← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 61bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter - Laattijdigheid - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 61bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Allerlei Vrije woorden: Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter - Laattijdigheid - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 61bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter - Laattijdigheid - Gevolgen - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 61bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Strafzaken - Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter - Laattijdigheid - Gevolgen - Beoordeling - Toezicht door het Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 61bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 7 Het recht van verdediging van een beklaagde kan onherroepelijk zijn aangetast wanneer hij ingevolge het tijdsverloop vóór zijn laattijdige inverdenkingstelling, uit onwetendheid determinerend bewijs à décharge onherroepelijk verloren heeft laten gaan, maar dit is niet het geval wanneer de beklaagde vóór zijn inverdenkingstelling reeds over voldoende informatie beschikte om te weten dat hij minstens uit voorzorg dergelijk bewijsmateriaal diende bij te houden; om uit te maken of de beklaagde over die informatie beschikte, dient de rechter enkel rekening te houden met de feitelijke toestand waarin de beklaagde zich tijdens het onderzoek bevond, ongeacht of die toestand impliceert dat bepaalde rechten of keuzemogelijkheden niet zouden zijn geëerbiedigd en de rechter kan daartoe alle gegevens van het strafdossier in aanmerking nemen, waaronder de bekendheid van de beklaagde met andere toenmalige inverdenkinggestelden en zijn proceshouding tijdens het strafonderzoek en de regeling van de rechtspleging; de rechter kan de aanvoering van de beklaagde dat determinerend bewijs verloren is gegaan afwegen tegenover de aard van dat bewijs, de normale omgang met gegevens uit het verleden en de totaliteit van het verzamelde bewijs en hij kan op die gronden oordelen dat deze aanvoering niet aannemelijk is. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Onderzoek in strafzaken - Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter - Laattijdigheid - Onherroepelijke aantasting van het recht van verdediging - Het verloren gaan van determinerend bewijs door tijdsverloop - Grenzen Onderzoek in strafzaken - Inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter - Laattijdigheid - Onherroepelijke aantasting van het recht van verdediging - Het verloren gaan van determinerend bewijs door tijdsverloop - Beoordeling - Wijze Annotaties Publicaties: NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2022, nr. 4, p. 289-

  1. - TERSAGO, Pieter; Noot'De inverdenkingstelling: een uitgeholde formaliteit in een verouderd strafprocesrecht-het verdachtenverhoor als nieuwe katalysator van participatierechten?' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0969.N I C G R R, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, II V A J G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johny Dewit, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9070 Heusden, Bommelsrede 26, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 juni
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiseres Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest beslist dat de laattijdige inverdenkingstelling van de eiseres haar recht van verdediging niet heeft aangetast; het leidt uit het proces-verbaal van 24 oktober 2011 af dat de eiseres op die datum werd verhoord als verdachte en dat er voor haar zelfs geen twijfel kon bestaan over het feit dat zij het voorwerp was van een strafrechtelijk onderzoek; aldus miskent het arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal omdat daaruit niet blijkt dat de eiseres als verdachte in het gerechtelijk onderzoek werd verhoord; de loutere stijlformule inzake de van toepassing zijnde rechten doet daaraan geen afbreuk; evenmin kon de eiseres voorafgaand overleg hebben met een advocaat.
  4. Het arrest (p. 21-22) oordeelt: “[De eiseres] werd voor het eerst verhoord op 24 oktober 2011 en werd daarbij omstandig ingelicht omtrent haar rechten (recht te zwijgen, verklaringen vormen bewijselementen, recht om onderzoekshandelingen te vragen, recht om een nieuw verhoor te vragen, mogelijkheid dat zij zou aangehouden worden), op een wijze die geen enkele twijfel konden laten bestaan dat (ook) zijzelf het voorwerp was van een strafrechtelijk onderzoek. Nadien werd zij persoonlijk inderdaad niet meer verontrust, om pas op 15 juni 2017 opnieuw te worden verhoord. Dat neemt niet weg dat zij wel permanent wist dat zij een verdachte was in een strafonderzoek aangaande fiscale malversaties.(…) [De eiseres] was in de loop van het strafonderzoek voldoende verontrust om haar ertoe aan te zetten haar verdediging en mogelijke bewijsmiddelen te vrijwaren.” Het arrest leidt uit onder meer die redenen af dat de wijze waarop de eiseres in het strafonderzoek werd betrokken, haar recht van verdediging niet heeft aangetast.
