← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.15 Rolnummer: P.21.1290.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-11-16 Raadplegingen: 833 - laatst gezien 2026-06-19 00:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche Krachtens artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering kunnen de in Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, waarbij die tegenaanwijzingen betrekking hebben op 1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde, 2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen, 4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid, 5° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij is veroordeeld; uit die bepaling volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank zich dient uit te spreken over het toekennen van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit op basis van de gegevens die beschikbaar zijn op het ogenblik van de behandeling van de zaak en die aan de tegenspraak van de partijen zijn onderworpen

(1); niet naar recht verantwoord is bijgevolg de afwijzing van een strafuitvoeringsmodaliteit op basis van veroordeling bij verstek waarvan geen afschrift aan het dossier is gevoegd.
(1)Cass. 5 maart 2019, AR P.19.0138.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.4, AC 2019, nr. 142; Cass. 15 oktober 2013, AR P.13.1575.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131015.8, AC 2013, nr. 524; Cass. 13 september 2011, AR P.11.1510.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110913.6, AC 2011, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Modaliteit van strafuitvoering - Beoordeling van tegenaanwijzingen - Recidivegevaar - Beschikbare gegevens in het strafdossier - Recht op tegenspraak Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1290.N G D, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, van 4 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering: het oordeel dat de in uitvoering zijnde veroordelingen onder meer betrekking hebben op een vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 27 april 2020 waarbij de eiser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens het besturen van een motorvoertuig spijts verval, is niet naar recht verantwoord; na te hebben vastgesteld dat dit vonnis van 27 april 2020 zich niet in het strafdossier bevindt en na het openbaar ministerie te hebben uitgenodigd een afschrift van dit vonnis bij te brengen maar zonder dienaangaande het debat te heropenen, kon de strafuitvoeringsrechtbank de beslissing tot het afwijzen van de strafuitvoeringsmodaliteiten niet baseren op dit vonnis.
  4. Krachtens artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering kunnen de in Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, waarbij die tegenaanwijzingen betrekking hebben op 1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde, 2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen, 4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid, 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij is veroordeeld.
  5. Uit die bepaling volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank zich dient uit te spreken over het toekennen van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit op basis van de gegevens die beschikbaar zijn op het ogenblik van de behandeling van de zaak en die aan de tegenspraak van de partijen zijn onderworpen.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de strafuitvoeringsrechtbank op de rechtszitting van 25 mei 2021 de zaak op vraag van de eiser heeft uitgesteld naar de rechtszitting van 21 september 2021 teneinde het resultaat af te wachten van de verzetsprocedure tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 27 april
  7. Het vonnis (p. 3-4, nr. 2.1) stelt vast dat er tegen de eiser vier vrijheidsberovende titels in uitvoering zijn, waarbij de eiser werd veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van een jaar (vonnis van de correctionele rechtbank Leuven van 10 september 2019); - een gevangenisstraf van veertig maanden (arrest van het hof van beroep Antwerpen van 15 november 2019); - een gevangenisstraf van zeven maanden, deels met uitstel van tenuitvoerlegging dat werd herroepen ingevolge het voormelde arrest van 15 november 2019 (vonnis van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 28 oktober 2011); - een gevangenisstraf van twee jaar (vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 27 april 2020). De strafuitvoeringsrechtbank stelt ook vast (vonnis p. 4, vierde alinea) dat het dossier geen afschrift bevat van het vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 27 april 2020, dat volgens de opsluitingsfiche betrekking zou hebben op het “sturen tijdens verval”, en nodigt het openbaar ministerie uit om dit vonnis bij te brengen.
  8. De strafuitvoeringsrechtbank wijst eisers verzoek tot het toekennen van straf¬uitvoeringsmodaliteiten af en oordeelt dat de eiser een nieuw verzoek tot beperkte detentie kan indienen vanaf 21 maart 2022 en een nieuw verzoek tot elektronisch toezicht vanaf 21 juni
  9. Bij de beoordeling van de tegenaanwijzingen voor het toekennen van strafuitvoeringsmodaliteiten houdt het vonnis (p. 6-7, nr. 2.4) onder meer rekening met het gegeven dat de eiser bij vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 27 april 2020 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens het rijden tijdens een verval van het recht tot sturen, wat volgens de strafuitvoeringsrechtbank aantoont dat de eiser spijts veroordelingen wegens verkeersinbreuken verder misdrijven op dit vlak bleef plegen. Aldus houdt de strafuitvoeringsrechtbank rekening met een stuk dat zich niet in het strafdossier bevond en dat niet aan de tegenspraak van de partijen is onderworpen. Het middel is in zoverre gegrond. Overige middelen
  10. De middelen behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110913.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131015.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.