.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de appelrechters oordelen dat de eisers schuldig zijn als dader aan het hen ten laste gelegde misdrijf. Zij dienden bijgevolg niet vast te stellen dat de voorwaarden voor mededaderschap zijn vervuld. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest kent aan de verweerster 1 een rechtsplegingsvergoeding toe van 1.320,00 euro met als motief dat dit het basisbedrag is voor een vordering van 10.000,00 euro, terwijl het basisbedrag voor een vordering van 5.000,00 euro tot en met 10.000,00 euro slechts 1.080,00 euro bedraagt en het basisbedrag van 1.320,00 euro slechts geldt voor een vordering van 10.000,01 euro tot en met 20.000,00 euro; de beslissing is gebrekkig en tegenstrijdig gemotiveerd.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de strafvordering werd aanhangig gemaakt door een op verzoek van het openbaar ministerie betekende dagvaarding op 11 januari 2019; - de verweerster 1 zich burgerlijke partij heeft gesteld voor het vonnisgerecht op 25 april 2019 en de veroordeling van de eisers heeft gevorderd tot een bedrag van 10.000,00 euro, te vermeerderen met de interesten; - de verweerster 1 in haar appelconclusie de veroordeling heeft gevraagd van de eisers tot betaling van een bedrag van 10.000,00 euro, te vermeerderen met de interesten vanaf de betekening van de initiële dagvaarding tot aan de dag van de effectieve betaling.
- Volgens artikel 2, eerste lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding, zoals hier toepasselijk, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen van 5.000,01 tot 10.000,00 euro en van 10.000,01 euro tot 20.000,00 euro, respectievelijk 1.080,00 euro en 1.320,00 euro.
- Volgens artikel 2, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig onder meer artikel 557 Gerechtelijk Wetboek.
- Volgens artikel 557 Gerechtelijk Wetboek wordt wanneer het bedrag van de vordering de volstrekte bevoegdheid bepaalt er onder verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van de gerechtskosten alsook van de dwangsommen.
- Uit deze bepalingen volgt dat voor het bepalen van de waarde van een schadevergoedingsvordering uit een misdrijf door een burgerlijke partij voor het strafgerecht rekening wordt gehouden met de gevorderde hoofdsom en met de gevorderde vergoedende interesten, dit zijn de gevorderde interesten vervallen tussen de datum van het misdrijf en de datum waarop de burgerlijke partij haar in geld waardeerbare vordering voor het strafgerecht heeft geformuleerd. Voor het bepalen van de waarde van die vordering wordt geen rekening gehouden met de gerechtelijke vergoedende interesten, dit zijn de interesten vanaf de datum waarop de burgerlijke partij haar voor de strafrechter in geld waardeerbare vordering heeft geformuleerd en de datum van de rechterlijke beslissing, noch met de gerechtelijke verwijlinteresten, zijnde de interesten vanaf de uitspraak.
- De verweerster 1 heeft de veroordeling van de eisers gevorderd tot betaling van een schadevergoeding van 10.000,00 euro, te vermeerderen met de interesten vanaf de betekening van de initiële dagvaarding tot de datum van de effectieve betaling. Aldus vordert de verweerster 1 niet enkel de hoofdsom van 10.000,00 euro maar ook vergoedende interesten vanaf 11 januari 2019, zijnde de datum van de betekening van de dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie, tot 25 april 2019, zijnde de datum waarop zij zich burgerlijke partij heeft gesteld en haar in geld waardeerbare vordering heeft geformuleerd voor het strafgerecht. Derhalve had die vordering een waarde gelegen tussen 10.000,01 euro en 20.000,00 euro en hebben de appelrechters terecht het basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 euro toegekend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170614.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170614.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.12 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div