  5. Met de vermelde redenen geeft het arrest geen uitlegging van het proces-verbaal van 24 oktober 2011, maar leidt het enkel een feitelijk gevolg eruit af, namelijk de kennis die de eiseres heeft opgedaan bij haar toenmalig verhoor. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.a, 6.3.b, 6.3.c en 13 EVRM en artikel 61bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: uit de feiten die het arrest vaststelt, meer bepaald dat de eiseres op basis van het proces-verbaal van 24 oktober 2011 wist dat zij een verdachte was in een strafonderzoek over fiscale malversaties, dat haar band met de eiser haar bijkomend inzicht in het strafdossier verschafte, dat zij tijdens het strafonderzoek niet om bijkomend onderzoek heeft gevraagd of heeft aangevoerd in de onmogelijkheid te zijn geplaatst haar verweer te voeren en tegenbewijs bij te brengen en dat niet in te zien valt hoe de eiseres tegenbewijs had kunnen leveren met betrekking tot de telastlegging H.3, gelet op het objectieve bewijs inzake die telastlegging, kan het niet wettig afleiden dat er geen sprake is van een laattijdige inverdenkingstelling die het recht van verdediging onherstelbaar heeft aangetast; de eiseres had op 24 oktober 2011 immers niet de bijstand van een advocaat waarop zij als verdachte recht zou hebben; dat de eiseres via de eiser kennis zou hebben van het strafonderzoek is speculatief en in strijd met het geheim van het onderzoek en eventueel het vermoeden van onschuld van de beide eisers, niets belet de eiseres een middel over de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering eerst voor de vonnisrechter aan te voeren en de reden dat de eiseres destijds geen nuttig verweer over haar domicilie had kunnen voeren miskent haar vermoeden van onschuld, terwijl de eiseres op 24 oktober 2011 niet is ondervraagd over de telastlegging H.
  7. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiseres op 24 oktober 2011 niet is ondervraagd over de telastlegging H.3, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  8. Op grond van artikel 61bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering moet de onderzoeksrechter elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan in verdenking stellen.
  9. De wet bepaalt geen sanctie indien de onderzoeksrechter niet tijdig overgaat tot een inverdenkingstelling. Dit kan dan ook niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering, behoudens indien daardoor de uitoefening van het recht van verdediging van de beklaagde onherroepelijk is aangetast. De rechter beslist onaantastbaar of dat het geval is. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onverantwoorde gevolgen afleidt.
  10. Het recht van verdediging van een beklaagde kan onherroepelijk zijn aangetast wanneer hij ingevolge het tijdsverloop vóór zijn laattijdige inverdenkingstelling, uit onwetendheid determinerend bewijs à décharge onherroepelijk verloren heeft laten gaan. Dit is niet het geval wanneer de beklaagde vóór zijn inverdenkingstelling reeds over voldoende informatie beschikte om te weten dat hij minstens uit voorzorg dergelijk bewijsmateriaal diende bij te houden.
  11. Om uit te maken of de beklaagde over die informatie beschikte, dient de rechter enkel rekening te houden met de feitelijke toestand waarin de beklaagde zich tijdens het onderzoek bevond, ongeacht of die toestand impliceert dat bepaalde rechten of keuzemogelijkheden niet zouden zijn geëerbiedigd. De rechter kan daartoe alle gegevens van het strafdossier in aanmerking nemen, waaronder de bekendheid van de beklaagde met andere toenmalige inverdenkinggestelden en zijn proceshouding tijdens het strafonderzoek en de regeling van de rechtspleging.
  12. De rechter kan de aanvoering van de beklaagde dat determinerend bewijs verloren is gegaan afwegen tegenover de aard van dat bewijs, de normale omgang met gegevens uit het verleden en de totaliteit van het verzamelde bewijs. De rechter kan op die gronden oordelen dat deze aanvoering niet aannemelijk is.
