← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 46bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 88bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Verschil in motiveringsplicht tussen de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering - Geen klaarblijkelijke schending - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, 2°, tweede lid, en § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek

Art. 46bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 88bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Verschil in motiveringsplicht tussen de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering - Geen klaarblijkelijke schending - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, 2°, tweede lid, en § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek

Art. 46bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 88bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Artikel 46bis, Wetboek van Strafvordering - Medewerking van de operator van een elektronisch communicatienetwerk, de verstrekker van een elektronische communicatiedienst of een politiedienst - Motivering - Beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, 2°, tweede lid, en § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek

Art. 46bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 88bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Artikel 88bis, Wetboek van Strafvordering - Medewerking van de operator van een elektronisch communicatienetwerk, de verstrekker van een elektronische communicatiedienst of een politiedienst - Motivering - Beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, 2°, tweede lid, en § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek

Art. 46bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 88bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 7 Uit de bepalingen van artikel 46bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 88bis Wetboek van Strafvordering, volgt dat uit de motivering van de schriftelijke beslissing van de procureur des Konings of in voorkomend geval de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 46bis Wetboek van Strafvordering moet blijken dat die beslissing is genomen rekening houdend met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit maar die bepalingen vereisen niet dat de procureur des Konings of de onderzoeksrechter het voldoen aan de voorwaarden van proportionaliteit en subsidiariteit concreet en aan de hand van de feitelijke elementen van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek motiveert zodat die motivering kan bestaan uit een opgave van of een verwijzing naar de feitelijke elementen van de zaak en de noden van het onderzoek

(1).
(1)Cass. 12 mei 2015, AR P.13.1399.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150512.2, AC 2015, nr. 303; Cass. 17 december 2013, AR P.13.1438.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131217.8, AC 2013, nr. 691; Cass. 29 maart 2011, T. Strafr. 2011/6 met noot van J. KERKHOFS en P. VAN LINTHOUT, "Artikel 46bis van het Wetboek van Strafvordering en de motiveringsplicht: de minimis non curat praetor?", 426-431. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Artikel 88bis, Wetboek van Strafvordering - Medewerking van de operator van een elektronisch communicatienetwerk, de verstrekker van een elektronische communicatiedienst of een politiedienst - Motivering - Beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 46bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 88bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Artikel 88bis, Wetboek van Strafvordering - Medewerking van de operator van een elektronisch communicatienetwerk, de verstrekker van een elektronische communicatiedienst of een politiedienst - Motivering - Beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 46bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 88bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1141.N I A C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, II A L, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Laura Otte, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 juli

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de regel van de bewijskracht van geschreven stukken: met de loutere vaststelling dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de motivering van drie telefoniebeschikkingen van 13 januari 2015 en 26 februari 2015 summier is, miskent het arrest de bewijskracht van het beroepen vonnis, dat vermeldt dat die beschikkingen niet regelmatig zijn omdat zij niet voldoen aan de motiveringsvereisten van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering.
  3. Eensdeels stelt het arrest (p. 13) vast dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de telefoniebeschikkingen summier maar correct werden gemotiveerd, behoudens de verder vermelde uitzondering. Anderdeels past het arrest, zoals de eerste rechter, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering toe op de in het onderdeel vermelde beschikkingen. Aldus geeft het arrest te kennen dat die beschikkingen onregelmatig zijn en geeft het van het beroepen vonnis een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels van de motivering in strafzaken en het recht van verdediging: het arrest oordeelt enerzijds dat het de stelling van de eiser I dat de telefoniebeschikkingen onregelmatig zijn niet bijtreedt, maar neemt anderzijds wel de motivering over van de eerste rechter die oordeelt dat drie telefoniebeschikkingen niet voldoen aan de motiveringsvereisten van artikel 88bis, derde lid, Wetboek van Strafvordering; aldus is de motivering van het arrest intern tegenstrijdig en is het bestreden arrest niet naar recht gemotiveerd.
