id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.11 Rolnummer: P.21.0962.N Zaak: A. contra FEDERAAL CENTRUM ANALYSE MIGRATIESTROMEN Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-11-16 Raadplegingen: 1139 - laatst gezien 2026-06-19 01:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Dwaling kan slechts schulduitsluitend zijn als ze onoverkomelijk is, wat betekent dat uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat de persoon die zich op de dwaling beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gehandeld; de rechter beoordeelt in feite of de beklaagde zich in een toestand van onoverkomelijke dwaling bevond
(1); het Hof gaat wel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten kon afleiden dat er sprake is van onoverkomelijke dwaling
(2); de omstandigheid dat de beklaagde voorhoudt dat de draagwijdte van de strafwet niet duidelijk is, levert als zodanig geen onoverkomelijke dwaling op.
(1)Cass. 2 oktober 2018, AR P.17.0854.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.4, AC 2018, nr. 514; Cass. 18 november 2013, AR S.12.0076.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131118.4, AC 2013, nr. 612, met concl. van advocaat-generaal J.M. GENICOT op datum in Pas.; Cass. 28 maart 2012, AR P.11.2083.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.3, AC 2012, nr. 202; Cass. 12 februari 1985, AC 1984-85, 802; Cass. 6 oktober 1952, AC 1953, 35. Zie S. BRAHY, “De l'effet justificatif de l'erreur en droit pénal”, RDP 1976-77, 339-359; C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch strafrecht, Story-Scientia, 1976, II, 401-405; L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco, 1990, nrs. 491-502; M. FAURE, “De onoverkomelijke rechtsdwaling in milieustrafzaken”, RW 1991-92, 937-950; B. DE SMET, “De onoverkomelijke rechtsdwaling als wapen tegen overregulering en artificiële incriminaties”, RW 1992-93, 1288-1295; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, Vol. 2, L'infraction pénale, Brussel, Larcier, 2012, 505-522; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure, 2017, 100-103; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel&Svacina, 2019, 346-354.
(2)Cass. 15 september 2020, AR P.20.0150.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.11, AC 2020, nr. 537; Cass. 6 september 2017, AR P.17.0489.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170906.2, AC 2017, nr. 449, RDPC 2018, 187; Cass. 18 oktober 2016, AR P.14.1969.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.1, AC 2016, nr. 580 . Zie T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit penal, Die Keure, 2019, 179-
- Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Schulduitsluitingsgronden - Rechtsdwaling - Toestand van onoverkomelijke dwaling - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 71 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Schulduitsluitingsgrond - Rechtsdwaling - Toestand van onoverkomelijke dwaling - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 71 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0962.N D A A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pierre Monville, advocaat bij de balie Brussel, tegen FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN MIGRATIESTROMEN, BESCHERMING VAN DE GRONDRECHTEN VAN VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN MENSENHANDEL, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 138, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer over het voldaan zijn aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 71 Strafwetboek voor wat betreft de telastleggingen A, F en G.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 55-57) en met eigen redenen (p. 55-59) oordeelt het arrest onder meer als volgt: - het is geenszins een algemeen verspreid idee in onze samenleving dat souteneurschap wettelijk zou zijn toegelaten in het Belgische strafrecht, wel integendeel. Trouwens, personen die actief zijn in het prostitutiemilieu zijn des te meer op de hoogte van het illegale karakter van het exploiteren van prostitutie; - uit de tapresultaten blijkt dat de beklaagden goed op de hoogte waren van het strafbare karakter van hun handelen en zich goed lieten informeren over hoe zij het strafrechtelijk karakter van hun handelen konden omzeilen: - de beklaagden duwden de prostituees in een nepstatuut, richtten schermvennootschappen op en rekenden op een laks vervolgingsbeleid om straffeloosheid te verzekeren, zodat er geen sprake is van goede trouw of oprechte onwetendheid; - het hof van beroep mag zich niet inlaten met het bestuurlijk en het vervolgingsbeleid en mag dit evenmin beoordelen, terwijl de strafwet die de inbreuken op artikel 380, § 1, 1° en 2°, Strafwetboek bestraft duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar is. Dat er op lokaal niveau een gedoogbeleid zou heersen, is irrelevant, vermits dit niets afdoet aan het strafbare karakter van de inbreuken. Bovendien is de strafwet niet opgeheven omdat ze in onbruik is gegaan; - het hof van beroep kan niet oordelen over het opportuniteitsbeginsel dat is vastgelegd in artikel 28quater, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en op grond waarvan het openbaar ministerie vrij beslist om voor bepaalde feiten of tegen bepaalde personen al dan niet vervolging in te stellen, zodat de eiser zich ten onrechte beroept op de langdurige niet-vervolging door het openbaar ministerie; - ten onrechte houdt de eiser, met verwijzing naar het gedoogbeleid, voor dat er een totaal gebrek aan eenduidige, uniforme en duidelijke wetgeving zou bestaan; - de eiser verwijst ten onrechte naar de richtlijnen van de federale gerechtelijke politie te Doornik, die enkel bedoeld waren om aan