← België

BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 2

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Niet-terugwerkende kracht van een wet - Belastingwet - Antimisbruikbepaling Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Allerlei - Algemene rechtsbeginselen - Antimisbruikbepaling - Werking in de tijd - Niet-terugwerkende kracht van een wet - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.

F.20.0058.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Bijzondere Belastinginspectie te Gent, met kantoor te 9050 Ledeberg (Gent), Gaston Crommenlaan 6, bus 801, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. D. D.,
  2. M.-R. T., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 december
  3. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 18 oktober 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Artikel 344, § 1, WIB92, zoals ingevoegd bij artikel 167 Programmawet (I) van 29 maart 2012, bepaalt: “Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt: 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft. Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen. Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden”.
  5. Artikel 169 van de genoemde Programmawet bepaalt: “Artikel 167 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2013, alsmede op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die zijn gesteld tijdens het belastbaar tijdperk dat afsluit ten vroegste op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgische Staatsblad en is verbonden aan het aanslagjaar
  6. Elke wijziging die vanaf 28 november 2011 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor toepassing van de bepaling in artikel 167”. Voor belastingplichtigen die belastbaar zijn in de vennootschapsbelasting moet de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen gesteld zijn vanaf het aanslagjaar 2013 of, voor vennootschappen die een gebroken boekjaar voeren, vanaf het belastbaar tijdperk dat afsluit ten vroegste op 6 april
  7. Dit veronderstelt dat alle rechtshandelingen die als geheel eenzelfde verrichting tot stand brengen, gesteld zijn vanaf het belastbaar tijdperk van het aanslagjaar 2013 of, voor vennootschappen die een gebroken boekjaar voeren, vanaf het belastbaar tijdperk dat afsluit ten vroegste op 6 april
  8. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het, om binnen het temporeel toepassingsgebied van artikel 344, § 1, WIB92 te vallen, volstaat dat de laatste rechtshandeling van het geheel van rechtshandelingen wordt gesteld in het belastbaar tijdperk van het aanslagjaar 2013 of in de aanslagjaren die daarop volgen, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Tweede onderdeel
  9. Overeenkomstig artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 1, beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Volgens het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet is een nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. De wetgever kan een uitzondering maken op artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek en het genoemde algemeen rechtsbeginsel.
  10. Met betrekking tot de werking in de tijd van artikel 344, § 1, WIB92 voert artikel 169 Programmawet (I) van 29 maart 2012 zulke uitzondering in. Het onderdeel dat schending van artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet aanvoert, kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 644,66 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 25 november 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211125.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211125.1N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2025:DEC.20250205.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251211.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.