id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Verhoor - Begrip Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Een gesprek dat beperkt is tot de noodzakelijke dialoog tussen politieambtenaren die met een huiszoeking zijn belast en de persoon bij wie deze onderzoeksmaatregel wordt uitgevoerd, is geen verhoor in de zin van artikel 6.1 EVRM
(1); het enkele feit dat de politieambtenaren aan die persoon kennis geven van hun hoedanigheid of van het doel van de huiszoeking of dat zij bepaalde tijdstippen zoals deze van het begin en het einde van de onderzoeksmaatregel noteren, volstaat dan ook niet om te besluiten tot het bestaan van een dergelijk verhoor; hetzelfde geldt voor het enkele feit dat die persoon aan de politieambtenaren zijn identiteit of hoedanigheid ter kennis brengt; geen enkele bepaling vereist dat naar aanleiding van een vraag tot toestemming tot huiszoeking of ter gelegenheid van een huiszoeking of een inbeslagneming, de verdachte wordt bijgestaan door een advocaat of hem de kans wordt geboden zich van de bijstand van een advocaat te verzekeren; op basis van deze principes oordeelt de rechter onaantastbaar in het licht van de gegevens van de zaak of de mededelingen die een persoon doet aan politieambtenaren en de vragen die zij stellen, kunnen worden beschouwd als een verhoor; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Cass. 14 maart 2017, AR P.14.1001.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.2, AC 2017, nr. 176, NC 2017, 554 noot M. COLETTE, “Het begrip ‘verhoor' en het ‘zwijgen'”; Cass. 14 maart 2012, AR P.12.0404.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120314.1, AC 2012, nr. 169 met concl. van advocaat-generaal M. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., NC 2013,
- Zie ook C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel Svacina, 2019, 1052; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021,
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op bijstand van een advocaat tijdens een verhoor - Begrip verhoor - Gesprek dat is beperkt tot een noodzakelijke dialoog tussen de politie en de persoon bij wie een huiszoeking wordt uitgevoerd - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Huiszoeking - Gesprek dat is beperkt tot een noodzakelijke dialoog tussen politieambtenaren en de verdachte bij de uitvoering van de huiszoeking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1008.N P J M M V H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissingen die de eiser vrijspreken, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht der akten: het arrest oordeelt dat er geen redenen zijn om eisers verklaringen van 6 en 7 maart 2008 en 20 oktober 2008 uit het debat te weren omdat die verklaringen enkel betrekking hebben op de verrichtingen van de huiszoekingen met toestemming en niet kunnen worden aanzien als ondervragingen, zodat het niet van belang is dat er daarbij geen advocaat aanwezig was; aldus geeft het arrest van de processen-verbaal nr. 18970/08 van 6 maart 2008, nr. 26962/08 van 7 maart 2008 en nr. 132866/08 van 20 oktober 2008 een uitlegging die met de inhoud ervan niet te verzoenen is en miskent het de bewijskracht ervan; uit die processen-verbaal blijkt immers dat de onderzoekers wel degelijk zijn overgegaan tot een ondervraging van de eiser en dat deze verklaringen niet louter betrekking hebben op de verrichtingen van de huiszoeking.
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht der akten. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen. De rechter die, zoals hier, uit een akte louter een juridisch gevolg trekt, miskent de bewijskracht van die akte niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.3 IVBPR, de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten EU en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het arrest weigert eisers verklaringen opgenomen in de processen-verbaal nr. 18970/08 van 6 maart 2008, nr. 26962/08 van 7 maart 2008 en nr. 132866/08 van 20 oktober 2008 als onwettig bewijs uit het debat te weren omdat die verklaringen geen verhoor uitmaken in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, zodat het niet van belang is dat de cautieplicht niet werd nageleefd en de eiser geen bijstand kon hebben van een advocaat; uit de processen-verbaal blijkt echter dat er wel degelijk sprake was van een geleide ondervraging van de eiser door twee leden van het Comité P in het kader van een opsporingsonderzoek onder leiding van de procureur des Konings over feiten die aan de eiser ten laste kunnen worden gelegd, met als doel de waarheid te vinden.
- Krachtens artikel 51 EU-Handvest Grondrechten zijn de bepalingen van die akte gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Hieruit volgt dat de artikelen 47 en 48 EU-Handvest Grondrechten slechts kunnen worden ingeroepen bij de toepassing van het Unierecht, wat hier niet het geval is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De cautieplicht en het recht van de verdachte op bijstand van een advocaat waren nog niet ingevoerd in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering zoals van toepassing ten tijde van de huiszoekingen. Het onderdeel kan geen schending van dat artikel in een destijds niet toepasselijke versie aanvoeren. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verleent aan een persoon die als verdachte van een misdrijf wordt verhoord in de regel het recht op de naleving van de cautieplicht en het recht op bijstand van een raadsman.
- Een verhoor van een verdachte zoals hier bedoeld, is de geleide ondervraging van die verdachte over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd, door een daartoe bevoegde persoon geacteerd in een proces-verbaal in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, met als doel de waarheid te vinden.
