id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en redenen van de beschuldiging - Dagvaarding - Incriminatieperiode - Omschrijving van een bepaalde dag ‘tot heden' - Bepaling van het eindpunt van de incriminatieperiode - Beoordeling door de feitenrechter - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Dagvaarding - Incriminatieperiode - Omschrijving van een bepaalde dag ‘tot heden' - Bepaling van het eindpunt van de incriminatieperiode - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0970.N S D, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Sander Van Hulle, advocaat bij de balie Brussel, tegen F N-E-D, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 juni
- De eiseres werd bij beschikking van het Bureau voor Rechtsbijstand van het Hof van 26 augustus 2021 toegelaten tot de kosteloze rechtspleging ten einde een deurwaarder aan te stellen voor de betekening van haar cassatieberoep. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest heromschrijft ten onrechte de incriminatieperiode van “in de periode van 7 september 2016 tot en met heden” in “in de periode van 7 september 2016 tot en met 2 januari 2020”; het arrest kon “heden” niet vervangen door 2 januari 2020, dit is de datum waarop de dagvaarding werd betekend aan de eiser, maar had “heden” moeten vervangen door 3 december 2019, dit is de datum van het bevel tot dagvaarding.
- Artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het staat aan het vonnisgerecht om indien in een dagvaarding, welke geldt als akte van aanhangigmaking van de strafvordering bij het vonnisgerecht, een incriminatieperiode als einddatum “heden” vermeldt, op basis van die akte van aanhangigmaking en de eraan ten grondslag liggende stukken van het strafdossier die einddatum te bepalen.
- Uit geen enkele bepaling volgt dat het vonnisgerecht in een dergelijk geval als einddatum van de incriminatieperiode noodzakelijk de datum van het bevel tot dagvaarding moet aannemen.
- Het Hof gaat wel na of het vonnisgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De eiseres wordt vervolgd voor de ontvoering als moeder van haar twee minderjarige kinderen met de omstandigheid dat zij hen onrechtmatig buiten het grondgebied van het Rijk heeft vastgehouden en dat zij hen meer dan vijf dagen heeft verborgen gehouden voor degene die het recht had hen op te eisen.
- Het arrest oordeelt betreffende de einddatum van de incriminatieperiode als volgt: - de einddatum van de incriminatieperiode moet worden gepreciseerd; - er moet worden rekening gehouden met de omvang van de saisine van de fei¬tenrechter die nooit meer feiten kan omvatten dan de feiten die dateren van vóór de datum waarop de zaak bij de strafrechter aanhangig is gemaakt; - de dagvaarding werd op 2 januari 2020 betekend aan de eiseres, zodat de einddatum van de incriminatieperiode in die zin wordt heromschreven; - met deze heromschrijving worden dezelfde feiten bedoeld als in de oorspronkelijke telastlegging. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de incriminatieperiode wordt heromschreven van “in de periode van 7 september 2016 tot en met heden” in “in de periode van 7 september 2016 tot en met 2 januari 2020”. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds het beroepen vonnis te bevestigen en anderzijds de incriminatieperiode van de telastlegging te wijzigen.
- Het arrest heromschrijft de incriminatieperiode van de telastlegging als volgt: “in de periode van 7 september 2016 tot en met 2 januari 2020”. Het bevestigt vervolgens het beroepen vonnis, mits de enkele wijzigingen dat de eiseres niet wordt veroordeeld tot betaling van een bijdrage van 20,00 euro aan het Begrotingsfonds en wel wordt veroordeeld tot betaling van een vaste vergoeding van 50,00 euro. Daaruit volgt niet dat het arrest de door het beroepen vonnis aangenomen incriminatieperiode overneemt. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat bijgevolg niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat de eiseres op grond van een sepotbeslissing dan wel buitenvervolgingstelling definitief behoorde te weten dat er geen objectieve verantwoording bestond om de contacten tussen de verweerder en de kinderen op te schorten, miskent het arrest de bewijskracht van de sepotbeslissing en de beslissing tot buitenvervolgingstelling; uit een sepotbeslissing en een beslissing tot buitenvervolgingstelling kan immers niet worden afgeleid dat de eiseres wist dat er geen enkele objectieve verantwoording bestond.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij uitdrukkelijk verwijst naar een geschrift en aan dit geschrift een vermelding toeschrijft die niet erin voorkomt dan wel verklaart dat het geschrift een vermelding niet bevat, die wel erin voorkomt, of met andere woorden indien hij van het geschrift een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en dus het geschrift doet liegen.
- Het arrest geeft van de door het middel bedoelde stukken geen uitlegging, maar leidt er louter een gevolg uit af. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 2, 3 en 8 EVRM: het arrest veroordeelt de eiseres tot straf alhoewel ze enkel haar kinderen wilde beschermen; door die veroordeling wordt de eiseres de facto verplicht de kinderen naar de verweerder te brengen, wat een gevaar inhoudt voor hun fysieke integriteit.
- Het middel dat formeel verdragsrechtelijke schendingen aanvoert, maar in werkelijkheid geheel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter, is niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek: niettegenstaande de verweerder geen verhoging heeft gevraagd van het minimumbedrag van 600,00 euro naar 650,00 euro, bepaalt het arrest het bedrag van de door de eiseres voor de procedure in hoger beroep verschuldigde rechtsplegingsvergoeding op 650,00 euro.
- Uit de appelconclusie van de verweerder blijkt dat hij de veroordeling van de eiseres heeft gevorderd tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep van 1.080,00 euro. Aldus blijkt dat het arrest de eiseres niet veroordeelt tot een hoger bedrag dan door de verweerder werd gevorderd. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div