← België

B. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211123.2N.25 Rolnummer: P.21.0720.N Zaak: B. contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-11-25 Raadplegingen: 1594 - laatst gezien 2026-06-18 23:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Volgens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen vonnis dertig dagen na de dag van de betekening

(1)ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats, termijn die kan worden verlengd wegens afstand en volgens artikel 203, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering beschikt het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde hoger beroep heeft ingesteld
(2); hoewel het door artikel 203, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geregelde volgappel van het openbaar ministerie een zelfstandig hoger beroep is waarvan de ontvankelijkheid in beginsel niet afhangt van de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de beklaagde, beschikt het openbaar ministerie evenwel niet over een dergelijk volgappel indien het hoger beroep van de beklaagde zelf laattijdig is aangezien een laattijdig hoger beroep van de beklaagde geen aanleiding kan geven tot een tijdig volgappel van het openbaar ministerie
(3).
(1)Cass. 10 december 2019, AR P.19.0537.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6, AC 2019, nr. 655.
(2)Er lijkt me geen reden om aan te nemen dat de termijn van 10 bijkomende dagen voor het volgappel van het openbaar ministerie niet van toepassing zou zijn bij verstekbeslissingen – zie S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (‘Potpourri II')”, RW 2015- 2016, afl. 37, 1444 en van dezelfde auteur, “Nieuwe regels voor hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 884, contra P. TRAEST en J. MEESE, “De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep” in P. TRAEST, A. VERHAGE en G. VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderde samenleving?, XLIIIste postuniversitaire cyclus Willy Delva, 552-554, nr. 6. De bijkomende termijn van 10 dagen dient niet gevoegd te worden bij de appeltermijn van de beklaagde maar vangt aan de dag volgend op het hoger beroep van de beklaagde (Cass. 29 november 2017, AR P.17.0761.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171129.3, AC 2017, nr. 681).
(3)Aangezien het volgappel van het openbaar ministerie een zelfstandig principaal beroep is, is het niet afhankelijk van het lot van het door de beklaagde ingesteld hoger beroep, zodat de onontvankelijkheid van het hoger beroep van de beklaagde, bv. bij gebrek aan belang, of de afstand van zijn hoger beroep zonder invloed is op de ontvankelijkheid van het volgappel van het openbaar ministerie (P. TRAEST en J. MEESE, o.c., 555, nr. 47, S. VAN OVERBEKE, o.c., RW 2015- 2016, 1443-1444). Het komt me evenwel voor dat deze redenering niet kan worden doorgetrokken naar de hypothese van een laattijdig hoger beroep van de beklaagde, omdat dit erop zou neerkomen dat het openbaar ministerie altijd over 10 bijkomende dagen zou beschikken om een ontvankelijk hoger beroep in te stellen (S. VAN OVERBEKE, o.c., RW 2017- 18, 884-885). Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Onsplitsbaar geschil - Bij verstek gewezen vonnis - Hoger beroep van de beklaagde - Laattijdig hoger beroep van de beklaagde - Volgappel van het openbaar ministerie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Hoger beroep - Strafzaken - Bij verstek gewezen vonnis - Hoger beroep van de beklaagde - Laattijdig hoger beroep van de beklaagde - Volgappel van het openbaar ministerie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiche 3 Artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bestraft de personen bedoeld in artikel 489 Strafwetboek die met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen verzuimd hebben binnen de bij artikel 2 Faillissementswet, thans artikel XX.102 Wetboek economisch recht, bepaalde termijn aangifte te doen van het faillissement; de in artikel 489 Strafwetboek bedoelde personen zijn onder meer de bestuurders, in rechte of in feite van vennootschappen of van rechtspersonen die zich in staat van faillissement bevinden, zodat daaruit volgt dat volgens de wil van de wetgever ook een feitelijk bestuurder, dit is hij die zonder krachtens de wet of de statuten bestuurder te zijn van een vennootschap die vennootschap in werkelijkheid bestuurt, dader kan zijn van het door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijf en dus niet louter deelnemer en een feitelijk bestuurder dan ook ertoe is gehouden de door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek strafrechtelijk gesanctioneerde aangifteplicht te voldoen
(1).
(1)Cass. 9 januari 2018, AR P.17.0856.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.5, AC 2018, nr. 17, contra A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Wolters Kluwer Belgium, Luik, 2018, 838-
  1. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Vrije woorden: Artikel 489bis, 4°, Strafwetboek - Verzuim van aangifte van faillissement - Personen die aangifte dienen te doen - Artikel 489 Strafwetboek - Feitelijk bestuurder - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 489 en 489bis, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2022, nr. 441, p.
  2. - DE BOCK, Eric; Noot'Geen onbeperkt volgappel in de tijd voor het openbaar ministerie' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0720.N M W M B, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advocaat bij de balie Brussel, tegen Kjel SWARTELÉ, met kantoor te 2018 Antwerpen, Anselmostraat 2, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement MAISON BAMBOE bv, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 mei
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 187, 202 en 203 Wetboek van Strafvordering, artikel 55 Gerechtelijk Wetboek en artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936 tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende de rechtspleging in burgerlijke zaken en handelszaken: het arrest verklaart het door het openbaar ministerie tegen het door de eerste rechter uitgesproken verstekvonnis ten onrechte ontvankelijk; het verstekvonnis werd aan de eiser betekend op 3 april 2019, zodat de eiser ten laatste op 2 juni 2019 hoger beroep diende in te stellen; in dat geval zou het openbaar ministerie ten laatste op 12 juni 2019 hoger beroep hebben kunnen instellen; dit hoger beroep is evenwel op 3 juli 2019 en dus laattijdig ingesteld en had dus niet ontvankelijk mogen worden verklaard; op het enkel ontvankelijk hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het op verzet gewezen vonnis, mochten de appelrechters de bestraffing niet verzwaren.
