id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 182
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 2 - 4 Uit niets blijkt dat de verplichting om de dagvaarding eveneens te betekenen aan de woon- of verblijfplaats van de voorlopige bewindvoerder van een partij een vormvoorschrift bevat waarvan de niet-naleving zonder meer wordt gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, de nietigheid van de akte van aanhangigmaking of de ongeldigheid van het veroordelend vonnis; het staat integendeel aan de correctionele rechter, eventueel in hoger beroep, na te gaan of het verzuim om aan dat voorschrift te voldoen het recht van verdediging van de beklaagde onherstelbaar heeft aangetast en, indien dit niet het geval is, dat verzuim recht te zetten; aldus belet het enkele feit dat de dagvaarding van de beschermde persoon niet eveneens is gedaan aan zijn bewindvoerder, de appelrechter niet om kennis te nemen van de strafvordering of de redenen van het beroepen vonnis over te nemen. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Vrije woorden: Strafzaken - Betekening van de dagvaarding - Voorlopig bewind voor de beklaagde - Ontbreken van de betekening van de dagvaarding aan de voorlopige bewindvoerder - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 182
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Dagvaarding - Voorlopig bewind voor de beklaagde - Ontbreken van de betekening van de dagvaarding aan de voorlopige bewindvoerder - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 182
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Recht van verdediging - Voorlopig bewind voor de beklaagde - Ontbreken van de betekening van de dagvaarding aan de voorlopige bewindvoerder - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 182
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 5 - 7 De bewindvoerder van een beklaagde is geen persoon tegen wie een vervolging is ingesteld, zodat artikel 6.3.a EVRM op hem niet van toepassing is; evenmin vereist artikel 182, eerste lid, Wetboek van Strafvordering of het recht van verdediging van de beklaagde dat de feiten die aan deze laatste ten laste worden gelegd, eveneens worden vermeld in de dagvaarding van zijn bewindvoerder; wel is vereist, maar volstaat het, dat de bewindvoerder op grond van de gegevens die hem bij de dagvaarding ter kennis zijn gebracht, de informatie kan achterhalen die hem toelaat zijn wettelijke opdracht te vervullen ten behoeve van de persoon waaraan hij is toegevoegd; daarvoor volstaat de vermelding van de identiteit van die persoon, de rechtsmacht waarvoor deze is opgeroepen om zijn vordering te stellen of zijn verweer te voeren en de datum en plaats van de rechtszitting. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Vrije woorden: Strafzaken - Voorlopig bewind voor de beklaagde - Kennisgeving van de dagvaarding aan de voorlopige bewindvoerder - Vermeldingen in de dagvaarding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 182
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: ONBEKWAAMVERKLARING EN GERECHTELIJK RAADSMAN Vrije woorden: Strafzaken - Inhoud van de dagvaarding - Kennisgeving aan de voorlopige bewindvoerder van de beklaagde - Opdracht van de bewindvoerder - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 182
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlopig bewind voor de beklaagde - Kennisgeving van de dagvaarding aan de voorlopige bewindvoerder - Vermeldingen in de dagvaarding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 182, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.
P.21.0989.N J. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Stijn Leliaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Cordoeaniersstraat 17-19, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 182, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat eisers veroordeling bij verstek door het beroepen vonnis geldig is hoewel het vaststelt dat in eerste aanleg is nagelaten de aan de eiser toegevoegde bewindvoerder mee te dagvaarden; een dubbele dagvaarding is noodzakelijk ter bescherming van het recht van verdediging van de beschermde persoon; aangezien de zaak onregelmatig aanhangig was gemaakt bij de eerste rechter, konden de appelrechters zich niet uitspreken over de gegrondheid van de strafvordering noch rekening houden met de redenen van het beroepen vonnis.
- Artikel 182, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De zaken die tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank behoren, worden bij haar aanhangig gemaakt, hetzij door de verwijzing naar de rechtbank overeenkomstig de artikelen 130 en 160 hiervoren, hetzij door een dagvaarding, rechtstreeks aan de verdachte en aan de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen gedaan door de burgerlijke partij, en, in alle gevallen door de procureur des Konings, hetzij door de oproeping van de verdachte bij proces-verbaal, conform artikel 216quater, hetzij door de oproeping met het oog op onmiddellijke verschijning overeenkomstig artikel 216quinquies. Partijen kunnen eveneens vrijwillig en op een eenvoudige oproeping verschijnen, zonder dat een dagvaarding nodig is. De dagvaarding aan de personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, wordt eveneens aan diens woonplaats of verblijfplaats gedaan. Partijen kunnen eveneens vrijwillig en op een eenvoudige oproeping verschijnen, zonder dat een dagvaarding nodig is.”
