← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.3 Rolnummer: P.21.0894.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-11-16 Raadplegingen: 977 - laatst gezien 2026-06-19 02:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 67ter, vierde lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt ertoe gehouden zijn de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan de door artikel 67ter, eerste tot derde lid, Wegverkeerswet voorgeschreven verplichtingen

(1); daaruit volgt dat ook indien de vraag om inlichtingen of het mondeling verzoek naar de identiteit van de onmiskenbare bestuurder van een motorvoertuig waarmee een overtreding is begaan of naar de verantwoordelijke voor dit voertuig, slechts geruime tijd na de overtreding wordt geformuleerd, de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt in staat moeten zijn aan die verplichting te voldoen; dit houdt geen schending in van deze bepaling van de Wegverkeerswet of een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld.
(1)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.1123.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.5, AC 2020, nr.
  1. Zie alg. Ph. TRAEST, Topics verkeers(straf)recht, Intersentia, 2020, 14-
  2. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Verkeersovertreding die is begaan met een voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Vraag om inlichtingen over de bestuurder van het voertuig - Verhoor van de persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt - Tijdspanne tussen de overtreding en het verhoor van die persoon - Het in staat zijn te voldoen aan de wettelijke informatieverplichting - Vermoeden van onschuld - Grens Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Wegverkeerswet - Artikel 67ter - Verkeersovertreding die is begaan met een voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon - Vraag om inlichtingen over de bestuurder van het voertuig - Verhoor van de persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt - Tijdspanne tussen de overtreding en het verhoor van die persoon - Het in staat zijn te voldoen aan de wettelijke informatieverplichting Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0894.N M A A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joost Van Damme, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 17 mei
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd wat betreft de telastlegging B; het verklaart enerzijds de eiser schuldig aan het nalaten de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan de verplichting de identiteit mee te delen van de onmiskenbare bestuurder van het voertuig met de vermelde nummerplaat op 23 december 2018 om 09.08 uur en dit binnen de vijftien dagen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd; het overweegt anderzijds dat de eiser niet wordt ten laste gelegd dat hij niet binnen de vijftien dagen na de verzending van de vraag om inlichtingen op 3 januari 2019 de identiteit van de onmiskenbare bestuurder heeft meegedeeld, maar wel dat hij dit niet deed binnen de vijftien dagen na zijn verhoor hierover op 3 december
  5. Het is niet tegenstrijdig te oordelen dat de eiser voor wat betreft de telastlegging B niet wordt vervolgd om nagelaten te hebben als reactie op het op 3 januari 2019 toegestuurde antwoordformulier met betrekking tot de op 23 december 2018 vastgestelde overtreding met het kwestieuze voertuig de identiteit van de onmiskenbare bestuurder mee te delen, maar wel de eiser schuldig te verklaren aan de op 19 december 2019 gesitueerde inbreuk op de artikelen 67ter, eerste, tweede en vierde lid, Wegverkeerswet omdat hij na zijn verhoor op 3 december 2019 heeft nagelaten binnen de vijftien dagen de identiteit mee te delen van de onmiskenbare bestuurder van het voertuig op 23 december
  6. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis antwoordt niet op het in het grievenschrift ontwikkelde middel dat de eiser de vraag om inlichtingen van 3 januari 2019 niet heeft ontvangen omdat deze ofwel verloren is gegaan ofwel niet werd verstuurd en het deze feitelijke vaststelling die constitutief is voor het misdrijf niet beoordeelt.
  8. Gelet op het oordeel dat de eiser niet wordt vervolgd voor het niet reageren op de op 3 januari 2019 verstuurde vraag om inlichtingen, dienden de appelrechters niet te antwoorden op het doelloos verweer betreffende het niet-ontvangen hebben van die vraag om inlichtingen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat bij gebrek aan mededeling in de zin van artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet vóór 19 januari 2019 het politioneel verhoor van de eiser als verantwoordelijke natuurlijke persoon gelijk staat met een vraag om inlichtingen zoals bedoeld in die wetsbepaling.