  13. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het arrest beantwoordt het verweer van de eiseres met de in het eerste onderdeel vermelde redenen, alsmede met de navolgende redenen: - de eiseres had gedurende het gehele verloop van het strafonderzoek een nauwe, minstens professionele band met de eiser, die tussen 24 oktober 2011 en 16 mei 2012 vijfmaal en uitgebreider is verhoord over alle aspecten die tot de uiteindelijke telastleggingen zouden leiden. Minstens via de eiser verkreeg de eiseres nog bijkomend inzicht in de inhoud van het strafdossier; - de eiseres heeft op geen enkel ogenblik in de loop van het strafonderzoek of bij de regeling van de rechtspleging om bijkomende onderzoeksdaden verzocht of aangevoerd dat zij in de onmogelijkheid werd geplaatst om haar verweer te voeren en tegenbewijs bij te brengen; - het objectieve bewijs inzake telastlegging H.3 is dermate overweldigend en onbetwistbaar dat niet valt in te zien welk ‘tegenbewijs’ de eiseres daartegen zou kunnen inbrengen. Haar beweringen op dat vlak zijn puur hypothetisch en hebben geen enkele feitelijke grondslag: ze geeft geen begin van informatie over de aard van haar woning in Luxemburg, haar sociale leven aldaar, namen van getuigen, haar huurovereenkomst‚ etc. Dit zijn allemaal elementen waarvan niet aannemelijk is dat die door het loutere verloop van de tijd zouden zijn vergeten of verdwenen; - in de mate dat de eiseres nuttige bewijselementen door de lange duur van het strafonderzoek zou hebben verloren, wat zij niet aannemelijk maakt, is dat enkel te wijten aan haar eigen handelen of stilzitten. Uit het geheel van die vaststellingen kan het arrest wettig afleiden dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiseres niet onherstelbaar zijn aangetast door een laattijdige inverdenkingstelling overeenkomstig artikel 61bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en dat de strafvordering bijgevolg ontvankelijk is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres en zesde middel, eerste onderdeel, van de eiser
  15. Het middel en het onderdeel voeren schending aan van de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod: het arrest veroordeelt de eiseres, na vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, tot het verbod om gedurende een termijn van respectievelijk vijf en acht jaren functies waar te nemen in een rechtspersoon en om een koopmansbedrijf uit te oefenen; uit de vaststellingen van het arrest blijkt eensdeels niet dat de eisers andere feiten zouden hebben gepleegd dan deze vervat in de fiscale regularisatie of dat zij daarna nog misdrijven zouden hebben gepleegd; uit die vaststellingen blijkt anderdeels wel dat intussen meer dan tien jaren zijn verstreken sedert de aanvang van de redelijke termijn waarvan de overschrijding te wijten is aan de gerechtelijke autoriteiten en dat de eisers gedurende al die tijd verder de functies hebben uitgeoefend bedoeld in de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod; uit die vaststellingen kunnen de appelrechters niet wettig afleiden dat er op het ogenblik van de uitspraak nog steeds sprake is van een groot gevaar voor het economisch verkeer door het verder uitoefenen van die functies door de eisers.
  16. Het arrest (p. 51) oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt, maar ook: “De bewezen verklaarde feiten zijn bijzonder stuitend en getuigen van een volledig egocentrische ingesteldheid van [de eisers], die alle beschikbare juridische en administratieve middelen hebben ingeschakeld of vervalst om hun winsten te maximaliseren en hun plicht tot bijdrage aan de gemeenschap te ontlopen. Daarbij creëerden ze voor zichzelf uiteraard ook op bedrieglijke wijze een concurrentieel voordeel ten opzichte van de eerlijke marktdeelnemers. De maatschappelijke schade is zeer groot - de ontdoken belastingen lopen in de miljoenen euro. Het frauduleus inzicht van [de eisers] was alomvattend en zeer langdurig. Het feit dat verschillende vennootschappen tot regularisering zijn overgegaan, doet uiteraard generlei afbreuk aan de ernst van de feiten - het lijdt geen twijfel dat, indien er geen fiscale controle was geweest, [de eisers] nooit zouden hebben geregulariseerd. Evenmin betreft het verzachtende omstandigheden. Er zij daarbij mede op gewezen dat er enkel bewijzen van de betaling van de fiscale schulden van de vennootschappen worden voorgelegd, niet van die van [de eisers] zelf.” In zoverre berusten het middel en het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en missen zij feitelijke grondslag.