- De in die bepaling, derde zin, opgenomen verplichting om eveneens de bewindvoerder van een procespartij voor de correctionele rechtbank te dagvaarden, samen gelezen met artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, strekt ertoe het recht van verdediging te vrijwaren van personen wiens patrimoniale belangen in het gedrang kunnen komen door hun vervolging, terwijl zij wegens hun gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn om zonder gerechtelijke beschermingsmaatregel die belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
- Uit niets blijkt dat die bepaling een vormvoorschrift bevat waarvan de niet-naleving zonder meer wordt gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, de nietigheid van de akte van aanhangigmaking of de ongeldigheid van het veroordelend vonnis. Het staat integendeel aan de correctionele rechter, eventueel in hoger beroep, na te gaan of het verzuim om aan dat voorschrift te voldoen het recht van verdediging van de beklaagde onherstelbaar heeft aangetast en, indien dit niet het geval is, dat verzuim recht te zetten. Aldus belet het enkele feit dat de dagvaarding van de beschermde persoon niet eveneens is gedaan aan zijn bewindvoerder, de appelrechter niet om kennis te nemen van de strafvordering of de redenen van het beroepen vonnis over te nemen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: - gelet op het nieuwe beschermingsstatuut van het bewind werd de dubbele betekening van de dagvaarding ingevoerd opdat de bewindvoerder tijdig kennis kan nemen van een strafzaak ten aanzien van de beschermde persoon wegens de mogelijke ernstige vermogensrechtelijke gevolgen van de veroordeling; - men heeft nagelaten de bewindvoerder mee te dagvaarden voor de rechtszitting van de eerste rechter; - de eiser en de bewindvoerder hebben echter alle mogelijkheden gehad in hoger beroep het recht van verdediging van de eiser ten volle te benutten, zodat er van enige miskenning van dat recht geen sprake is; - op de rechtszitting van het hof van beroep van 17 maart 2021 werd de zaak uitgesteld teneinde de bewindvoerder te dagvaarden; - zowel de bewindvoerder als de eiser werden rechtsgeldig overeenkomstig artikel 182 Wetboek van Strafvordering gedagvaard zodat de belangen van de beschermde persoon zijn gevrijwaard; - er werd reeds aan de eerdere tekortkoming geremedieerd nu uit de gevoegde stukken blijkt dat het verstekvonnis van 22 oktober 2019 ook aan de bewindvoerder was betekend, zodat hij verzet had kunnen aantekenen en de verdediging aldus slecht geplaatst is om thans voor te houden dat haar rechten zijn miskend door het verlies van een aanleg. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM en de artikelen 182, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat eisers bewindvoerder werd gedagvaard overeenkomstig artikel 182 Wetboek van Strafvordering; die dagvaarding betrof echter enkel een dagstelling zonder vermelding van telastleggingen, feiten of data; aldus voldoet die akte niet aan de vereisten van artikel 182 Wetboek van Strafvordering of aan de informatieplicht vervat in artikel 6.3.a EVRM; bovendien vereist het recht van verdediging van de beschermde persoon dat zijn bewindvoerder aan de hand van de dagvaarding kennis kan nemen van alles wat aan die persoon ten laste wordt gelegd.
- De bewindvoerder van een beklaagde is geen persoon tegen wie een vervolging is ingesteld, zodat artikel 6.3.a EVRM op hem niet van toepassing is. Evenmin vereist artikel 182, eerste lid, Wetboek van Strafvordering of het recht van verdediging van de beklaagde dat de feiten die aan deze laatste ten laste worden gelegd, eveneens worden vermeld in de dagvaarding van zijn bewindvoerder. Wel is vereist, maar volstaat het, dat de bewindvoerder op grond van de gegevens die hem bij de dagvaarding ter kennis zijn gebracht, de informatie kan achterhalen die hem toelaat zijn wettelijke opdracht te vervullen ten behoeve van de persoon waaraan hij is toegevoegd. Daarvoor volstaat de vermelding van de identiteit van die persoon, de rechtsmacht waarvoor deze is opgeroepen om zijn vordering te stellen of zijn verweer te voeren en de datum en plaats van de rechtszitting.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De dagvaarding van 6 april 2021 aan eisers bewindvoerder vermeldt het beroepen vonnis, het hof van beroep als de bevoegde rechtsmacht, de plaats en de datum van de rechtszitting, de identiteit van de eiser en de hoedanigheid van de bewindvoerder. De bewindvoerder die aldus op de hoogte was van de nodige identiteits- en proceduregegevens en kon nagaan welke precieze misdrijven aan de eiser ten laste werden gelegd, was in staat zijn wettelijke opdracht uit te voeren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, de artikelen 14.3 en 14.5 IVBPR en de artikelen 182, eerste lid, en 199 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de strafvordering ontvankelijk, terwijl eisers veroordeling bij verstek in eerste aanleg had kunnen worden voorkomen indien zijn bewindvoerder regelmatig was gedagvaard; de eiser, die tegen het verstekvonnis hoger beroep heeft ingesteld, heeft door die onregelmatigheid een aanleg verloren; dit kan niet worden geremedieerd in hoger beroep.
- Eensdeels oordeelt het arrest dat het verstekvonnis regelmatig is betekend aan eisers bewindvoerder. Anderdeels heeft de eiser tegen dat vonnis geen verzet gedaan, maar onmiddellijk hoger beroep ertegen ingesteld. Die keuze van de eiser, ook al was zij wettelijk mogelijk, heeft tot gevolg dat hij zich niet kan beklagen over het verlies van een aanleg. Het staat immers niet aan de eiser om zelf het herstel van de door hem aangevoerde onregelmatigheid onmogelijk te maken. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 30 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div