← België

C. contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211118.1N.6 Rolnummer: C.21.0034.N Zaak: C. contra C. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-11-29 Raadplegingen: 860 - laatst gezien 2026-06-19 12:58 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211118.1N.6 Fiche Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, moet de rechter de rechtsplegingsvergoeding bepalen op het toepasselijke minimumbedrag, met dien verstande dat hij, mits bijzondere motivering omwille van een kennelijk onredelijke situatie, de rechtsplegingsvergoeding kan verlagen onder het minimumbedrag

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor en na de wijziging bij wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Tweedelijns juridische bijstand - Minimumbedrag - Kennelijk onredelijke situatie - Gevolg - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 1, p. 15-
  1. - VAN DEN BERGH, Bart; Noot'De partij die tweedelijns juridische bijstand geniet in het ongelijk gesteld: kan het bedrag van de minimumrechtsplegingsvergoeding worden verhoogd?' JT-Journal des tribunaux - 2022, n° 6910, p. 526-
  2. - GILLET, Antoine; Note'Seul le caractère déraisonnable de la situation peut justifier la majoration de l'indemnité de procédure à charge du bénéficiaire de l'aide juridique' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0034.N W. C., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S. C., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 november
  3. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 3 november 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel
  5. Volgens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De bedoelde forfaitaire tegemoetkoming wordt nader bepaald middels indexeerbare basis-, minimum- en maximumbedragen in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding.
  6. Krachtens artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing ten tijde van de rechtspleging in eerste aanleg, wordt, indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het bij koninklijk besluit vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt. Uit deze bepaling volgt dat, indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, de rechter de rechtsplegingsvergoeding moet bepalen op het toepasselijke minimumbedrag, met dien verstande dat hij, mits bijzondere motivering omwille van een kennelijk onredelijke situatie, de rechtsplegingsvergoeding kan verlagen onder het minimumbedrag.
  7. De appelrechters, die vaststellen dat de eiser voor de rechtspleging in eerste aanleg tweedelijns juridische bijstand genoot, maar niettemin de eiser als in het ongelijk gestelde partij, gelet op “de complexiteit van deze zaak”, veroordeelt tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  8. Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel
  9. Volgens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De bedoelde forfaitaire tegemoetkoming wordt nader bepaald middels indexeerbare basis-, minimum- en maximumbedragen in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding.
  10. Krachtens artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing ten tijde van de rechtspleging in hoger beroep, wordt, indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het bij koninklijk besluit vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. Wat dit punt betreft, omkleedt de rechter zijn beslissing tot verlaging met bijzondere redenen. Uit deze bepaling volgt dat, indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, de rechter de rechtsplegingsvergoeding moet bepalen op het toepasselijke minimumbedrag, met dien verstande dat hij, mits bijzondere motivering omwille van een kennelijk onredelijke situatie, de rechtsplegingsvergoeding kan verlagen onder het minimumbedrag.
  11. De appelrechters, die vaststellen dat de eiser voor de rechtspleging in hoger beroep tweedelijns juridische bijstand genoot, maar niettemin de eiser als in het ongelijk gestelde partij, gelet op “de complexiteit van deze zaak”, veroordeelt tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 18 november 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211118.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211118.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.