  17. Bovendien leidt het arrest (p. 51 en 53-54) de beslissing om aan de eisers de beroepsverboden bepaald in de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod op te leggen, af uit de volgende vaststellingen: - de eisers hebben de vennootschappen waarin zij hun handelsactiviteiten ontwikkelden langdurig en voortdurend manifest misbruikt en zijn voorbijgegaan aan alle essentiële regels en principes inzake een bedrijfsvoering te goeder trouw. Zij hebben valse overeenkomsten opgesteld, boekhoudingen vervalst en ongerechtvaardigde vermogensverschuivingen gedaan ten nadele van hun vennootschappen zelf en de schuldeisers ervan; - zij vormen dan ook een groot gevaar voor het economisch verkeer. Het risico blijft actueel nu de eisers nog steeds samenwerken binnen de vennootschappen Postalia, met dezelfde bedrijfsactiviteit als voorheen en dezelfde beproefde methode dat de eiseres de officiële zaakvoerder is en de eiser in de achtergrond mede aan de touwtjes trekt; - het blijft dan ook noodzakelijk aan de eisers een verbod op te leggen functies waar te nemen in een rechtspersoon en een koopmansbedrijf te exploiteren; - daarmee wordt geen disproportionele sanctie opgelegd. De eisers hebben zeer lange tijd bewezen hun professionele activiteiten volledig illegaal te omkaderen en boekhoudkundig voor te stellen. De omvang en duur van de feiten is groot en het gevaar op recidive zeer reëel. Het opgelegde beroepsuitoefeningsverbod biedt daarop een antwoord, dat in verhouding is met die vaststellingen, ook wanneer de overschrijding van de redelijke termijn in rekening wordt gebracht. Op grond van die vaststellingen kan het arrest wettig beslissen om aan de eisers de bedoelde beroepsverboden op te leggen. In zoverre kunnen het middel en het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser
  18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest steunt de beslissing dat voor de eiser geen verzachtende omstandigheden in rekening kunnen worden gebracht op het feit dat er enkel bewijzen worden voorgelegd van de betaling van de fiscale schulden van de vennootschappen en niet van die van de eisers zelf; aldus miskent het arrest de bewijskracht van die betaalbewijzen omdat ze samen moeten worden gelezen met de onderliggende raamovereenkomst tussen de eisers en de Bijzondere Belastinginspectie Brugge van 17 september 2018, die de eiser heeft voorgebracht en waaruit blijkt dat de betaalbewijzen voor de regularisatie van de vennootschappen ook betrekking hebben op de fiscale regularisatie van de eisers persoonlijk; eveneens miskent het arrest de bewijskracht van die raamovereenkomst.
  19. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de grief die enkel verband houdt met de miskenning van de bewijskracht van akten. In zoverre faalt het middel naar recht.
  20. Het arrest steunt de beslissing over de aan de eiser op te leggen straf niet enkel op de bekritiseerde reden, maar ook op een geheel van andere redenen die deze beslissing dragen en die door de bekritiseerde reden onverlet worden gelaten.
  21. Het middel dat niet opkomt tegen deze redenen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser
  22. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 127 Wetboek van Vennootschappen: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastlegging B.4 (valsheid in jaarrekeningen) omdat hij enkele ING-rekeningen niet in de boekhouding van De Rode Poort nv heeft opgenomen; het oordeelt dat het feit dat op die rekeningen geen ristorno’s zouden zijn gestort door De Post nv niet wegneemt dat ook die rekeningen vermogensbestanddelen zijn en in de boekhouding moeten worden opgenomen; het staat echter vast dat die rekeningen, waarop geen transacties zijn gebeurd, geen bestaansreden hadden voor De Rode Poort nv, zodat het al dan niet vermelden van die rekeningen in de boekhouding geenszins leidt tot een vertekend beeld van de vermogenstoestand van die vennootschap; bijgevolg is er geen sprake van enig bedrieglijk opzet bij de eiser; de beslissing die aldus de constitutieve bestanddelen van het bewezen verklaarde misdrijf miskent, is ook niet naar recht verantwoord.
  23. Onder de telastlegging B.4 is de eiser vervolgd om in de jaarrekeningen van De Rode Poort nv geen melding te hebben gemaakt van drie ING-rekeningen, waaronder een effectenrekening met een waarde van 123.946,00 euro.