- Niet elke dialoog tussen een politieambtenaar en een persoon die wordt verdacht in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek waaraan die politieambtenaar zijn medewerking verleent, is te beschouwen als een dergelijk verhoor. Om dat uit te maken is de rechter niet gebonden door de bewoordingen van het proces-verbaal dat de neerslag van die dialoog bevat. Het gebruik van het woord “verhoor” of van formele uitdrukkingen of kennisgevingen die gewoonlijk in de weergave van een verhoor worden vermeld, is dan ook niet determinerend. Daarentegen moet de rechter in de eerste plaats acht slaan op de werkelijke inhoud en context van de gestelde vragen en afgelegde verklaringen, zoals die blijken uit het proces-verbaal en zo nodig uit andere gegevens van het strafdossier.
- Een gesprek dat beperkt is tot de noodzakelijke dialoog tussen politieambtenaren die met een huiszoeking zijn belast en de persoon bij wie deze onderzoeksmaatregel wordt uitgevoerd, is geen verhoor in de hier bedoelde zin. Het enkele feit dat de politieambtenaren aan die persoon kennis geven van hun hoedanigheid of van het doel van de huiszoeking of dat zij bepaalde tijdstippen zoals deze van het begin en het einde van de onderzoeksmaatregel noteren, volstaat dan ook niet om te besluiten tot het bestaan van een dergelijk verhoor. Hetzelfde geldt voor het enkele feit dat die persoon aan de politieambtenaren zijn identiteit of hoedanigheid ter kennis brengt.
- Geen enkele bepaling vereist dat naar aanleiding van een vraag tot toestemming tot huiszoeking of ter gelegenheid van een huiszoeking of een inbeslagneming, de verdachte wordt bijgestaan door een advocaat of hem de kans wordt geboden zich van de bijstand van een advocaat te verzekeren.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Rekening houdend met de vermelde principes, oordeelt de rechter onaantastbaar in het licht van de gegevens van de zaak of de mededelingen die een persoon doet aan politieambtenaren en de vragen die zij stellen, kunnen worden beschouwd als een verhoor. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Het arrest (p. 58, 63, 67 en 68) oordeelt als volgt: - op 6 en 7 maart 2008 werd een huiszoeking met toestemming uitgevoerd in de woning van de eiser door ambtenaren van het Comité P. Deze begaven zich op 6 maart 2008 naar de woning van de eiser, die hen vrijwillig vergezelde. De onderzoekers startten de huiszoeking in de wapenkamer. Door het groot aantal wapens dat daar aanwezig was, werd de zoeking om 17.40 uur gestopt, werd de wapenkamer verzegeld en werd aan de eiser meegedeeld dat aan de toestand niets mocht worden gewijzigd en dat de zoeking op 7 maart 2008 zou worden verdergezet. Dit werd genoteerd in eisers verklaring in het proces-verbaal nr. 18970/
- Op 7 maart 2008 werd de zoeking om 10.30 uur verdergezet. Deze werd beëindigd om 15.30 uur. Dit werd genoteerd in eisers verklaring in het proces-verbaal nr. 26962/08; - op 20 oktober 2008 werd opnieuw tot een zoeking in de woning van de eiser overgegaan (proces-verbaal nr. 132865/08), terug enkel in de wapenkamer; - de huiszoeking op 7 maart 2008 was een verderzetting van de huiszoeking die op 6 maart 2008 was aangevat in de wapenkamer, die op 6 maart 2008 was verzegeld en waarbij op 6 maart 2008 werd meegedeeld dat, gelet op het groot aantal wapens, de huiszoeking op 7 maart 2008 zou worden verdergezet; - in de processen-verbaal nr. 18970/08 en nr. 26962/08, die op 6 en 7 maart 2008 met betrekking tot de huiszoekingen werden opgesteld, verklaarde de eiser dat hij toestemming verleende om een zoeking te verrichten in zijn woning en aanhorigheden en dat de wapenkamer werd verzegeld. In het proces-verbaal nr. 18970/08 verklaarde hij dat hij ervan op de hoogte werd gebracht dat de zoeking op 7 maart 2008 zou worden verdergezet; - waar in die verhoren geen ondervragingen van de eiser gebeurden, is het niet van belang dat er daarbij geen advocaat aanwezig was. Een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering is immers een gerichte ondervraging betreffende strafbare feiten die kunnen worden ten laste gelegd van een in deze bepaling bedoelde persoon, door een daartoe bevoegde ambtenaar, opgenomen in een proces-verbaal, in het kader van een opsporings¬onderzoek of een gerechtelijk onderzoek, met het doel de waarheid te ontdekken. Een verklaring die enkel betrekking heeft op de verrichtingen van de huiszoeking is niet als een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering te aanzien; - de verklaringen afgelegd op 6 en 7 maart 2008 kunnen niet worden aanzien als ondervragingen. Ook de verklaring op 20 oktober 2008 (proces-verbaal nr. 132866/08) is een verklaring afgenomen in het kader van de huiszoeking met toestemming die toen plaatsvond en kan niet worden aanzien als een ondervraging. Er zijn geen redenen om die verklaringen uit het debat te weren; - op 22 oktober 2008 om 21.55 uur werd de eiser kennis ervan gegeven dat hij van zijn vrijheid was beroofd vanaf 8.30 uur. Hij werd terug in vrijheid gesteld op 23 oktober 2008 om 7.55 uur (proces-verbaal nr. 168873/2008). Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen de verklaringen van de eiser opgenomen in de processen-verbaal nr. 18970/08 van 6 maart 2008, nr. 26962/08 van 7 maart 2008 en nr. 132866/08 van 20 oktober 2008 niet als onwettig bewijs uit het debat te weren. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 420,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120314.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230913.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.23 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div