  5. Volgens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen vonnis dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats, termijn die kan worden verlengd wegens afstand. Volgens artikel 203, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering beschikt het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde hoger beroep heeft ingesteld.
  6. Hoewel het door artikel 203, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geregelde volgappel van het openbaar ministerie een zelfstandig hoger beroep is waarvan de ontvankelijkheid in beginsel niet afhangt van de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de beklaagde, beschikt het openbaar ministerie evenwel niet over een dergelijk volgappel indien het hoger beroep van de beklaagde zelf laattijdig is. Een laattijdig hoger beroep van de beklaagde kan geen aanleiding geven tot een tijdig volgappel van het openbaar ministerie.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser werd veroordeeld bij verstekvonnis van 27 maart 2019; - dit verstekvonnis werd betekend aan de eiser bij gerechtsdeurwaardersexploot van 3 april 2019 door afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs met het oog op toezending aan het adres van de eiser te Bulgarije (Sofia), ul Pernik 114 app. 4; - de eiser op 1 juli 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen dit verstekvonnis; - het openbaar ministerie op 3 juli 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen dit verstekvonnis.
  8. Daaruit volgt dat bij toepassing van artikel 40, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek de betekening van het verstekvonnis van 27 maart 2019 is gebeurd op 3 april 2019 en dat voor de eiser de door artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van hoger beroep van dertig dagen wegens afstand werd verlengd met nog eens dertig dagen. De eiser heeft slechts op 1 juli 2019 hoger beroep ingesteld, dit is buiten de wettelijk bepaalde beroepstermijn, zodat het openbaar ministerie niet beschikte over een door artikel 203, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde extra termijn van tien dagen. Het arrest kon dan ook niet oordelen dat het op 3 juli 2019 door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep tegen het verstekvonnis van 27 maart 2019 ontvankelijk was en op die grond de in dit verstekvonnis aan de eiser opgelegde straffen verzwaren door het in de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bepaalde beroeps- en koopmansverbod, te verhogen van vijf jaar tot zes jaar. Het middel is in zoverre gegrond. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 489bis, 4°, Strafwetboek en artikel XX.102 Wetboek economisch recht: het arrest is niet naar recht verantwoord; de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser als zaakvoerder in feite op 30 april 2017 aangifte had dienen te doen van het faillissement van Maison Bamboe bv; in zijn loutere hoedanigheid van feitelijk zaakvoerder beschikte de eiser niet over de vereiste hoedanigheid en bekwaamheid om aangifte te doen ter griffie.
  10. Artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bestraft de personen bedoeld in artikel 489 Strafwetboek die met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen verzuimd hebben binnen de bij artikel 2 Faillissementswet, thans artikel XX.102 Wetboek economisch recht, bepaalde termijn aangifte te doen van het faillissement.
  11. De in artikel 489 Strafwetboek bedoelde personen zijn onder meer de bestuurders, in rechte of in feite van vennootschappen of van rechtspersonen die zich in staat van faillissement bevinden.
  12. Daaruit volgt dat volgens de wil van de wetgever ook een feitelijk bestuurder, dit is hij die zonder krachtens de wet of de statuten bestuurder te zijn van een vennootschap die vennootschap in werkelijkheid bestuurt, dader kan zijn van het door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijf en dus niet louter deelnemer. Een feitelijk bestuurder is dan ook ertoe gehouden de door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek strafrechtelijk gesanctioneerde aangifteplicht te voldoen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 489, 2°, Strafwetboek en artikel XX.146 Wetboek economisch recht: het arrest is niet naar recht verantwoord; de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser vanaf 27 maart 2017 zelf een boekhouding had dienen te voeren in zijn hoedanigheid van zaakvoerder in feite en dat hij deze boekhouding vervolgens ook had dienen over te maken aan de curator; de boekhouding had enkel als ‘vereiste inlichting’ dienen te worden overgemaakt in zoverre er daadwerkelijk een boekhouding werd gevoerd; de appelrechters zijn evenwel van oordeel dat dergelijke boekhouding niet voorhanden was gezien zij vaststellen dat de eiser een boekhouding had dienen te voeren.
  14. Het arrest oordeelt met betrekking tot de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging C voor wat betreft de boekhouding vanaf 27 maart 2017 niet enkel dat de eiser een boekhouding had dienen te voeren (p. 21-22). Het oordeelt ook dat de eiser de curator heeft toegezegd stukken te bezorgen (p.25). Aldus geeft het arrest te kennen dat er wel degelijk boekhoudkundige stukken waren. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre dit het hoger beroep van het openbaar ministerie van 3 juli 2019 tegen het verstekvonnis van 27 maart 2019 ontvankelijk verklaart en de eiser veroordeelt tot een door de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bepaald beroeps- en koopmansverbod gedurende een langere periode dan vijf jaar. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 163,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211123.2N.25 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171129.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.