  24. Noch uit die telastlegging noch uit enige reden van het arrest volgt dat op de bedoelde rekeningen geen transacties zijn gebeurd of dat die rekeningen geen bestaansreden hadden met het oog op het vormen van een juist beeld van de vermogenstoestand van de vennootschap. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  25. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde en vierde middel van de eiser
  26. Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 305 en 449, eerste lid, WIB92: het arrest motiveert eisers schuldigverklaring aan de telastleggingen C.1.a en C.1.b (bedrieglijke niet-aangifte vennootschapsbelastingen) aan de hand van dezelfde bewijselementen en dezelfde redenen als zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen B.4 en B.2 (valsheid in jaarrekeningen); de telastleggingen C.1.a en C.1.b slaan echter op de aanslagjaren 2003 tot 2008, terwijl de telastlegging B.4 enkel slaat op de aanslagjaren 2004 tot 2008 en de telastlegging B.2 enkel op de aanslagjaren 2005 tot 2009; bijgevolg kan eisers schuldigverklaring aan de telastlegging C.1.a voor aanslagjaar 2003 niet steunen op zijn schuldigverklaring aan de telastlegging B.4; hetzelfde geldt voor eisers schuldigverklaring aan de telastlegging C.1.b voor de aanslagjaren 2003 en 2004 ten aanzien van de telastlegging B.2; aldus ligt er geen bewijs voor van eisers schuld voor het aanslagjaar 2003 voor wat betreft de telastlegging C.1.a en voor de aanslagjaren 2003 en 2004 voor wat betreft de telastlegging C.1.b, zodat de beslissing niet regelmatig met redenen is omkleed of naar recht is verantwoord. Het vierde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan het witwasmisdrijf omschreven in de telastlegging G.5 omdat het oordeelt dat het daar vermelde bedrag het vermogensvoordeel uitmaakte van misbruik van vennoot-schapsgoederen, namelijk het zonder rechtvaardiging onttrekken van de opbrengst van de postactiviteiten aan de vennootschappen die daarin actief waren, en dat de illegale herkomst van dat bedrag werd verdoezeld door het te storten op een rekening van een ontbonden vennootschap; die storting maakt echter geen witwasmisdrijf uit, maar maakt deel uit van het misdrijf misbruik van vennoot-schapsgoederen; aldus is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed noch naar recht verantwoord.
  27. Het arrest veroordeelt de eiser tot één straf wegens de telastleggingen A.1, A.2.a, b en c, A.3, B.1 zoals beperkt, B.2, B.4, B.5, C.1.a, b, c, d en e, C.2.b, c zoals beperkt, e zoals beperkt, f zoals beperkt, D zoals beperkt, E.1, E.2.a, b en c zoals gepreciseerd, E.4.a en c; G.1, G.2, G.3, G.4, G.5 en H.1 zoals beperkt.
  28. Deze straf is wettig verantwoord door het bewezen verklaren van de telastleggingen A.1, A.2.a, b en c, A.3, B.1 zoals beperkt, B.2, B.4, B.5, C.1, c, d en e, C.2.b, c zoals beperkt, e zoals beperkt, f zoals beperkt, D zoals beperkt, E.1, E.2.a, b en c, E.4.a en c; G.1, G.2, G.3, G.4 en H.1 zoals beperkt. De middelen die slechts betrekking hebben op de telastleggingen C.1.a, C.1.b en G.5, kunnen niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde middel van de eiser
  29. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 54 WIB92: het arrest (p. 36) verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging C.1.d omdat eisers aanvoering dat in die telastlegging ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen Matrix Post Group bv en Matrix Post Group sarl, niet relevant is aangezien het gaat om feiten in de aanslagjaren 2010 en 2011 (inkomstenjaren 2009 en 2010), dit zijn twee jaren waarin Matrix Post Group bv betalingen deed aan Talbin Ltd. op grond van valse facturen, zodat de vraag of ook Matrix Post Group sarl dat nadien deed hoofdzakelijk in inkomstenjaar 2011, dus buiten de incriminatieperiode, geen belang heeft; het arrest oordeelt dat de telastlegging C.1.d voor wat betreft de incriminatieperiode (aanslagjaren 2010 en 2011) bewezen is omdat op grond van artikel 54 WIB92 het bewijs door de belastingplichtige niet werd geleverd dat de gefactureerde erelonen voor consult van de buitenlandse vennootschap Talbin Ltd. aan Matrix Post Group bv verband houden met werkelijke en oprechte verrichtingen en zij de normale grenzen niet overschrijden; het arrest oordeelt bijgevolg dat er op grond van artikel 54 WIB92 sprake is van fictieve facturen en dit voor een totaal bedrag van 4.812.796,36 euro met als doel het belastbaar resultaat van Matrix Post Group bv te verminderen; bijgevolg dient de aftrek van voormeld integraal bedrag aan betalingen van fictieve prestaties voor de boekjaren 2009 en 2010 verworpen te worden in hoofde van Matrix Post Group bv; uit eisers verweer blijkt dat een belangrijk deel van de betalingen aan Talbin Ltd. tijdens de vermelde incriminatieperiode wel degelijk werd verricht door Matrix Post Group sarl; de aftrek voor die betalingen kan bijgevolg niet worden verworpen op basis van artikel 54 WIB92 omdat Matrix Post Group sarl een Luxemburgse vennootschap betreft; bovendien is het onderscheid tussen Matrix Post Group bv en Matrix Post Group sarl wel degelijk van belang.