de meisjes een sociaal statuut te verschaffen; - de eiser werd in Frankrijk reeds veroordeeld voor het uitbaten van een huis van ontucht en het uitbaten van prostitutie onder verzwarende omstandigheden, waarna hij zijn actieterrein naar België heeft verplaatst; - uit de motivering van het arrest van het Hof van 13 mei 2015 blijkt dat eisers beroep op onoverwinnelijke rechtsdwaling reeds voorheen werd afgewezen en dat de eiser zich bewust was van de draagwijdte van artikel 380 Strafwetboek en het strafrechtelijk laakbare karakter van zijn gedragingen; - de verwijzing naar het vonnis van 19 mei 2008 van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde en het arrest van 19 september 2013 van het hof van beroep te Gent, waarbij de eiser telkens werd vrijgesproken, is niet dienend omdat dit vonnis en arrest betrekking hebben op totaal andere feiten, namelijk inbreuken op het sociaal strafrecht, die zich wellicht anders kunnen hebben voorgedaan dan de feiten zoals in deze zaak. Het hof van beroep kan door andere uitspraken in andere zaken met een andere feitelijke constellatie niet gebonden zijn; - uit de verklaring van de eiser ter rechtszitting van 24 april 2019 voor de eerste rechter blijkt dat hij zeer goed wist dat zijn prostitutieactiviteiten wettelijk verboden waren; - de aangevoerde onoverkomelijke onwetendheid kan niet worden aanvaard, terwijl elk voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst niet zou hebben gedwaald. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder dat het moet antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek: het arrest aanvaardt ten onrechte niet het bestaan van onoverwinnelijke rechtsdwaling bij de eiser als gevolg van de door hem aangevoerde omstandigheden, namelijk het totaal gebrek aan duidelijke wetgeving, de richtlijnen van de federale gerechtelijke politie te Doornik, de evolutie van rechtspraak ingevolge het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 september 2013 en het vonnis van de correctionele rechtbank te Oudenaarde van 19 mei 2008, de langdurige niet-vervolging door het openbaar ministerie van prostitutie en exploitatie ervan en de houding van de bestuurlijke autoriteiten die door de inning van belastingen de prostitutie reguleren en als een bron van fiscale inkomsten beschouwen; aldus heeft de eiser de schulduitsluitingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling gebaseerd op een reeks van precieze, ernstige en eensluidende elementen waaruit ontegensprekelijk blijkt dat de vervolging van de feiten omschreven onder artikel 380, § 1, 1° en 2°, Strafwetboek in onbruik is geraakt wanneer deze feiten niet gepaard gaan met enige vorm van geweld, bedreigingen of misbruik van een bijzonder kwetsbare situatie.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters het bestaan van lokale belastingen op prostitutiehuizen heeft aangevoerd als zelfstandig verweer in het kader van zijn beroep op de toepassing van artikel 71 Strafwetboek. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Dwaling kan slechts schulduitsluitend zijn als ze onoverkomelijk is, wat betekent dat uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat de persoon die zich op de dwaling beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gehandeld. De rechter beoordeelt in feite of de beklaagde zich in een toestand van onoverkomelijke dwaling bevond. Het Hof gaat wel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten kon afleiden dat er sprake is van onoverkomelijke dwaling. De omstandigheid dat de beklaagde voorhoudt dat de draagwijdte van de strafwet niet duidelijk is, levert als zodanig geen onoverkomelijke dwaling op.
- Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, kan het arrest wettig beslissen dat de eiser zich niet kan beroepen op de schulduitsluitingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds oor- deelt het arrest (p. 55, ro 30) dat de feiten van de telastlegging A, omschreven als leidend persoon van een criminele organisatie die zich bezig houdt met inbreuken op artikel 380, § 1, 1°, 2° en 4°, Strafwetboek en mensenhandel met het oog op het laten plegen van de misdrijven bedoeld in de artikelen 379, 380, § 1 en § 4, en 383bis, § 1, 1°, Strafwetboek, bewezen zijn; anderzijds oordeelt het dat de eiser de prostituees niet heeft uitgebuit, zodat de feiten van mensenhandel in het kader van een criminele organisatie (telastlegging C), met de omstandigheid dat van deze activiteiten een gewoonte werd gemaakt (telastlegging D) en met de omstandigheid dat misbruik werd gemaakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin de persoon zich bevond (telastlegging E), niet bewezen zijn (p. 67-68, ro 67-70); een beslissing die tegelijkertijd oordeelt dat een complex van feiten bewezen en nadien niet bewezen is, is tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het is niet tegenstrijdig, eensdeels, bewezen te verklaren dat de eiser het misdrijf heeft gepleegd bestaande in het leiderschap van een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van misdrijven in verband met de exploitatie van prostitutie en met mensenhandel, en, anderdeels, niet bewezen te verklaren dat de eiser zelf de misdrijven heeft gepleegd waarmee de criminele organisatie zich bezighield. Het betreft immers niet dezelfde feiten. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 285,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.018 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.083 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131118.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170906.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230503.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div