← België

Philip Morris Benelux B.V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.8 Rolnummer: P.21.1045.N Zaak: Philip Morris Benelux B.V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-12-06 Raadplegingen: 803 - laatst gezien 2026-06-15 13:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het verbod op sponsoring zoals bedoeld in artikel 7, 2bis, 1° en 2°, derde streepje, Wet Gezondheid Gebruikers, omvat onder meer iedere vorm van bijdrage aan personen, die het aanprijzen van een tabaksproduct tot doel of tot gevolg heeft; de fabrikant of verdeler van tabaksproducten die commerciële afspraken met detailhandelaars maakt waarbij deze laatsten met een beloning worden gestimuleerd om de tabaksproducten van die fabrikant of verdeler zodanig uit te stallen dat die producten meer zichtbaarheid krijgen, zodat de verkoop ervan wordt bevorderd, overtreedt dat verbod; dit vereist niet de vaststelling dat de detailhandelaars met het uitstallen van die producten het reclameverbod op tabaksproducten overtreden of dat de commerciële afspraken hen daartoe aanzetten. Thesaurus CAS: GEZONDHEIDSPOLITIE - OVER DE MENS Vrije woorden: Tabakswaren - Verbod op reclame voor tabaksproducten - Affiches in en aan krantenwinkels die tabaksproducten verkopen - Afspraken tussen de fabrikant of verdeler van tabakswaren en de detailhandelaars over de zichtbaarheid van de producten - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten - 24-01-1977 - Art. 7, § 2bis, 1° en 2°, derde streepje - 31 ELI link Pub nr 1977012405 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1045.N PHILIP MORRIS BENELUX bv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Borsbeeksebrug 24, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 juni

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 7, § 2bis, 1° en 2°, derde streepje, zoals van toepassing, en 15, § 3, Wet Gezondheid Gebruikers en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de eiseres schuldig aan de telastleggingen F.1 tot F.14 omdat de in die telastleggingen vermelde commerciële afspraken dienden om de detailhandelaars te stimuleren de zichtbaarheid van de producten van de eiseres te verhogen door deze op een zeer doordachte en uitgekiende manier uit te stallen; het arrest stelt echter niet vast dat de uitvoering van de commerciële samenwerkingsovereenkomsten, namelijk het uitstallen van de tabaksproducten, strijdig is met de wet; het stelt integendeel als principe vast dat het uitstallen van tabaksproducten op een interessante plaats niet kan worden beschouwd als het voeren van reclame; aldus is de beslissing dat de eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan verboden sponsoring niet naar recht verantwoord; minstens laat de beslissing het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; alleszins is de beslissing niet naar recht verantwoord voor wat betreft de telastleggingen F.2, F.4, F.5, F.10, F.11 en F.12 aangezien het arrest de eiseres vrijspreekt van de telastleggingen D.2 tot D.7 omdat de presentatietechnieken bij het uitstallen van tabaksproducten in de daar bedoelde verkooppunten niet worden beschouwd als het voeren van verboden reclame; bijgevolg kunnen de voorafgaande commerciële afspraken op grond waarvan deze presentatietechnieken worden uitgevoerd en waaraan beloningen worden verbonden, evenmin worden beschouwd als verboden sponsoring; minstens is het arrest zodoende tegenstrijdig gemotiveerd.
  3. Artikel 7, § 2bis, 1° en 2°, derde streepje, Wet Gezondheid Gebruikers bepaalt: “1° Het is verboden reclame te voeren voor en te sponsoren door tabak, producten op basis van tabak en soortgelijke producten, hierna tabaksproducten genoemd. Als reclame en sponsoring worden beschouwd elke mededeling of handeling die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft de verkoop te bevorderen, ongeacht de plaats, de aangewende communicatiemiddelen of de gebruikte technieken. 2° Het in het 1° bedoelde verbod is niet van toepassing op: - het aanbrengen van het merk van een tabaksproduct op affiches in en aan de voorgevel van tabakswinkels en van krantenwinkels die tabaksproducten verkopen”.
