← België

M. contra WoninGent C.V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Vrije woorden: Recht op privacy - Vlaamse Wooncode - Sociale woning - Vereiste van bewoning - Hoofdverblijfplaats van de bewoner - Controle op effectieve woonst - Toelaatbaarheid van de controle Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: HUISVESTING Vrije woorden: Vlaamse Wooncode - Recht op privacy - Sociale woning - Vereiste van bewoning - Hoofdverblijfplaats - Begrippen - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 7 - 10 De rechtstoestand van hij die tegen een voordelige huurprijs een met overheidsmiddelen gebouwde sociale woning kan huren, is niet vergelijkbaar met die van een huurder die huurt op de private huurmarkt; het verschil in behandeling houdt dan ook geen miskenning in van het gelijkheidsbeginsel. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 14 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Vlaamse Wooncode - Sociale woning - Vereiste van bewoning - Hoofdverblijfplaats van de bewoner - Controle op effectieve woonst - Vergelijking met een huurder op de private markt - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 14

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Vlaamse Wooncode - Sociale woning - Vereiste van bewoning - Hoofdverblijfplaats van de bewoner - Controle op effectieve woonst - Vergelijking met een huurder op de private markt - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 14

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Verbod op discriminatie - Vlaamse Wooncode - Sociale woning - Vereiste van bewoning - Hoofdverblijfplaats van de bewoner - Controle op effectieve woonst - Vergelijking met een huurder op de private markt - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 14

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: HUISVESTING Vrije woorden: Vlaamse Wooncode - Sociale woning - Vereiste van bewoning - Hoofdverblijfplaats van de bewoner - Controle op effectieve woonst - Vergelijking met een huurder op de private markt - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 14

