← België

D. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.12 Rolnummer: P.20.1152.N Zaak: D. contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-11-23 Raadplegingen: 994 - laatst gezien 2026-06-19 02:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een verzoek tot herziening kan steunen op het intrekken of wijzigen door een getuige van zijn verklaring, wanneer een gegeven de oprechtheid van die intrekking of wijziging waarschijnlijk maakt

(1); het staat aan de verzoeker om met voldoende aanwijzingen te staven dat dergelijke intrekking of wijziging, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak van de veroordeling niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet
(2).
(1)Cass. 26 september 2017, AR P.17.0404.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170926.3, AC 2017, nr. 499; Cass. 22 september 1999, AR P.99.1089.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990922.7, AC 1999, nr. 479.
(2)Over de nieuwe regelgeving m.b.t. de procedure van de herziening in strafzaken ingevolge de wet van 11 juli 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken (BS 18 juli 2018): P. TRAEST en J. ROELANDT, “Herziening van de herziening anno 2019”, NC 2019, 481-
  1. Thesaurus CAS: HERZIENING - ALGEMEEN Vrije woorden: Oorzaak - Nieuw feit - Intrekking of wijziging van een verklaring door getuige - Oprechtheid - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 443, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Vrije woorden: Oorzaak - Nieuw feit - Intrekking of wijziging van een verklaring door getuige - Niet bestaanbaarheid met de uitspraak - Aanvoering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 443, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1152.N F. L. N. M.-Th. D., verzoeker tot herziening, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  2. A.,
  3. B., burgerlijke partijen, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 17 november 2020, vraagt de verzoeker op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering de herziening van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 februari
  4. Bij arrest van 26 januari 2021 heeft het Hof bevolen dat de aanvraag tot herziening zou worden onderzocht door de Commissie voor herziening in strafzaken, teneinde na te gaan of de tot staving van de aanvraag aangevoerde gegevens beslissend genoeg zijn om de veroordeling van de verzoeker te herzien. Bij advies van 21 juni 2021, ter griffie van het Hof ontvangen op 13 oktober 2021, beoordeelt de Commissie voor herziening in strafzaken verzoekers aanvraag tot herziening als niet gegrond. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  5. Bij arrest van 24 februari 2020 besliste het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, onder meer als volgt: - de verzoeker werd schuldig verklaard aan de feiten van de telastleggingen A, B, C, D, E en H; de feiten van de telastleggingen A, B, C, D en E betreffen meervoudige feiten van verkrachting en aanranding van de eerbaarheid van de minderjarige A., met de omstandigheden dat de verzoeker met haar samenwoonde en over haar gezag had; de feiten van de telastlegging E betreffen opzettelijke geweldpleging op A., met de omstandigheid dat zij minderjarig was en de verzoeker met haar samenwoonde; - de verzoeker werd bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden en tot de ontzetting gedurende een periode van vijf jaar van de rechten genoemd in artikel 31 Strafwetboek; - de verzoeker werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens morele schade aan A. en B., respectievelijk ten bedrage van 7.500,00 euro en 1.250,00 euro, in beide gevallen te vermeerderen met vergoedende en gerechtelijke interesten.
  6. Bij arrest P.20.0304.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6 van 9 juni 2020 heeft het Hof het cassatieberoep van de verzoeker verworpen. Het voormelde arrest van 24 februari 2020 is daardoor in kracht van gewijsde gegaan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  7. Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
  8. De verzoeker voert tot staving van zijn verzoek tot herziening vier gegevens aan die volgens hem aan de vereisten van de voormelde wetsbepaling beantwoorden, namelijk schriftelijke verklaringen van C. van 7 juli 2020 en 8 juli 2020, van D. van 26 juni 2020 en van E. van 14 juli
  9. Allen werden in de loop van het vooronderzoek politioneel reeds als getuigen verhoord. In de gevoegde stukken komen zij terug op wat zij voorheen aan de onderzoekers hebben verklaard.
