id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.12 Rolnummer: P.21.0342.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-11-16 Raadplegingen: 1058 - laatst gezien 2026-06-18 13:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering volgt dat de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen, een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen; de appellant wordt door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en de geïntimeerde kan dadelijk uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren; uit de wetsgeschiedenis volgt tevens dat de appelrechter enkel de door de partijen in hun verzoekschrift of grievenformulier opgeworpen grieven mag onderzoeken, waarbij hij, zo daartoe grond bestaat, in de regel enkel de in artikel 210 Wetboek van Strafvordering bepaalde middelen van openbare orde mag opwerpen binnen zijn saisine zoals die voortvloeit uit die grieven
(1).
(1)Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10, AC 2021, nr. 633; Cass. 29 mei 2019, AR P.18.0636.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.1, AC 2019, nr. 334, JT 2019, 612 noot C. YURT; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0044.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.3, AC 2018, nr. 457; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr.
- Zie S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), Deel 2”, RW 2015-16, 1442-1459; E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 115-132; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 1423-1424; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 1706-
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Verplicht aanvoeren van grieven door de appellant - Doel van het grievenschrift - Ambtshalve aanvoeren van grieven die de openbare orde raken - Redenen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Uit het arrest 67/2019 van het Grondwettelijk Hof van 16 mei 2019 volgt dat wanneer de schuldvraag niet in het verzoekschrift of in het grievenformulier werd aangeduid en een nieuw element opduikt, de appelrechter enkel ambtshalve een middel van openbare orde kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de bij hem aanhangig gemaakte feiten geen misdrijf zijn, als dat element voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: 1° het gegeven is opgedoken na het verstrijken van de beroepstermijn; 2° enkel de appelrechter heeft van dat element kennis kunnen nemen, met uitsluiting van de eerste rechter; 3° het opduiken van het element kon niet worden voorzien, zodat de appellant het niet in eerste aanleg heeft kunnen aanvoeren en daarmee evenmin rekening heeft kunnen houden in het verzoekschrift in hoger beroep of in het grievenformulier en 4° het element blijkt voldoende waarschijnlijk of doorslaggevend te zijn om als grondslag voor een nieuw middel te kunnen dienen dat kan aantonen dat de feiten geen misdrijf zijn
(1); de appelrechter beoordeelt onaantastbaar of het aangevoerde “nieuw element” aan die voorwaarden voldoet; het Hof gaat wel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er al dan niet sprake is van een “nieuw element” in de voormelde zin; uit de enkele omstandigheid dat een bewijselement reeds bestond op het ogenblik van de vaststellingen van de verbalisanten, kan niet worden afgeleid dat de appellant het opduiken van dit element kon voorzien, het in eerste aanleg kon aanvoeren en daarmee rekening kon houden bij het bepalen van de grieven bij toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering; dit laatste zal immers maar het geval zijn wanneer vaststaat dat de appellant uiterlijk tijdens de beroepstermijn op de hoogte was of minstens kon zijn van het bestaan van dat bewijselement.
(1)GwH 16 mei 2019, arrest 67/2019, RW 2019-20, 692, JT 2019, 612, NJW 2019, 888 noot R. VAN HERPE; Cass. 17 maart 2020, AR P.19.1118.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.5, AC 2020, nr. 193; Cass. 29 mei 2019, AR P.18.0636.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.1, AC 2019, nr. 334, JT 2019, 612 noot C. YURT, “Quelque chose de nouveau sous le soleil pénal”. Zie ook S. VAN OVERBEKE, “Het Grondwettelijk Hof en het grievenstelsel in strafzaken: knuppeltjes in het hoenderhok”, RW 2019-20, 683-696; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 1722-
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Hoger beroep van de beklaagde - Ontbreken van een grief over de schuld - Aanbrengen van een nieuw element van na het grievenschrift dat een weerslag heeft op de schuldvraag - Ambtshalve aanvoeren van grieven - Arrest nr. 67/2019 van het Grondwettelijk Hof - Voorwaarden waaraan het ‘nieuw element' moet voldoen als ambtshalve middel van openbare orde - Voorzienbaarheid van het nieuw element door de appellant - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Hoger beroep - Strafzaken (douane en accijnzen inbegrepen) - Hoger beroep van de beklaagde - Ontbreken van een grief over de schuld - Aanbrengen van een nieuw element van na het grievenschrift dat een weerslag heeft op de schuldvraag - Ambtshalve aanvoeren van grieven - Arrest nr. 67/2019 van het Grondwettelijk Hof - Voorwaarden waaraan het ‘nieuw element' moet voldoen als ambtshalve middel van openbare orde - Voorzienbaarheid van het nieuw element door de appellant - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0342.N X M R Y M P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 4 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 210 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat het door de eiser voorgelegde stuk, namelijk een kopie van een verzekeringsovereenkomst voor zijn voertuig, geldig voor de periode van 15 februari 2018 tot 15 februari 2019, geen “nieuw element” inhoudt op grond waarvan ambtshalve een grief over de schuld kan worden opgeworpen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing volgens welke de saisine in hoger beroep moet worden beperkt tot de aangevoerde grieven, die louter betrekking hadden op de bestraffing, niet naar recht; het “nieuw element” betreft niet het loutere bestaan van de verzekeringsovereenkomst, maar wel het fysieke bezit van het desbetreffende document; de eiser, die in het beroepen vonnis schuldig werd verklaard aan het in het verkeer brengen van een niet-verzekerd voertuig op 13 december 2018, kon niet voorzien dat zijn voertuig op dat ogenblik nog steeds verzekerd was en was dan ook in de onmogelijkheid om voor de eerste rechter het bewijs van de verzekeringsovereenkomst voor te leggen.
