id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 21
, eerste lid, 5° - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Vervolging wegens het wanbedrijf onopzettelijke doding ten gevolge van een verkeersongeval - Opleggen van een geldboete toepasselijk voor een overtreding - Verjaringstermijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 38, eerste lid, 418 en 419, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 21
, eerste lid, 5° - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Ambtshalve voorgedragen middelen Vrije woorden: Vervolging wegens het wanbedrijf onopzettelijke doding ten gevolge van een verkeersongeval - Opleggen van een geldboete toepasselijk voor een overtreding - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 38, eerste lid, 418 en 419, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 21, eerste lid, 5° - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.
P.21.0743.N I ARAS (Groep Argenta) nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 49-53, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen,
- C. V. C., burgerlijke partij,
- J.-L. V. C., handelend in eigen naam en in zijn hoedanigheid van wettelijke erfopvolger en vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen Q. V. C. en N. V. C., burgerlijke partij,
- M. V. C., burgerlijke partij,
- L. V. C., burgerlijke partij, verweerders. II G. F., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Natascha Bielen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 15 april
- De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 21, eerste lid, 5°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
- Volgens artikel 21, eerste lid, 5°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verjaart de strafvordering voor een wanbedrijf dat in een overtreding is omgezet door verloop van één jaar te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd. Er is stuiting van de verjaring van de strafvordering door daden van onderzoek of vervolging verricht binnen die termijn.
- Het bestreden vonnis verklaart de eiseres II schuldig aan de feiten van de telastleggingen A (inbreuk op artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement en artikel 29, § 1, derde lid, Wegverkeerswet), B (inbreuk op artikel 12.3.1., tweede lid, a, Wegverkeersreglement en artikel 29, § 1, derde lid, Wegverkeerswet), C (inbreuk op artikel 12.2 Wegverkeersreglement en artikel 29, § 1, derde lid, Wegverkeerswet) en D (inbreuk op de artikelen 418 en 419, tweede lid, Strafwetboek). Met bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt het bestreden vonnis met aanneming van verzachtende omstandigheden de eiseres II voor al die feiten samen tot een geldboete van 25,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 200,00 euro, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar, of een vervangende gevangenisstraf van 3 dagen. Het spreekt bovendien lastens de eiseres II een vervallenverklaring uit van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van drie maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar voor een gedeelte van 82 dagen, waarbij het herstel van dit recht wordt afhankelijk gemaakt van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek.
- Door het uitspreken door het bestreden vonnis voor het met de telastlegging D door de artikelen 418 en 419, tweede lid, Strafwetboek bedoelde wanbedrijf van slechts een geldboete van 25,00 euro, zijnde overeenkomstig artikel 38, eerste lid, Strafwetboek een geldboete wegens overtreding, volgt dat het met de telastlegging D geviseerde misdrijf een wanbedrijf is, dat is omgezet in een overtreding en geacht wordt steeds een overtreding te zijn geweest, waarvoor een verjaringstermijn van één jaar geldt.
- Het bestreden vonnis heeft de met de telastlegging D geviseerde feiten gesitueerd op 18 november 2018, zodat rekening houdend met gronden van schorsing van de verjaring van de strafvordering, de verjaring van de strafvordering voor deze feiten reeds was bereikt op de datum van het bestreden vonnis. Het bestreden vonnis had dus voor die feiten in beginsel het verval van de straf door verjaring moeten vaststellen.
- Spijts die onwettigheid is de aan de eiseres II opgelegde geldboete evenwel naar recht verantwoord ingevolge de schuldigverklaring van de eiseres II aan de feiten van de telastleggingen A tot en met C.
- Het bestreden vonnis is evenwel niet naar recht verantwoord waar het lastens de eiseres II een vervallenverklaring uitspreekt van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van drie maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar voor een gedeelte van 82 dagen, waarbij het herstel van dit recht wordt afhankelijk gemaakt van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek. Middelen van de eiseres I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is niet afdoende gemotiveerd; de herkwalificatie naar een zwaardere telastlegging, met name onopzettelijke doding, vergde een uitvoerige medische en juridische motivering, die het bestreden vonnis ontbeert; het is gebaseerd op een onvoldoende met motieven ondersteunde innerlijke overtuiging; een verwijzing naar twee attesten van een nefrologe en de huisarts van het slachtoffer kan niet aanzien worden als een afdoende motivering; in deze attesten wordt geen standpunt ingenomen over het causaal verband van het ongeval met het overlijden van het slachtoffer; deze gevolgtrekking wordt door de appelrechters gemaakt zonder medische onderbouwing of motivering.
- De rechter voldoet aan de uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende motiveringsplicht betreffende de schuld van een beklaagde indien hij de beklaagde schuldig verklaart in de bewoordingen van de strafwet.
- Het bestreden vonnis verklaart de eiseres II schuldig aan de feiten van de telastlegging D in de bewoordingen van de strafwet. Het middel dat enkel een schending aanvoert van artikel 149 Grondwet en dat niet aanvoert dat het bestreden vonnis nalaat een appelconclusie te beantwoorden, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis legt het deskundigenverslag uit alsof er slechts na het ongeval een doodswens is ontstaan en miskent hierdoor de bewijskracht van de bevindingen van het medisch onderbouwde verslag (eerste onderdeel); de appelrechters geven tevens aan de verslagen van de nefrologe en de huisarts van het slachtoffer een uitlegging die met hun vaststellingen onverenigbaar is; deze verslagen stellen immers niet vast dat er voorafgaand aan het ongeval geen doodswens was noch dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval en het overlijden (tweede onderdeel).
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat, die er wel in voorkomt, kortom wanneer hij het geschrift doet liegen.
- Met het door het middel bekritiseerde oordeel geven de appelrechters geen uitlegging van de door het middel geviseerde verslagen, maar leiden zij er enkel een gevolg uit af. Het middel mist feitelijke grondslag. Middelen van de eiseres II
- De middelen van de eiseres II die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis waar het lastens de eiseres II een vervallenverklaring uitspreekt van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van drie maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar voor een gedeelte van 82 dagen, waarbij het herstel van dit recht wordt afhankelijk gemaakt van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres I tot de helft van de kosten. Veroordeelt de eiseres II tot twee zesden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten in het geheel op 119,41 euro, waarvan 59,70 euro door eiseres I is verschuldigd en 59,71 euro door eiseres II. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 30 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div