  10. Een verzoek tot herziening kan steunen op het intrekken of wijzigen door een getuige van zijn verklaring, wanneer een gegeven de oprechtheid van die intrekking of wijziging waarschijnlijk maakt. Het staat aan de verzoeker om met voldoende aanwijzingen te staven dat dergelijke intrekking of wijziging, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak van de veroordeling niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
  11. Het verzoekschrift vermeldt (nr. 25): “Toen vast was komen te staan dat verzoeker tot herziening effectief naar de gevangenis zou moeten gaan, heeft de echtgenote van verzoeker tot herziening op 3 juli 2020 contact opgenomen met mevrouw C.” In haar e-mailbericht van 8 juli 2020 stelt C.: “Mevrouw F. heeft mij gebeld (…) om bepaalde punten van mijn verhoor na te kijken omdat ze had gezien dat ze onjuist waren. (…)” Ook uit het verhoor van C. voor de Commissie voor herziening in strafzaken van 21 juni 2021 volgt dat haar verklaringen van 7 juli 2020 en 8 juli 2020 er kwamen op vraag van de verzoeker en zijn echtgenote. Zij stelde daarover bovendien duidelijk dat zij van hen schrik had toen zij plots aan haar woning aanbelden en tevens dacht zij eraan de politie te verwittigen. Beiden legden haar ook een document voor met passages uit haar verklaring van 29 juni 2015 die volgens hen niet juist waren. Daarover verklaarde C. op 21 juni 2021: “Op aandringen van mw. F. heb ik het document van juli 2020 snel opgesteld omdat zij zegde dat haar man anders naar de gevangenis moest.” Deze gegevens leiden ertoe de oprechtheid van de intrekking door C. van haar verklaring afgelegd tijdens het gerechtelijk onderzoek, die zij op 21 juni 2021 overigens grotendeels terug bevestigde, onvoldoende waarschijnlijk te achten.
  12. Het arrest van 24 februari 2020 (nrs. 4–10) grondt verzoekers schuldigverklaring in essentie op de volgende overwegingen: - uit de strafinformatie in het dossier blijkt een andere onthullingscontext over de feiten vanwege A. dan wat verzoeker beweert, wat ook volgt uit haar eigen verklaring en wat steun vindt in de verklaringen van haar moeder, haar zus en haar beste vriendin G.; - het verhaal van A. als door haar weergegeven in een initieel verhoor en in twee latere audiovisuele verhoren is consequent, gedetailleerd en genuanceerd; - de tegenstrijdigheden die de verzoeker daaromtrent aanvoert, zijn niet van aard om de waarachtigheid van haar verklaringen te ondermijnen; - opvallend in haar verklaringen zijn de door haar aangehaalde citaten en het letterlijk weergeven van gezegden die een werkelijke beleving van het verhaalde kracht bijzetten; - zij verhaalt specifieke en merkwaardige elementen en particulariteiten die niet zonder meer kunnen zijn bedacht en die de geloofwaardigheid van haar ver¬klaringen bevestigen; - haar verklaringen worden bevestigd, minstens niet weerlegd, door andere (materiële) elementen, waaronder enkele sms-communicaties en medische en psychiatrische gerechtsexpertises; - het verdere verweer van de verzoeker overtuigt niet voor wat betreft de beweerde leugenachtige aard van A., de fysieke onmogelijkheid van de door haar beweerde frequentie van de seksuele betrekkingen en de reden van haar vertrek uit de woning van de verzoeker.
  13. De in het arrest van 24 februari 2020 aangenomen onthullingscontext van de feiten is in de eerste plaats geschraagd door de gegevens uit het strafdossier en de verklaring van A., die niet enkel steun vinden in de aanvankelijke verklaring van D., maar ook van haar moeder, haar zus en haar beste vriendin. De omstandigheid dat D. na haast zes jaar verklaart niet langer geloof te hechten aan het verhaal van zijn toenmalige vriendin haalt deze redengeving niet onderuit. Zijn nieuwe verklaring houdt enkel een gewijzigde appreciatie in van zijn inschatting van de geloofwaardigheid van A. Het arrest van 24 februari 2020 (p. 12, al. 2) verwijst verder enkel naar de aanvankelijke getuigenis van D. ter weerlegging van een door de verzoeker aangevoerde ongerijmdheid. De loutere intrekking van die getuigenis is in dat verband zonder belang.
  14. Het arrest van 24 februari 2020 maakt geen melding van de aanvankelijke getuigenis van E., ook niet ter ondersteuning van de voormelde onthullingscontext. Er zijn geen aanwijzingen waaruit volgt dat de intrekking van haar getuigenis waarbij zij enkel een beoordeling uitspreekt van wat zij op 14 juli 2020 vond van de geloofwaardigheid van het haar in 2014 door S.S. gebrachte verhaal, de beslissing heeft beïnvloed.
  15. Uit het voorgaande volgt dat op grond van de door de verzoeker bijgebrachte gegevens niet voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, zodat de aanvraag tot herziening ongegrond is. Dictum Het Hof, Verwerpt de aanvraag tot herziening. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990922.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170926.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.