  5. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, is niet tegenstrijdig gemotiveerd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels van de motivering in strafzaken en het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet eisers verweer over de miskenning van het recht op een eerlijk proces ingevolge de onvoldoende motivering van de telefoonbeschikkingen verleend op grond van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering; de eiser I heeft aangevoerd dat het gebruik van een standaardmotivering in diverse beschikkingen en het niet ondertekend zijn van een van de beschikkingen wijst op een grove veronachtzaming of nalatigheid, dat het recht op tegenspraak is miskend omdat er geen controlemogelijkheid bestaat over de motieven voor de beschikkingen toen deze werden uitgevaardigd en dat deze gebreken ook een miskenning van de loyauteit van de bewijsgaring uitmaken; aldus vermeldt het arrest niet waarom er geen schending van artikel 6.1 EVRM voorligt.
  7. Met de redenen die het arrest overneemt van het beroepen vonnis (p. 22-26) en deze die het (p. 13-16) zelf vermeldt, onder meer dat een aantal telefoniebeschikkingen summier maar correct zijn gemotiveerd, dat de begane onregelmatigheden louter van formele aard zijn en niet opzettelijk werden begaan, te meer daar het toenmalige artikel 88bis Wetboek van Strafvordering geen uitdrukkelijke motivering van de proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregel vereiste, en dat de eiser I zich heeft kunnen verdedigen op de resultaten van de beschikkingen, beantwoordt het arrest eisers verweer en vermeldt het waarom artikel 6.1 EVRM hier niet is geschonden. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het arrest moet antwoorden op elk argument dat de eiser I tot staving van zijn verweer heeft aangevoerd, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de enkele redenen van het arrest dat de eiser I de resultaten van het onderzoek heeft kunnen inzien en dat hij daarover verweer heeft kunnen voeren, volstaan niet om te oordelen dat eisers recht op een eerlijk proces niet is miskend door het onregelmatige bewijs; het betreft hier immers twee op zichzelf bestaande basisvereisten voor het eerbiedigen van het recht op een eerlijk proces; die redenen volstaan niet als criteria voor de toepassing van voormeld artikel
  9. De rechter kan het oordeel dat is voldaan aan het in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalde vereiste dat het gebruik van het onregelmatig verkregen bewijs niet in strijd mag zijn met het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, onder meer steunen op de vaststelling dat voldaan is aan andere vereisten voor het eerbiedigen van dat recht. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Met de in het antwoord op het derde onderdeel vermelde redenen, waarvan de in dit onderdeel vermelde redenen deel uitmaken, is de beslissing dat eisers recht op een eerlijk proces niet is miskend, naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM, de artikelen 10, 11 en 22 Grondwet en artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen noodzaak is om aan het Grondwettelijk Hof de in het derde onderdeel van dit middel hernomen prejudiciële vraag te stellen of de motiveringsverplichting van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing in de periode van de telefoniebeschikkingen van 1 januari 2015 tot 30 juni 2016, geen schending inhield van de artikelen 10 en 11 Grondwet, daar waar die maatregel minder moest zijn gemotiveerd dan de maatregel van artikel 46bis Wetboek van Strafvordering, die de privacy nochtans minder miskent; het opvragen van de in artikel 88bis bedoelde oproep- en telecommunicatiegegevens vereiste immers enkel een met redenen omkleed bevelschrift dat de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel wettigden moest vermelden, terwijl de beslissing tot het opvragen van de in artikel 46bis bedoelde identificaties ook de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad dient te weerspiegelen; de redenen van het arrest, namelijk dat artikel 46bis ook kon worden toegepast door de procureur des Konings terwijl artikel 88bis buiten heterdaad enkel kon worden toegepast door de onderzoeksrechter en dat de strengere motiveringsplicht destijds werd ingevoerd in artikel 46bis gelet op de delegatiebevoegdheid aan een officier van gerechtelijk politie, zijn onjuist of volstaan niet om te oordelen dat dit verschil kennelijk het gelijkheidsbeginsel niet miskent.