  10. Artikel 67ter, eerste tot en met vierde lid, Wegverkeerswet bepaalt: “Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, zijn de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen. De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd. De Koning kan de formaliteiten bepalen die gevolgd dienen te worden bij de overmaking van de identiteit. Indien de persoon die verantwoordelijk is voor (het) voertuig niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de identiteit van de onmiskenbare bestuurder meedelen. De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, zijn ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen.”
  11. Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat: - de verplichting voor de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder of van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig ingeschreven op naam van die rechtspersoon en waarmee een overtreding op de Wegverkeerswet of haar uitvoeringsbesluiten werd begaan, mee te delen, voortvloeit uit de wet, namelijk uit artikel 67ter Wegverkeerswet dat elkeen geacht is te kennen; - die verplichting niet voortvloeit uit een bericht daarover in het opgestuurde antwoordformulier, ook al heeft het ontvangen van dit formulier voor gevolg dat daaraan gevolg moet worden gegeven zoals vereist bij de voormelde wetsbepaling; - de vraag om inlichtingen als bedoeld in van artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten; - de verplichting de gevraagde informatie te verstrekken ook bestaat indien de vraag niet schriftelijk is gesteld, maar enkel mondeling zoals in de vorm van een verhoor; - in dat geval de termijn van vijftien dagen om de gegevens te bezorgen een aanvang neemt vanaf de datum van het verhoor. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging B zonder de vaststelling dat het verzoek om inlichtingen ook daadwerkelijk werd verstuurd en kon worden ontvangen; die beslissing is bijgevolg niet naar recht verantwoord.
  13. Het onderdeel dat is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 67ter Wegverkeerswet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis miskent het vermoeden van onschuld door de eiser schuldig te verklaren aan de telastlegging B op grond van de loutere en betwiste veronderstelling dat het aan de eiser is gelegen dat hij niet op de eerste vraag tot inlichtingen is ingegaan en te verlangen dat de eiser een jaar na de feiten, voor het eerst geconfronteerd met een vraag om inlichtingen, de gevraagde informatie kan meedelen.
  15. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  16. Artikel 67ter, vierde lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt ertoe gehouden zijn de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan de door artikel 67ter, eerste tot derde lid, Wegverkeerswet voorgeschreven verplichtingen. Daaruit volgt dat ook indien de vraag om inlichtingen of het mondeling verzoek naar de identiteit van de onmiskenbare bestuurder van een motorvoertuig waarmee een overtreding is begaan of naar de verantwoordelijke voor dit voertuig, slechts geruime tijd na de overtreding wordt geformuleerd, de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt in staat moeten zijn aan die verplichting te voldoen. Dit houdt geen schending in van deze bepaling van de Wegverkeerswet of een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
  17. Artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (hierna het Fonds) bepaalt: “Behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand wordt iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds.” Het derde lid bepaalt: “Het rechtscollege vereffent het bedrag van de bijdrage aan het Fonds in de eindbeslissing die in de kosten verwijst.”
  18. Uit deze bepaling volgt dat de verplichting voor een strafgerecht dat een beklaagde heeft veroordeeld bovendien ook nog te veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds niet geldt per aanleg. Noch uit de tekst van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan kan worden afgeleid dat het appelgerecht dat een beroepen beslissing bevestigt dat een beklaagde heeft veroordeeld en hem tevens heeft verplicht tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds, hem voor de procedure in hoger beroep nogmaals zou kunnen of moeten veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds.
  19. Het bestreden vonnis dat het beroepen vonnis, behoudens het verlenen van uitstel van tenuitvoerlegging van de helft van de geldboete opgelegd voor de telastlegging B, bevestigt in al zijn bestreden beschikkingen en dus ook wat betreft de veroordeling tot betaling van een bijdrage van 20,00 euro aan het Fonds en dat de eiser voor de procedure in hoger beroep nogmaals veroordeelt tot betaling van een bijdrage van 20,00 euro aan het Fonds, schendt de vermelde bepaling. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser voor de procedure in hoger beroep veroordeelt tot een bijdrage van 20,00 euro aan het Fonds. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten in het geheel op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.8 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.