id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.22 Rolnummer: P.21.1464.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-12-21 Raadplegingen: 492 - laatst gezien 2026-06-16 02:57 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Overeenkomstig artikel 425, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering wordt de verklaring van cassatieberoep gedaan door de advocaat op de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen en wordt zij door hem en de griffier getekend en ingeschreven in het daartoe bestemd register; deze regel geldt ook voor een cassatieberoep ingesteld tegen de bij toepassing van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek gewezen beschikking van de voorzitter van de rechtbank in verband met de verdeling van de zaken
(1).
(1)De eiser had op basis van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek, een procedure ingesteld die tot doel had zijn zaak toe te vertrouwen aan de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, daar waar zij was vastgesteld voor de afdeling Dendermonde, aangezien hij twijfelde aan de onpartijdigheid en objectiviteit van deze laatste. De voorzitter wees dit evenwel af en de eiser bekloeg er zich over dat hij tegen een dergelijke beschikking – waartegen enkel de procureur-generaal bij het hof van beroep zich in cassatie kan voorzien overeenkomstig artikel 642, tweede en derde lid, Gerechtelijk Wetboek – geen rechtsmiddel bezat en wilde dat het Hof hierover een prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof. Hij deed dit middels zijn cassatieberoep dat hij evenwel niet instelde met eerbiediging van de bepalingen van artikel 425, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering maar via een verzoekschrift ingediend ter griffie van het Hof. Er kan daarenboven worden opgemerkt dat de procedure van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek betrekking heeft op de materiële bevoegdheid van de verschillende secties of kamers binnen een rechtbank alsmede op de territoriale verdeling van de zaken (zie D. SCHEERS en P. THIRIAR, "Verdelingsincidenten en territoriale bevoegdheid: een brug te weinig", RW 2014-2015, 1202), maar zonder dat de eigenlijke bevoegdheid van de rechtbank zelf ter discussie staat. Wat hier beoogd wordt is een onttrekking wegens gewettigde verdenking die geen verdelingsincident is in de zin van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek en waarvoor er geëigende procedures bestaan. Het cassatieberoep werd dan ook niet ontvankelijk verklaard en aangezien dit gebeurde op basis van een andere grond dan die waarover eiser een prejudiciële vraag wenste te stellen, werd aan dit verzoek geen gevolg gegeven. AW Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek - Incident met betrekking tot de verdeling van de zaken - Beschikking van de voorzitter van de rechtbank - Rechtsmiddel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 425, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 88, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Vorm - Verklaring ter griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 425, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 88, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1464.N P R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de bij toepassing van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek gewezen beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen van 4 oktober 2021 (lees 4 november 2021). De eiser voert in een verzoekschrift die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Overeenkomstig artikel 425, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering wordt de verklaring van cassatieberoep gedaan door de advocaat op de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen en wordt zij door hem en de griffier getekend en ingeschreven in het daartoe bestemd register. 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de raadsman van de eiser een verklaring van cassatieberoep tegen de voormelde bij toepassing van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek gewezen beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen heeft afgelegd ter griffie van die rechtbank. 3. Het cassatieberoep ingesteld door middel van een ter griffie van het Hof ingediend verzoekschrift, is niet ontvankelijk. 4. Aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard op een andere grond dan die waarover de eiser een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wenst gesteld te zien, is er geen grond om die vraag te stellen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div