  12. Op grond van artikel 26, § 2, 2°, tweede lid, en § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor voorziening in cassatie niet gehouden een opgeworpen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen wanneer de wet een artikel van titel II van de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt. Het volstaat dat het rechtscollege zijn oordeel verduidelijkt aan de hand van een of meerdere redenen die de beslissing kunnen dragen. Het moet de reden of de redenen daarvoor niet omstandig en genuanceerd onderbouwen.
  13. De in het onderdeel vermelde redenen van het arrest kunnen de beslissing dragen dat het verschil in motiveringsplicht tussen de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet miskent. Dat de wetgever nadien heeft geoordeeld dat de door de beide artikelen vereiste motiveringsplicht tekstueel diende te worden gelijkgeschakeld op grond van een onderlinge afweging van de privacygevoeligheid van de respectieve ermee beoogde maatregelen, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, kan het niet worden aangenomen.
  14. De aangevoerde schending van artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de eiser I opgeworpen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen; met die enkele vaststelling beantwoordt het arrest ook niet eisers verweer.
  16. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 24, derde alinea) oordeelt het eveneens dat het verschil tussen de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet miskent. In zoverre gaat het onderdeel uit van een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  17. Voor het overige komt het onderdeel op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  18. Het onderdeel vraagt om, gelet op de onderling vergeleken draagwijdte van de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, minstens de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt art. 88bis van het Wetboek van strafvordering, in de versie zoals ze van toepassing was tussen 01.01.2015 en 30.06.2016 de artikelen 10, 11 en 22 Grondwet, samengelezen met art. 8 EVRM, waar deze enkel voorzag in een verplichting van het bestaan van een beschikking van de Onderzoeksrechter, die moest gemotiveerd zijn met de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel wettigen, maar waarin geen opgave moest gebeuren van de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad, terwijl dat wel noodzakelijk was als de Onderzoeksrechter een beschikking uitvaardigde op grond van art. 46bis van het Wetboek van strafvordering, wat een mindere inbreuk uitmaakt op art. 8 EVRM?”
  19. Artikel 46bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de procureur des Konings bij een gemotiveerde en schriftelijke beslissing de medewerking kan vorderen van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst of van een door de Koning aangewezen politiedienst teneinde de in die bepaling bedoelde gegevens te vernemen. Het tweede lid van die paragraaf bepaalt dat de motivering de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad dient te weerspiegelen. Die bepalingen zijn ook van toepassing op de onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter die opdracht geeft tot die onderzoekshandeling in het kader van een bevelschrift op grond van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, dient dit bevelschrift op dezelfde wijze te motiveren.
  20. Uit de voormelde bepalingen volgt dat uit de motivering van de schriftelijke beslissing van de procureur des Konings of in voorkomend geval de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 46bis Wetboek van Strafvordering moet blijken dat die beslissing is genomen rekening houdend met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Die bepalingen vereisen echter niet dat de procureur des Konings of de onderzoeksrechter het voldoen aan de voorwaarden van proportionaliteit en subsidiariteit concreet en aan de hand van de feitelijke elementen van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek motiveert. Die motivering kan zodoende bestaan uit een opgave van of een verwijzing naar de feitelijke elementen van de zaak en de noden van het onderzoek.
  21. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat artikel 46bis Wetboek van Strafvordering, anders dan artikel 88bis Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, de procureur des Konings of de onderzoeksrechter verplicht om in de beslissing uitdrukkelijk opgave te doen van de proportionaliteit van de maatregel met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en van de subsidiariteit ervan ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad, faalt het naar recht.
  22. De prejudiciële vraag die is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Derde middel van de eiser I Eerste onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging: met de reden “De verdediging geeft in conclusie een aantal voorbeelden waar de onderzoeksrechter de selectie in de verslagen heeft aanvaard. Het is niet aan de verdediging van [de eiser I] om te gaan beoordelen of de onderzoeksrechter al dan niet ‘blind de selectie heeft overgenomen zonder zelf een controle uit te voeren waarbij hij heeft nagelaten een onderzoek à décharge uit te voeren', zoals in conclusie op gratuite wijze wordt beweerd” ontneemt het arrest de eiser I het recht zijn verdediging vrij te voeren.