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0804.N Q R M M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Laurent Van De Keere, advocaat bij de balie Gent, tegen WONINGENT cv, met zetel te 9000 Gent, Lange Steenstraat 54, die woonplaats kiest te 9000 Gent, Kikvorsstraat 113, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Carmenta Decordier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
  2. Overeenkomstig artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering wordt de memorie van de eiser per aangetekende brief ter kennis gebracht van de partij zelf waartegen het cassatieberoep is gericht. Het bewijs van verzending per aangetekende brief wordt ter griffie neergelegd binnen de door het eerste tot derde lid bedoelde termijnen. Deze vormvereisten zijn voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn memorie per aangetekende brief heeft ter kennis gebracht van de verweerster zelf. In zoverre gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, is de memorie niet ontvankelijk.
  4. Het vierde middel van de eiser dat enkel betrekking heeft op de beslissing over de burgerrechtelijke rechtsvordering, behoeft dan ook geen antwoord. Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  5. Uit artikel 429, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de verweerder in cassatie zijn memorie moet toezenden aan de eiser zelf en het bewijs van aangetekende zending moet neerleggen ten minste acht vrije dagen vóór de rechtszitting, dit alles op straffe van onontvankelijkheid van de memorie van antwoord.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster haar memorie van antwoord heeft ter kennis gebracht van de eiser zelf. De memorie van antwoord is niet ontvankelijk. Eerste middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2, § 1, 10°, 92, § 3, 2° en 102bis, § 9, 1°, Vlaamse Wooncode, thans de artikelen 6.20, eerste lid, 1°, en 6.52 Vlaamse Codex Wonen van 2021, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest stelt niet vast wat het precies bedoelt met het begrip “bewonen”; onder het begrip “hebben van zijn hoofdverblijfplaats” moet worden begrepen het effectief en gewoonlijk verblijven; door op basis van de vaststellingen die het arrest bevat, te oordelen dat de eiser zijn sociale huurwoning niet bewoonde maar die enkel gebruikte voor zijn dierenartspraktijk en de feiten bewezen te verklaren, zonder de vaststelling dat hij in de door hem gehuurde sociale woning niet effectief en gewoonlijk verbleef, is de beslissing niet naar recht verantwoord, minstens maakt het arrest het onmogelijk na te gaan of het materieel bestanddeel van het misdrijf werd vastgesteld.
  8. Artikel 92, § 3, 1°, Vlaamse Wooncode, thans artikel 6.20, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Wonen van 2021, bepaalt dat de huurder van een sociale woning de verplichting moet naleven in de sociale huurwoning zijn hoofdverblijfplaats te hebben en er gedomicilieerd te zijn. Artikel 102bis, § 9, 1°, Vlaamse Wooncode bestraft met de erin bepaalde gevangenisstraf, werkstraf of geldboete hij die de verplichtingen van artikel 92, § 3, 1°, Vlaamse Wooncode niet nakomt. Artikel 6.52 Vlaamse Codex Wonen van 2021 heeft een gelijkaardige inhoud.
  9. Artikel 2, § 1, 10°, Vlaamse Wooncode bepaalt dat voor de toepassing van de Vlaamse Wooncode de hoofdverblijfplaats de woning is waar een gezin of een alleenstaande effectief en gewoonlijk verblijft. Artikel 1.3, § 1, 21°, Vlaamse Codex Wonen van 2021 heeft dezelfde inhoud.
  10. De rechter oordeelt onaantastbaar op basis van de gegevens van het strafdossier en de hem overgelegde gegevens of de huurder van een sociale woning zijn hoofdverblijfplaats heeft in de door hem gehuurde sociale woning, dit wil zeggen dat hij er effectief en gewoonlijk verblijft. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - het wordt niet betwist dat de dierenartspraktijk van de eiser was gevestigd in de gehuurde sociale woning; - uit de op 9 januari 2019 uitgevoerde huiszoeking op het adres van die woning en de daarbij gevoegde foto’s, blijkt het volgende: ? de gang is ingericht als wachtzaaltje en de woonkamer als dierenartspraktijk; ? in de keuken zijn twee koelkasten aanwezig, een met medicatie en een met wat dranken, boter en smeerkaas; ? er is geen kookvuur aanwezig en de afzuigkap is volledig afgeplakt; ? er is geen vaat noch zijn er sporen van het recent bereiden van etenswaren; ? er is geen vuilbak met huishoudelijk afval, noch zijn er fruit, groenten of aardappelen, alleen een kleine voorraad melk, conserven en niet-bederfbare etenswaren; er zijn geen grijze container of plastieken zakken voor restafval; ? gans de eerste verdieping is vuil en op de slaapkamers is er wanorde; ? een van de slaapkamers is ingericht als berging; ? in de badkamer ligt er toiletgerei en hangt een natte handdoek boven het bad; ? er is geen wasmachine, droogkast, droogrek of wasmand met vuile was; - de aanwezige goederen en de beperkte proviand wijzen erop dat de woning dienst doet als dierenartspraktijk en niet als woning; - dat de woning niet leegstaand is, staat het voormeld bewijs niet in de weg; - zo kunnen zowel de voedingswaren als de natte handdoek worden verklaard in het kader van de werkzaamheden van de eiser als dierenarts; - in een vuilbak zou volgens de eiser trouwens een teelbal van een kat zijn gedeponeerd; - de eiser was op het moment van de huiszoeking op het adres van R.B.N. ook aanwezig in dit appartement en volgens de vaststelling van de verbalisant was hij nog maar net wakker geworden, wat aantoont dat hij daar de nacht had doorgebracht; - in de kamer waar de eiser buiten kwam, stond een tweepersoonsbed en