id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211118.1N.8 Rolnummer: C.21.0132.N Zaak: B. contra E. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-11-29 Raadplegingen: 926 - laatst gezien 2026-06-19 04:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer het geschil betrekking heeft op de titel van een uitkering tot onderhoud, wordt het bedrag van de vordering, ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, berekend op basis van het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen, zonder vermenigvuldiging van dit bedrag met een factor tien. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Geschil met betrekking tot de titel van een uitkering tot onderhoud - Bepaling van de rechtsplegingsvergoeding - Bedrag van de vordering - Wijze van berekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 557 tot 559, 561, 562 en 618, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding - 26-10-2007 - Art. 2, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0132.N J. B., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen S. E., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 december
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 561 Gerechtelijk Wetboek wordt, wanneer de titel van een uitkering tot onderhoud, van een altijddurende rente of een lijfrente wordt betwist, de waarde van de vordering bepaald door het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen, met tien te vermenigvuldigen. Krachtens artikel 2, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt, ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding voor rechtsvorderingen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen, met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 4 van dit besluit, het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 559, 561, 562 en 618, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. Wanneer het geschil betrekking heeft op de titel van een uitkering tot onderhoud wordt, in afwijking van artikel 561 Gerechtelijk Wetboek, het bedrag van de vordering, ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, berekend op basis van het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen.
- Uit het geheel van die bepalingen volgt dat wanneer het geschil betrekking heeft op de titel van een uitkering tot onderhoud, het bedrag van de vordering, ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, wordt berekend op basis van het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen, zonder vermenigvuldiging van dit bedrag met een factor tien.
- De appelrechter die het bedrag van de vordering ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding berekent door het bedrag van de annuïteit van de onderhoudsbijdragen waarvan de eiseres de afschaffing vorderde te vermenigvuldigen met een factor tien, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 18 november 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211118.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250103.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div