  24. In zijn appelconclusie heeft de eiser I aangevoerd dat het, bij gebrek aan inhoudelijke vijfdaagse verslagen, voor de onderzoeksrechter onmogelijk is om de selectie van de relevante telefoongesprekken door de politie nog te controleren en heeft hij een aantal voorbeelden opgesomd waaruit zijns inziens blijkt dat de onderzoeksrechter die controle hier niet heeft gedaan. De eiser I heeft daarbij, in de voormelde bewoordingen, aangevoerd dat de onderzoeksrechter te kort is gekomen aan zijn verplichting om zelf de relevante tapgesprekken te selecteren.
  25. Het enkele feit dat de rechter, als onderdeel van zijn globale antwoord op een verweer van een beklaagde, een appreciatie geeft over de strekking van dat verweer of over bepaalde bewoordingen ervan, impliceert nog geen miskenning van het recht van de beklaagde om vrij verweer te voeren.
  26. Met de bekritiseerde reden geeft het arrest te kennen dat de informatiepositie waarin de eiser I zich bevindt, hem niet toelaat aan de onderzoeksrechter het verwijt te maken, zoals hier concreet geformuleerd, dat hij niet zou hebben voldaan aan zijn verplichting om de relevante telefoontaps te selecteren en dus een onderzoek à décharge uit te voeren. Daarmee ontneemt het arrest aan de eiser I niet het recht zijn verdediging vrij te voeren. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de onder het eerste onderdeel vermelde reden beantwoordt het arrest niet eisers met voorbeelden gestaafde verweer over het feit dat de onderzoeksrechter blindelings de selectie van de relevante tapgesprekken door de politie heeft gevolgd.
  28. Het arrest (p. 16-18) beantwoordt eisers verweer niet enkel met de vermelde reden, maar ook met de reden, die het nader toelicht, dat het niet de bedoeling kan zijn om op gedetailleerde wijze de inhoud weer te geven van de geïntercepteerde communicatie die de onderzoeksrechter nog niet als relevant heeft aangemerkt, noch om die communicatie volledig uit te schrijven en te vertalen binnen de vijf dagen, alsook met de redenen dat de vijfdaagse verslagen en de selectie van de relevante tapgesprekken wetsconform zijn, dat het volstaat dat de onderzoeksrechter zijn goedkeuring geeft aan de door de onderzoekers voorgestelde selectie en dat de verdediging kennis heeft kunnen nemen van alle afgeluisterde gesprekken. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder dat het moet antwoorden op de tot staving daarvan aangevoerde voorbeelden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I
  29. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt: “De verdediging heeft bovendien steeds, ter vrijwaring van hun recht van verdediging, de mogelijkheid gehad om, in toepassing van art. 90septies Sv., kennis te nemen van alle afgeluisterde gesprekken, relevante en niet-relevante, in een beluisterbare vorm. De verdediging van [de eiser I] is slecht geplaatst om thans nog enige schending van zijn rechten van verdediging op te werpen”; met die reden beantwoordt het arrest niet het inhoudelijke verweer van de eiser I dat de wettelijke plichten van de onderzoeksrechter en de onderzoekers niet op de verdediging mogen worden afgewenteld en dat het voor de verdediging ondoenbaar is alle tapgesprekken te controleren.
  30. Het arrest (p. 16-18) verwerpt eisers verweer over de regelmatigheid van de vijfdaagse verslagen van de telefoontaps niet enkel op grond van de in het middel vermelde reden, maar ook op grond van de overige zelfstandige redenen vermeld in het antwoord op het derde middel. Het middel dat geen acht slaat op die redenen, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Vijfde middel van de eiser I
  31. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beveelt lastens de eiser I de verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel ten bedrage van 75.000,00 euro zonder dat bedrag te motiveren op een wijze die het Hof toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; meer bepaald blijkt uit de motivering van het arrest niet van welk uit het strafdossier blijkend vermogensvoordeel de appelrechters uitgaan om hun matigingsbevoegdheid uit te oefenen teneinde aan de eiser I geen onredelijk zware straf op te leggen.
