← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.13 Rolnummer: P.21.1552.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-12-21 Raadplegingen: 795 - laatst gezien 2026-06-18 19:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien het maximum van de straf, door de wet gesteld op het misdrijf op grond waarvan de voorlopige hechtenis wordt bevolen, vijftien jaar opsluiting te boven gaat, zijn de bijkomende voorwaarden voor de handhaving van de hechtenis zoals bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, niet van toepassing en in dat geval dient de rechter in beginsel slechts na te gaan of de handhaving van de hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en is hij niet ertoe gehouden te antwoorden op een conclusie waarin het bestaan van een of meerdere van die bijkomende voorwaarden wordt betwist

(1).
(1)Cass. 10 mei 2006, AR P.06.0644.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060510.10, AC 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Neerlegging van conclusie - Feit strafbaar met een straf boven vijftien jaar opsluiting - Verplichting om te antwoorden - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Onderzoeksgerecht - Neerlegging van conclusie - Feit strafbaar met een straf boven vijftien jaar opsluiting - Verplichting om te antwoorden - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1552.N G V, beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het oordeel dat de voorlopige hechtenis van de eiser moet worden gehandhaafd in de gevangenis is niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden niet op eisers appelconclusie waarin hij in hoofdorde om de invrijheidstelling onder voorwaarden had verzocht en ondergeschikt om de uitvoering van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht.
  4. Het middel preciseert niet waarom het arrest artikel 6 EVRM zou hebben geschonden. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  5. De appelrechters beslissen om de voorlopige hechtenis van de eiser te handhaven in de gevangenis en oordelen dat dit nog steeds noodzakelijk is voor de openbare veiligheid “gelet op de kennelijk gewelddadige ingesteldheid van [de eiser] zoals die tot uiting is gekomen tijdens het gerechtelijk onderzoek en rekening houdende met de feitelijke omstandigheden van deze zaak, [waarbij de eiser blijkbaar] niet [heeft] geschuwd om wapens ter hand te nemen en ook te gebruiken in handelingen van riskant acting out gedrag omwille van relationele conflicten”.
  6. Met die redenen, waarmee het arrest verantwoordt waarom de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser in de gevangenis nog steeds noodzakelijk is, geven de appelrechters noodzakelijk ook te kennen dat niet kan worden ingegaan op eisers verzoek om een invrijheidstelling onder voorwaarden of een voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht te bevelen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het oordeel dat de voorlopige hechtenis van de eiser moet worden gehandhaafd in de gevangenis is niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden niet op eisers appelconclusie waarin hij met verwijzing naar meerdere omstandigheden had aangevoerd dat er geen recidivegevaar is.
  8. Het middel preciseert niet waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  9. Indien het maximum van de straf, door de wet gesteld op het misdrijf op grond waarvan de voorlopige hechtenis wordt bevolen, vijftien jaar opsluiting te boven gaat, zijn de bijkomende voorwaarden voor de handhaving van de hechtenis zoals bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, niet van toepassing. In dat geval dient de rechter in beginsel slechts na te gaan of de handhaving van de hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en is hij niet ertoe gehouden te antwoorden op een conclusie waarin het bestaan van een of meerdere van die bijkomende voorwaarden wordt betwist. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. De voorlopige hechtenis van de eiser is onder meer gebaseerd op een telastlegging wegens poging tot moord, waarop de wet een straf stelt die vijftien jaar opsluiting te boven gaat. De appelrechters dienden dan ook niet te antwoorden op eisers conclusie met betrekking tot de afwezigheid van recidivegevaar. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 14 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060510.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.