← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.15 Rolnummer: P.21.1503.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-12-14 Raadplegingen: 877 - laatst gezien 2026-06-18 16:06 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en evenmin verplicht een eventuele schending van die bepaling het onderzoeksgerecht om de voorlopige hechtenis zonder meer op te heffen; die opheffing dringt zich enkel op indien het onderzoeksgerecht vaststelt dat door de onmogelijkheid tot kopiename van het dossier, het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde onherroepelijk is geschaad, waarover het onderzoeksgerecht onaantastbaar oordeelt

(1); het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen onverantwoorde gevolgen afleidt.
(1)Cass. 17 juli 2019, AR P.19.0732.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Recht van de inverdenkinggestelde om met eigen middelen kopie te nemen - Miskenning - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Recht van de inverdenkinggestelde om met eigen middelen kopie te nemen - Miskenning - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Strafzaken - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Recht van de inverdenkinggestelde om met eigen middelen kopie te nemen - Miskenning - Gevolgen - Onaanstatbare beoordeling door het onderzoeksgerecht - Toezicht door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 6 Het recht van verdediging van een inverdenkinggestelde die tijdens de in artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn inzage heeft kunnen nemen in het strafdossier, wordt niet onherroepelijk miskend door het enkele feit dat hij geen afschrift heeft kunnen nemen van het volledige dossier; wanneer een inverdenkinggestelde zich beklaagt over de miskenning van zijn recht van verdediging omdat hij geen kopie van het dossier van de voorlopige hechtenis heeft kunnen nemen, kan het onderzoeksgerecht hem ter remediëring daarvan een uitstel van de behandeling van de zaak voorstellen en kan het, indien hij dat uitstel weigert, daarmee rekening houden bij de beoordeling van de aangevoerde miskenning en het enkele feit dat het uitstel leidt tot een verlenging van de termijn van de voorlopige hechtenis, waaraan de inverdenkinggestelde niet kan worden verplicht mee te werken, doet daaraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Recht om met eigen middelen kopie te nemen - Miskenning van het recht van verdediging - Remediëring - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Recht om met eigen middelen kopie te nemen - Miskenning van het recht van verdediging - Remediëring - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Recht om met eigen middelen kopie te nemen - Miskenning van het recht van verdediging - Remediëring - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1503.N X A J-M J J P, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM en artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, alsook dat eisers recht van verdediging niet is miskend en zijn hechtenis niet moet worden opgeheven omdat hij tijdens de in die bepaling voorgeschreven inzagetermijn geen leesbare kopie van het volledige dossier heeft kunnen nemen; zodoende wordt eisers recht op kopiename uitgehold; het arrest mag geen rekening ermee houden dat de eiser geen nieuw uitstel van de behandeling van zijn zaak heeft gevraagd; de eiser kan immers niet worden verplicht zijn hechtenis te verlengen.
  4. Uit artikel 5.4 EVRM volgt niet de verplichting om een aangehouden inverdenkinggestelde, in het kader van zijn recht op inzage van het dossier, toe te laten een afschrift te nemen van dat dossier.
  5. Artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “Het dossier wordt gedurende de laatste werkdag vóór de verschijning ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman. De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden. Deze terbeschikkingstelling kan gebeuren in de vorm van afschriften, in voorkomend geval in elektronische vorm, die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard. Indien de voorafgaande dag geen werkdag is, wordt het dossier opnieuw te hunner beschikking gehouden gedurende de voormiddag van de dag van verschijning; in dat geval heeft de verschijning voor de raadkamer 's namiddags plaats.”
  6. Artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Evenmin verplicht een eventuele schending van die bepaling het onderzoeksgerecht om de voorlopige hechtenis zonder meer op te heffen. Die opheffing dringt zich enkel op indien het onderzoeksgerecht vaststelt dat door de onmogelijkheid tot kopiename van het dossier, het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde onherroepelijk is geschaad. Het onderzoeksgerecht oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen onverantwoorde gevolgen afleidt.
  7. Het recht van verdediging van een inverdenkinggestelde die tijdens de in artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn inzage heeft kunnen nemen in het strafdossier, wordt niet onherroepelijk miskend door het enkele feit dat hij geen afschrift heeft kunnen nemen van het volledige dossier.
  8. Wanneer een inverdenkinggestelde zich beklaagt over de miskenning van zijn recht van verdediging omdat hij geen kopie van het dossier van de voorlopige hechtenis heeft kunnen nemen, kan het onderzoeksgerecht hem ter remediëring daarvan een uitstel van de behandeling van de zaak voorstellen en kan het, indien hij dat uitstel weigert, daarmee rekening houden bij de beoordeling van de aangevoerde miskenning. Het enkele feit dat het uitstel leidt tot een verlenging van de termijn van de voorlopige hechtenis, waaraan de inverdenkinggestelde niet kan worden verplicht mee te werken, doet daaraan geen afbreuk.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt in de bovenvermelde zin, alsook onder meer dat: - de eiser niet lijkt te betwisten dat hij op grond van zijn wettelijk inzagerecht effectief de mogelijkheid heeft gehad inzage te nemen van het volledige digitale strafdossier; - de eiser niet afdoende aannemelijk maakt dat het hem bij deze gelegenheid daadwerkelijk technisch onmogelijk was om met eigen middelen kopie te nemen van het strafdossier. De eiser stelt in conclusie dat de scans (foto's) van het elektronisch dossier zo goed als onleesbaar zijn en dat een document dient te worden verkleind tot 46% om het in zijn geheel te kunnen bekijken zodat de scans van deze verkleinde documenten de leesbaarheid nog moeilijker maken. Moeilijk betekent niet onmogelijk; - een onherroepelijke miskenning van het recht van verdediging is in casu niet aangetoond, te meer daar uit het strafdossier en de eigen conclusie van de eiser blijkt dat hij tot tweemaal toe uitstel verkreeg van de raadkamer om hem toe te laten verder kennis te nemen van het strafdossier; - ook ter rechtszitting aan de advocaat van de eiser de kans werd geboden om een uitstel te verzoeken met het oog op verdere inzage van het strafdossier. De advocaat van de eiser ging hierop niet in. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de voorlopige hechtenis van de eiser niet moet worden opgeheven wegens de onherroepelijke miskenning van zijn recht van verdediging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 7 december 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.20 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220705.VAK.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.