- Krachtens artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt het verzoekschrift, op straffe van verval van het hoger beroep, nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven, met inbegrip van de procedurele grieven.
- Artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op: - zijn bevoegdheid; - de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt; - het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten”.
- Uit de wetsgeschiedenis van deze bepalingen volgt dat de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen, een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen. De appellant wordt door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en de geïntimeerde kan dadelijk uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren.
- Uit de wetsgeschiedenis volgt tevens dat de appelrechter enkel de door de partijen in hun verzoekschrift of grievenformulier opgeworpen grieven mag onderzoeken, waarbij hij, zo daartoe grond bestaat, in de regel enkel de in artikel 210 Wetboek van Strafvordering bepaalde middelen van openbare orde mag opwerpen binnen zijn saisine zoals die voortvloeit uit die grieven.
- In zijn arrest nr. 67/2019 van 16 mei 2019 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 210 Wetboek van Strafvordering een schending inhoudt van artikel 13 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, in zoverre de appelrechter bij wie de schuldvraag niet aanhangig is, niet ambtshalve een middel van openbare orde kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, wanneer dat een gevolg is van een “nieuw element” dat is opgedoken na de indiening van het verzoekschrift in hoger beroep. Het Grondwettelijk Hof steunt dit oordeel op de volgende motieven: - in geval er een “nieuw element” opduikt waarvan alleen de appelrechter kennis zou kunnen hebben, met uitsluiting van de eerste rechter, en dat een weerslag kan hebben op de schuld, is de onmogelijkheid voor de appelrechter om een middel van openbare orde dat is afgeleid uit het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, in de zin van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering, ambtshalve op te werpen buiten de grieven in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering, omdat de schuldigverklaring in het verzoekschrift in hoger beroep of in het grievenformulier niet is beoogd, onevenredig ten aanzien van het recht op toegang tot de rechter, in zoverre zij het hoger beroep in strafzaken uitholt, terwijl het bij de rechterlijke instantie aanhangig is gemaakt (B.15.1); - die vaststelling geldt in de hypothese van een “nieuw element” wanneer dat “nieuw element” is opgevat als een element dat is opgedoken na de neerlegging van het verzoekschrift in hoger beroep, waarvan alleen de appelrechter kennis zou kunnen hebben met uitsluiting van de eerste rechter, en dat bijgevolg als grondslag zou kunnen dienen voor een nieuw middel, dat in geen geval aan de eerste rechter had kunnen worden voorgelegd en dat het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, zou kunnen aantonen en bijgevolg een weerslag zou kunnen hebben op de schuld, zelfs indien de schuldvraag in het verzoekschrift of in het grievenformulier niet is beoogd. Het onvoorzienbare karakter van dat “nieuw element” belet per definitie dat de appellant daarmee rekening heeft kunnen houden wanneer hij zijn grieven heeft bepaald (B.15.2, eerste alinea); - het feit dat de schuldvraag in het verzoekschrift niet is beoogd, kan ten aanzien van dat “nieuw element”, dat intrinsiek onvoorzienbaar is en dat bijgevolg onmogelijk in eerste aanleg kon worden voorgelegd, niet betekenen dat de appellant ervan zou hebben afgezien zijn schuld te betwisten, noch dat de appelrechter niet ambtshalve kan beslissen dat hij niet schuldig is (B.15.
