← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Buitenvervolgingstelling - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Tergend en roekeloos hoger beroep - Begrip - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Buitenvervolgingstelling - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Tergend en roekeloos hoger beroep - Begrip - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Regeling van de rechtspleging - Buitenvervolgingstelling - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Tergend en roekeloos hoger beroep - Begrip - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 135- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.0995.N A. V. D. A., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen

  1. D. J. A. D. W., inverdenkinggestelde, verweerder,
  2. Y. E. S. C. Ch. Gh. V. D. A., inverdenkinggestelde, verweerder,
  3. CREATIVE CONSTRUCTION AND RENOVATION nv, met zetel te 9070 Destelbergen, Molenweidestraat 24, inverdenkinggestelde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 juni
  4. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het doel van de van valsheid betichte akte, met name het onderbrengen van een seniorentehuis in het verkochte onroerend goed, in 2007 “was bereikt”, miskennen de appelrechters de bewijskracht van de onderhandse overeenkomst van 2006 met de bijhorende addenda, alsook de verklaring van de verweerders waarin zij uitleg geven over de bedoeling van de onderhandse verkoopovereenkomst.
  6. Het arrest verwijst niet naar de in het onderdeel bedoelde stukken. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters oordelen, enerzijds, dat het doel beoogd door de verweerders bij de aankoop van het onroerend goed in 2007 was bereikt en, anderzijds, dat dit doel erin bestond om in het verkochte goed een seniorentehuis onder te brengen; uit de verdere vaststelling dat het onroerend goed in 2014 werd verkocht voor de aanleg van een park volgt dat dit doel niet werd bereikt, zodat deze redenen tegenstrijdig zijn.
  8. Het is niet tegenstrijdig, eensdeels, te oordelen dat het met de van valsheid betichte akte beoogde doel, met name de eigendomsoverdracht van het onroerend goed met als doel hierin een seniorentehuis te vestigen in 2007 werd verwezenlijkt en, anderdeels, vast te stellen dat in 2014 een deel van deze eigendom werd verkocht met het oog op de aanleg van een park. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 197 Strafwetboek en artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat er sinds 4 mei 2007 geen gebruik meer werd gemaakt van het van valsheid betichte stuk en de strafvordering aldus is verjaard; het gebruik van de valse authentieke akte duurde immers voort tot op het ogenblik van de verkoop van het onroerend goed aan derden in 2014; de appelrechters, die niet vaststellen dat er sprake is van een vervalsing, oordelen eveneens ten onrechte dat het gebruik de eiseres niet heeft benadeeld en laten hierbij na het bestaan van een potentieel nadeel te onderzoeken.
  10. Het gebruik van een vals stuk duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het doel dat hij beoogde niet werd verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling die hem wordt verweten, zonder dat hij zich ertegen verzet, de gunstige uitwerking blijft hebben die hij ervan verwacht. De rechter stelt onaantastbaar vast welk het doel was van de dader die gebruik heeft gemaakt van een vals stuk en waarin dit gebruik heeft bestaan. Het Hof toetst alleen of de feitelijke vaststellingen die de rechter maakt, zijn oordeel over dat doel en gebruik naar recht kunnen verantwoorden.
  11. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het doel beoogd door de verweerders met de van valsheid betichte akte, met name de aankoop van het onroerend goed met als doel hierin een seniorentehuis te vestigen, in 2007 werd verwezenlijkt; - dit doel los staat van de intentie van de verweerster 3 en de Stad Brugge om een deel van de in 2007 verworven eigendom te verkopen met de oog op de aanleg van een park; - ook indien aangenomen wordt dat het de bedoeling was de eiseres te benadelen door valselijk een lagere officiële aankoopprijs te vermelden, de laatste betaling daarvan dateert van 6 mei 2008 wat dan in elk geval de laatste daad uitmaakt van het beweerde gebruik van de valse akte. Met die redenen kunnen de appelrechters naar recht oordelen dat de verweerders na 4 mei 2007, minstens na 6 mei 2008, geen gebruik meer hebben gemaakt van het van valsheid betichte stuk en verantwoorden zij hun beslissing dat de strafvordering lastens deze verweerders is verjaard naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 135 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het verbod op rechtsmisbruik, de eerbied voor het recht van verdediging en de motiveringsplicht: het arrest veroordeelt de eiseres tot het betalen van een schadevergoeding wegens procesmisbruik zonder haar proceshouding te toetsen aan het criterium van een normaal en zorgvuldig persoon; noch het gegeven dat de eiseres hoger beroep heeft ingesteld tegen een, volgens de appelrechters, voldoende duidelijke beschikking, noch de vaststelling dat de procedure kadert in een familiale vete tussen de eiseres en de verweerder 2 waarbij deze partijen elkaar niet ontzien, volstaat om tot procesmisbruik te besluiten; bovendien hebben de appelrechters de beroepen beslissing over de toepasselijke verjaringstermijn hervormd; met dit oordeel miskent het arrest dan ook eiseres’ recht om een beschikking van de raadkamer in hoger beroep aan te vechten.
  13. Het arrest steunt eiseres’ veroordeling wegens procesmisbruik niet louter op haar beslissing om de beschikking van de raadkamer aan te vechten, noch op de enkele vaststelling dat deze beschikking voldoende duidelijk is en wordt bevestigd. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  14. Het instellen van hoger beroep door een burgerlijke partij tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling kan tergend en roekeloos zijn wanneer zij het recht om dit rechtsmiddel aan te wenden uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening ervan door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon overschrijdt. Het enkele gegeven dat een kamer van inbeschuldigingstelling een beslissing van de raadkamer over de toepasselijke verjaringstermijn wijzigt, sluit niet uit dat er sprake kan zijn van procesmisbruik. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt onaantastbaar, op grond van het geheel van de omstandigheden van de zaak, of er sprake is van een tergend en roekeloos hoger beroep. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen wettig het bestaan van proceduremisbruik heeft kunnen afleiden.
  16. De appelrechters oordelen dat zowel uit de vordering van de procureur des Konings als uit de motieven van de beroepen beschikking duidelijk bleek dat de strafvordering was verjaard en dit gegeven de eiseres ertoe had moeten aanzetten om, in plaats van de procedure opnieuw blindelings verder te zetten, af te zien van het hoger beroep. Met die redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen, zonder dat zij hierbij uitdrukkelijk moeten verwijzen naar het criterium van een normaal en zorgvuldig persoon, dat er sprake is van een tergend en roekeloos hoger beroep. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 84,01 euro, waarvan 49,01 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 30 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.