  30. Het arrest (p. 35) oordeelt met betrekking tot de telastlegging B.5 (valsheid in jaarrekeningen), waarmee de telastlegging C.1.d correspondeert, dat: - de betalingen die Matrix Post Group bv aan Talbin Ltd. moest doen, gebaseerd waren op onbestaande prestaties, zodat die bedrijfskosten fictief waren en niets anders waren dan het doorsluizen van winst; - door die facturen toch als kosten te boeken, valse jaarrekeningen werden opgesteld om de fiscale lasten te ontlopen; - de valse jaarrekeningen werden gebruikt om een vertekend beeld te geven van de vermogenstoestand van de vennootschap en de belastbare basis te reduceren. Met die redenen en de reden die het middel vermeldt, steunt het arrest de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging C.1.d niet op de toepassing van artikel 54 WIB
  31. In zoverre gaat het middel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  32. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet ontvankelijk. Zesde middel van de eiser Tweede onderdeel
  33. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: de appelrechters bevestigen de aan de eiser opgelegde beroepsverboden door te verwijzen naar een persoonlijke overweging waaruit naar eisers perceptie hun vooringenomenheid blijkt, namelijk dat het gevaar dat de eiser zou vormen voor het economisch verkeer een actueel risico blijft omdat “[de eisers] nog steeds samenwerken binnen de vennootschappen Postalia, met dezelfde bedrijfsactiviteit als voorheen en dezelfde beproefde methode dat [de eiseres] de officiële zaakvoerder is en [de eiser] in de achtergrond mede aan de touwtjes trekt”.
  34. De rechter die de beklaagde schuldig verklaart aan de hem ten laste gelegde feiten op grond van de gegevens van het strafdossier, kan vervolgens de strafmaat ten aanzien van die beklaagde bepalen aan de hand van een eigen appreciatie van die feiten en de persoonlijkheid van de betrokkene. Dat die appreciatie afkeurend is, houdt als dusdanig geen miskenning van enig recht van de beklaagde in.
  35. Een rechter kan niet partijdig of vooringenomen worden beschouwd in de zin van de als geschonden aangevoerde wetsbepalingen louter omdat een partij dit als zodanig ervaart op grond van de bewoordingen van de beslissing. Die perceptie moet objectief gerechtvaardigd zijn.
  36. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  37. Uit de reden die het onderdeel aanhaalt, blijkt objectief gezien bij de appelrechters geen blijk van partijdigheid of vooringenomenheid tegen de eiser. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  38. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet en alleszins niet op een toereikende wijze eisers verweer over de proportionaliteit van het beroepsverbod en de duur ervan, in het bijzonder in verhouding tot zijn leeftijd.
  39. Met de redenen die het arrest (“F. Straftoemeting”, nrs. 1-4 en 8) vermeldt en waarin het onder meer rekening houdt met de actuele professionele toestand van de eiser, beantwoordt het eisers verweer om geen of een lager beroepsverbod dan de eerste rechters op te leggen, zonder dat het moet antwoorden op alle argumenten die de eiser heeft aangevoerd tot staving van dat verweer, maar die geen zelfstandig verweer uitmaken. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  40. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in geheel op 284,41 euro, waarvan de eiseres 142,21 euro is verschuldigd en de eiser 142,20 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 7 december 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.