- tweede alinea).
- Uit het voorgaande volgt dat wanneer de schuldvraag niet in het verzoekschrift of in het grievenformulier werd aangeduid en een nieuw element opduikt, de appelrechter enkel ambtshalve een middel van openbare orde kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de bij hem aanhangig gemaakte feiten geen misdrijf zijn, als dat element voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: - het gegeven is opgedoken na het verstrijken van de beroepstermijn; - enkel de appelrechter heeft van dat element kennis kunnen nemen, met uitslui-ting van de eerste rechter; - het opduiken van het element kon niet worden voorzien, zodat de appellant het niet in eerste aanleg heeft kunnen aanvoeren en daarmee evenmin rekening heeft kunnen houden in het verzoekschrift in hoger beroep of in het grievenformulier; - het element blijkt voldoende waarschijnlijk of doorslaggevend te zijn om als grondslag voor een nieuw middel te kunnen dienen dat kan aantonen dat de feiten geen misdrijf zijn.
- De appelrechter beoordeelt onaantastbaar of het aangevoerde “nieuw element” aan die voorwaarden voldoet. Het Hof gaat wel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er al dan niet sprake is van een “nieuw element” in de voormelde zin.
- Uit de enkele omstandigheid dat een bewijselement reeds bestond op het ogenblik van de vaststellingen van de verbalisanten, kan niet worden afgeleid dat de appellant het opduiken van dit element kon voorzien, het in eerste aanleg kon aanvoeren en daarmee rekening kon houden bij het bepalen van de grieven bij toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Dit laatste zal immers maar het geval zijn wanneer vaststaat dat de appellant uiterlijk tijdens de beroepstermijn op de hoogte was of minstens kon zijn van het bestaan van dat bewijselement.
- Het bestreden vonnis (p. 6-7, nr. 10) oordeelt als volgt: - de eiser legt als “nieuw element” in hoger beroep een kopie voor van een verzekeringsovereenkomst voor zijn voertuig, geldig van 15 februari 2018 tot 15 februari 2019; - dit stuk kan niet worden beschouwd als een nieuw gegeven dat pas is opgedoken na het verstrijken van de beroepstermijn; - indien er daadwerkelijk op datum van de vaststellingen door de verbalisanten een geldige verzekeringsovereenkomst bestond voor het voertuig, dan heeft dit gegeven steeds bestaan en was de eiser in de mogelijkheid om het bewijs daarvan onmiddellijk voor te leggen, in eerste instantie meteen aan de verbalisanten die erom vroegen bij de controle, minstens na een maand teneinde de vrijgave van zijn voertuig te verkrijgen en al zeker op 4 maart 2020, dit is meer dan een jaar na de controle, bij zijn verdediging voor de politierechter; - zelfs indien de eiser het document, om welke reden dan ook, was kwijtgespeeld, was hij ruimschoots in de mogelijkheid om daarvan tijdig een dubbel op te vragen; - het feit dat de eiser in de beroepsprocedure eindelijk een kopie kan voorleggen, maakt van dit stuk nog geen “nieuw element”; - alleszins had de eiser bij het instellen van zijn hoger beroep kunnen weten dat hij zoekende was naar dit stuk zodat hij “de schuld” had moeten aankruisen op het grievenformulier indien hij beoogde dat de appelrechters daarover uitspraak zouden doen; - het stilzitten van de eiser bij de voorbereiding van zijn verdediging, terwijl hij meermaals de gelegenheid heeft gehad (een duplicaat van) zijn verzekeringsbewijs voor te leggen, kan niet leiden tot een uitbreiding van de saisine in hoger beroep.
- De appelrechters stellen niet vast dat de eiser er zich reeds vóór het verstrijken van de beroepstermijn van bewust was of moest zijn dat zijn voertuig op de datum van de telastlegging verzekerd was. Uit de voormelde redenen blijkt integendeel dat het oordeel van de appelrechters dat de door de eiser voorgelegde kopie van de verzekeringsovereenkomst niet kan worden beschouwd als een “nieuw element” dat het opwerpen rechtvaardigt van een ambtshalve middel betreffende het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn, is gebaseerd op de enkele omstandigheid dat die verzekeringsovereenkomst reeds bestond op het ogenblik van de vaststellingen van de verbalisanten. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven kunnen niet leiden tot een ruimere cassatie of tot een cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre het oordeelt over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 187,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div