  4. Het verbod op sponsoring zoals hier bedoeld, omvat onder meer iedere vorm van bijdrage aan personen, die het aanprijzen van een tabaksproduct tot doel of tot gevolg heeft. De fabrikant of verdeler van tabaksproducten die commerciële afspraken met detailhandelaars maakt waarbij deze laatsten met een beloning worden gestimuleerd om de tabaksproducten van die fabrikant of verdeler zodanig uit te stallen dat die producten meer zichtbaarheid krijgen, zodat de verkoop ervan wordt bevorderd, overtreedt dat verbod. Dit vereist niet de vaststelling dat de detailhandelaars met het uitstallen van die producten het reclameverbod op tabaksproducten overtreden of dat de commerciële afspraken hen daartoe aanzetten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Onder de telastleggingen D.1 tot D.7 is de eiseres vervolgd wegens miskenning van het reclameverbod voor tabaksproducten door het gebruik van speciale presentatietechnieken bij het uitstallen van haar producten in verkooppunten. Het arrest verklaart de eiseres schuldig aan de telastlegging D.
  6. Het spreekt haar vrij van de telastlegging D.3 omdat deze betrekking heeft op toegelaten tabaksreclame op een affiche, alsook van de telastleggingen D.2 en D.4 tot D.7 omdat het breed uitstallen van tabaksproducten van één bepaald merk op een interessante plaats in een tabaksmeubel niet te beschouwen is als het voeren van reclame aangezien sommige schappen onvermijdelijk meer aandacht trekken dan andere.
  7. Het arrest oordeelt dat de eiseres het verbod op het voeren van reclame voor en het sponsoren door tabaksproducten heeft miskend door het maken van commerciële afspraken met detailhandelaars, gekoppeld aan het uitbetalen van geldelijke vergoedingen of punten (telastleggingen F.1 tot F.14), omdat: “Uit de aan het strafdossier gevoegde samenwerkingsovereenkomsten tussen [de eiseres] en diverse detailhandelaars blijkt dat de bedoelde commerciële afspraken er, anders dan [de eiseres] voorhoudt, niet louter op waren gericht om de detailhandelaar ertoe te brengen de tabaksproducten van [de eiseres] in zijn winkel te koop aan te bieden. Integendeel dienden zij om de detailhandelaars te stimuleren de visibiliteit van de producten te verhogen door deze op een zeer doordachte en uitgekiende manier uit te stallen. Aan de nakoming van deze afspraken werden voor de detailhandelaar financiële en andere beloningen verbonden, die veelal afhankelijk werden gesteld van het volume van gerealiseerde verkopen. Uit dit alles blijkt onmiskenbaar dat deze commerciële afspraken handelingen waren die minstens onrechtstreeks tot doel hadden om de verkoop van de door [de eiseres] verdeelde tabaksproducten te bevorderen.” Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht en kan het Hof zijn wettigheidscontrole uitoefenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  8. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Eerste middel
  9. Het arrest veroordeelt de eiseres tot een straf wegens de vermengde feiten van de telastleggingen B.1, C.3, C.6, C.8 tot C.15, D.1, E.1, F.1 tot F.14 en G.1 tot G.
  10. Het enkele gegeven dat het arrest de aan de eiseres opgelegde straf onder meer motiveert op grond van het aantal vastgestelde inbreuken, impliceert niet dat de appelrechters in het bijzonder acht hebben geslagen op de schuld van de eiseres aan het feit van de telastlegging C.8 om de maat van de haar opgelegde straf voor het geheel van de vermengde feiten te bepalen.
  11. Hieruit volgt dat de aan de eiseres opgelegde straf naar recht is verantwoord door haar schuldigverklaring aan de telastleggingen B.1, C.3, C.6, C.9 tot C.15, D.1, E.1, F.1 tot F.14 en G.1 tot G.27, zodat het middel dat beperkt is tot de schuldigverklaring van de eiseres aan de telastlegging C.8 niet tot cassatie kan leiden. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 209,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 30 november 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.