← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 38

, § 2bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 2 - 3 Een beklaagde die met verwijzing naar zijn werksituatie om een weekendverval verzoekt, moet rekening houden met de mogelijkheid dat de rechter bij afwezigheid van stavende stukken betreffende die werksituatie dit verzoek op die grond afwijst; dat is een gegeven dat tot het debat behoort; de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces verplichten de rechter niet om, indien een beklaagde een dergelijk verzoek formuleert zonder overlegging van stavende stukken, de behandeling van de zaak uit te stellen zodat de beklaagde alsnog de gelegenheid krijgt dergelijke stukken over te leggen. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Artikel 38, § 2bis - Rijverbod tijdens het weekend of een feestdag - Beroepssituatie van de overtreder - Ontbreken van stukken over die beroepssituatie - Vraag tot uitstel van de zaak - Beoordeling van het uitstel Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit

Art. 38

, § 2bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Wegverkeerswet - Artikel 38, § 2bis - Rijverbod tijdens het weekend of een feestdag - Beroepssituatie van de overtreder - Ontbreken van stukken over die beroepssituatie - Vraag tot uitstel van de zaak - Beoordeling van het uitstel Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit

Art. 38, § 2bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.0984.N D H B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Geert Ampe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 38, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 18 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 38, § 2bis, Wegverkeerswet: de afwijzing door het bestreden vonnis van eisers verzoek om een weekendverval kan niet worden verantwoord door de vaststelling dat geen stukken worden overgelegd; het bestreden vonnis voegt aldus een niet door de wet bepaalde voorwaarde voor een weekendverval toe; de eiser is een zelfstandig aannemer, zodat niet valt in te zien welke stukken de appelrechters zouden willen overgelegd zien; het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verzoek om een weekendverval; het bestreden vonnis is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.
  3. Artikel 38, § 2bis, Wegverkeerswet bepaalt dat de rechter kan bevelen dat het effectief verval van het recht tot sturen enkel zal worden uitgevoerd van vrijdag om 20 uur tot zondag om 20 uur en vanaf 20 uur op de vooravond van een feestdag tot 20 uur van die feestdag. De rechter oordeelt in het licht van de omstandigheden van de zaak en de persoonlijkheid van de beklaagde of die uitvoeringsmodaliteit van de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen kan worden toegekend.
  4. Artikel 38, § 2bis, Wegverkeerswet verzet zich niet ertegen dat de rechter een met verwijzing naar de beroepssituatie van een beklaagde geformuleerd verzoek om een weekendverval afwijst omdat met betrekking tot die beroepssituatie geen stavende stukken worden overgelegd.
  5. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  6. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser om een weekendverval heeft gevraagd omwille van zijn werk. Het wijst dit verzoek af omdat hij dienaangaande geen stukken voorlegt. Aldus beantwoordt het bestreden vonnis dit verzoek en is die beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: de appelrechters hebben voor het eerst in het eindvonnis het niet-overleggen van stukken vastgesteld, zonder dat ze de eiser de gelegenheid hebben gegeven om alsnog stukken over te leggen; het bestreden vonnis is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord.
  8. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de tegenspraak dat te onderscheiden is van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging of het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  9. Een beklaagde die met verwijzing naar zijn werksituatie om een weekendverval verzoekt, moet rekening houden met de mogelijkheid dat de rechter bij afwezigheid van stavende stukken betreffende die werksituatie dit verzoek op die grond afwijst. Dat is een gegeven dat tot het debat behoort. De algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces verplichten de rechter niet om, indien een beklaagde een dergelijk verzoek formuleert zonder overlegging van stavende stukken, de behandeling van de zaak uit te stellen zodat de beklaagde alsnog de gelegenheid krijgt dergelijke stukken over te leggen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.