  32. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter geen bijzondere motiveringsverplichting voor wat betreft de keuze van de straffen en de maat ervan. In geval van verbeurdverklaring legt die bepaling aan de rechter enkel de verplichting op vast te stellen dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarden om die bijkomende straf op te leggen, onverminderd de verplichting om een eventuele conclusie te beantwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  33. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, verplicht de rechter om de keuze voor straffen of maatregelen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, alsook de maat ervan, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  34. De rechter die het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde van de vermogensvoordelen als bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek ex aequo et bono bepaalt, mag dat niet willekeurig doen, maar moet de gegevens van het strafdossier in aanmerking nemen die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van dat bedrag of die geldwaarde toelaten. Dit moet blijken uit de motivering van deze bijkomende straf.
  35. Het arrest oordeelt: - rechtdoend op de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie om de eiser I te veroordelen tot de verbeurdverklaring van 121.000,00 euro als vermogensvoordeel op grond van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, sprak de eerste rechter, na toepassing te hebben gemaakt van zijn matigingsbevoegdheid, lastens de eiser I een verbeurdverklaring uit van 75.000,00 euro als het gematigd gerealiseerd vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit de misdrijven is verkregen; - de verdediging vroeg ter rechtszitting deze verbeurdverklaring nog te beperken tot 45.000,00 euro, maar brengt geen argumenten aan om deze berekening te herleiden; - het openbaar ministerie gedroeg zich wat betreft de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen naar de wijsheid van het hof van beroep; - bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel hebben de onderzoekers zich gebaseerd op de talrijke taps en de verklaringen van de afnemers; - een exacte berekening van het genoten vermogensvoordeel is niet mogelijk; - teneinde de eiser I geen onredelijk zware straf op te leggen bepaalt het hof van beroep, rekening houdend met de matigingsbevoegdheid, het bedrag van de vermogensvoordelen waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken lastens de eiser I opdat hij dient te beseffen dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is dat het plegen van drugsdelicten lonend zou zijn, op een bedrag van 75.000,00 euro.
  36. Met die redenen vermeldt het arrest in antwoord op het verweer van de eiser I waarom het overgaat tot een ex aequo et bono-bepaling van het bedrag van het vermogensvoordeel, welke dossiergegevens het daarvoor in aanmerking neemt, waarom het de verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel oplegt en waarom het die verbeurdverklaring beperkt tot 75.000,00 euro. Aldus is het bedrag van het verbeurdverklaarde vermogensvoordeel niet willekeurig, maar wel nauwkeurig bepaald en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het wettigheidstoezicht van het Hof of het verbod van willekeur vereist dat de appelrechters uitdrukkelijk het bedrag vermelden waarop zij hun matigingsbevoegdheid toepassen om de eiser I geen onredelijk zware straf op te leggen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II
  37. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beveelt lastens de eiser II de verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel ten bedrage van 75.000,00 euro zonder dat bedrag te motiveren; aldus is het arrest tegenstrijdig en onnauwkeurig gemotiveerd.
  38. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  39. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het vijfde middel van de eiser I en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Tweede middel van de eiser II
  40. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser II, zoals de eerste rechter, tot een gevangenisstraf van 42 maanden, maar oordeelt dat zonder de overschrijding van de redelijke termijn een hogere straf passend zou zijn geweest; voor deze initiële strafverzwaring was eenparigheid vereist.
  41. Volgens artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering is eenstemmigheid vereist voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te verzwaren.
  42. Er is slechts strafverzwaring in de zin van die bepaling indien het gerecht in hoger beroep de werkelijk uitgesproken straf verzwaart in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken straf. Er is geen strafverzwaring indien het gerecht in hoger beroep oordeelt dat het bij niet-overschrijding van de redelijke termijn een zwaardere straf zou opleggen dan de eerste rechter, maar het ter remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn enkel een gelijke straf oplegt als de eerste rechter. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  43. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 264,61 euro, waarvan 132,30 euro door eiser I is verschuldigd en 132,31 euro door eiser II. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 14 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131217.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150512.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.