een kleerkast; - naast het bed lag een stapel herenkleren, zoals hemden en broeken; - in de badkamer vond men vier tandenborstels, hingen vier badhanddoeken te drogen en hingen er vier badjassen; - dit alles wijst er op dat de eiser op dit adres verbleef; - ook van een buur vernam de politie dat de eiser er permanent zou wonen; - op het adres van R.B.N. in de Verpleegsterstraat waren er in de periode 2015-2018 verscheidene politietussenkomsten waarbij de eiser betrokken was, waaruit blijkt dat hij veel op dit adres te vinden was, niettegenstaande de beweerde relatiebreuk; - uit een van die politionele tussenkomsten blijkt dat buren klaagden dat de eiser hen al meer dan een jaar pestte, alsook dat de eiser meermaals moeilijkheden had met huurders van de Airbnb die ook in het pand was gevestigd; - uit nog een andere tussenkomst blijkt dat de eiser alleen in de woning was met zijn twee kinderen terwijl R.B.N. op reis was; - dit alles ondersteunt de voormelde vaststelling dat de eiser in werkelijkheid op het adres van R.B.N. verbleef; - uit verschillende krantenartikelen blijkt dat de eiser zich tijdens de incriminatieperiode profileerde als een bewoner van de Verpleegsterstraat; - uit het buurtonderzoek blijkt dat er niemand zou woonachtig zijn op het adres van de sociale huurwoning; - dat uit het strafdossier niet zou blijken hoeveel dagen of nachten de eiser precies in de sociale huurwoning verbleef, doet niets af aan de voormelde elementen; - de verklaring van de eiser dat het contact met R.B.N. louter beperkt is in functie van de zorg voor hun kinderen van respectievelijk 15 en 17 jaar oud en dat zij geen relatie hebben, is ongeloofwaardig; - de door de eiser overgelegde verklaringen doen aan de voormelde vaststellingen geen afbreuk. Op grond van die redenen, die het Hof niet beletten zijn wettigheidtoezicht uit te oefenen, kan het arrest wettig oordelen dat de eiser zijn sociale huurwoning niet bewoonde maar enkel gebruikte voor zijn dierenartsenpraktijk en dat hij in werkelijkheid verbleef op het adres van R.B.N., Verpleegstersstraat 95/2, waarmee het te kennen geeft dat de eiser niet effectief en gewoonlijk verbleef in de door hem gehuurde sociale woning. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet of onvoldoende eisers verweer dat hij de woning tijdens de incriminatieperiode wel degelijk ook heeft gebruikt als gezinswoning (eerste onderdeel); het arrest beantwoordt niet eisers verweer betreffende het resultaat van het door de politie uitgevoerde buurtonderzoek en meer bepaald de overgelegde verklaringen die dit verweer ondersteunen (tweede onderdeel); het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de politie nooit heeft vastgesteld dat hij niet in de bedoelde woning zou wonen, niettegenstaande zijn inschrijvingsadres daar reeds jaren is gevestigd en meerdere politionele tussenkomsten (derde onderdeel); het arrest beantwoordt niet eisers aanvoering dat niet is aangetoond dat het nutsverbruik niet overeenstemt met een normaal verbruik (vierde onderdeel); het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat het feit dat de eiser slechts af en toe verbleef in de woning van zijn partner niet belet dat hij nog gewoonlijk en effectief verbleef in de sociale huurwoning (vijfde onderdeel).
  13. De rechter moet enkel antwoorden op een regelmatig ingediende conclusie. Hij moet niet antwoorden op aan hem overgelegde stukken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Met de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters de door het middel bedoelde verweren, zonder dat zij dienen te antwoorden op ieder argument dat tot staving van die verweren wordt aangevoerd, zonder evenwel zelf een zelfstandig verweer te vormen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  15. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, alsmede miskenning van het recht op persoonlijke vrijheid en eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven en het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel: het arrest schendt deze verdragsbepalingen en miskent deze rechten door bij de beoordeling van de feiten in het licht van onder meer de resultaten van de uitgevoerde huiszoeking en door de schuldigverklaring van de eiser in wezen kritiek te uiten op de manier waarop de eiser verblijft in de sociale huurwoning; het gelijkheidsbeginsel wordt miskend doordat een dergelijke beoordeling enkel mogelijk is in het kader van sociale woninghuur en niet bij een gewone huur en dus enkel betreffende personen met beperkte financiële middelen; met het oordeel dat op basis van de samenhangende en met elkaar overeenstemmende gegevens de feiten bewezen zijn, kan niet met zekerheid worden vastgesteld of ook zonder de hierboven vermelde motieven de feiten eveneens zouden worden bewezen verklaard; het is niet duidelijk welke gegevens van doorslaggevende aard zijn.
  16. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  17. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen.
  18. De rechter die op basis van feitelijke gegevens vaststelt dat de huurder van een sociale huurwoning niet effectief en gewoonlijk verblijft in die woning, maar wel in een andere woning, miskent niet het recht op persoonlijke vrijheid en op de eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven van de betrokkene.
  19. De rechtstoestand van hij die tegen een voordelige huurprijs een met overheidsmiddelen gebouwde sociale woning kan huren, is niet vergelijkbaar met die van een huurder die huurt op de private huurmarkt. Het verschil in behandeling houdt dan ook geen miskenning in van het gelijkheidsbeginsel.
  20. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.