← België

D. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.3 Rolnummer: C.20.0341.N Zaak: D. contra L. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Unierecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-01-06 Raadplegingen: 593 - laatst gezien 2026-06-18 17:46 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211216.1N.3 Fiches 1 - 4 Wanneer de partij die de procedure eerst bij een gerecht van een lidstaat aanhangig heeft gemaakt, zich er in een later aanhangig gemaakte procedure voor het gerecht van een andere lidstaat toe verbindt om afstand te doen van het geding in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht, maar zij vervolgens nalaat die afstand van geding uit te voeren, zodat geen einde komt aan de procedure in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht, blijven de aanhangigheidsregels krachtens artikel 19 Brussel IIbis-Verordening gelden en blijft de situatie van litispendentie voortbestaan zodat het laatst aangezochte gerecht de partijen naar het eerst aangezochte gerecht moet verwijzen, wanneer de bevoegdheid van dit gerecht vaststaat, zoniet zou dit leiden tot parallelle procedures met mogelijk tegenstrijdige beslissingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANHANGIG GEDING Vrije woorden: Aanhangige procedure in een Lidstaat - Later aanhangig gemaakte procedure in een andere Lidstaat - Voorgenomen afstand van de eerste procedure - Geen uitvoering van de afstand - Gevolg Wettelijke bepalingen: EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - 27-11-2003 - Art. 19, tweede en derde lid Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Vrije woorden: Aanhangige procedure in een Lidstaat - Later aanhangig gemaakte procedure in een andere Lidstaat - Voorgenomen afstand van de eerste procedure - Geen uitvoering van de afstand - Gevolg Wettelijke bepalingen: EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - 27-11-2003 - Art. 19, tweede en derde lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Brussel IIbis-verordening - Regels van aanhangigheid - Aanhangige procedure in een Lidstaat - Later aanhangig gemaakte procedure in een andere Lidstaat - Voorgenomen afstand van de eerste procedure - Geen uitvoering van de afstand - Gevolg Wettelijke bepalingen: EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - 27-11-2003 - Art. 19, tweede en derde lid Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Brussel IIbis-verordening - Regels van aanhangigheid - Aanhangige procedure in een Lidstaat - Later aanhangig gemaakte procedure in een andere Lidstaat - Voorgenomen afstand van de eerste procedure - Geen uitvoering van de afstand - Gevolg Wettelijke bepalingen: EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - 27-11-2003 - Art. 19, tweede en derde lid Tekst van de beslissing Nr. C.20.0341.N S. D., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen F. L., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 februari
  1. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 9 november 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Artikel 19, lid 2, Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna Brussel IIbis-Verordening) bepaalt dat wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat. Krachtens artikel 19, lid 3, van voornoemde verordening verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, partijen naar dat gerecht. In dit geval kan de partij die de procedure aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, die vordering aanhangig maken bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.
  3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat de in voornoemde bepaling neergelegde dwingende aanhangigheidsregels ertoe strekken, in het belang van een goede rechtsbedeling in de Unie, parallelle procedures voor de gerechten van verschillende lidstaten en de tegenstrijdige beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn, te voorkomen. Hiertoe heeft de Uniewetgever beoogd een duidelijke en afdoende regeling in te stellen om problemen op het gebied van aanhangigheid op te lossen, die gebaseerd is op de chronologische volgorde waarin de zaak bij de gerechten is aangebracht (HvJ 9 november 2010, C-296/10, Purrucker, r.o. 64; 6 oktober 2015, C-489/14, A t. B, r.o. 29 en 30; 16 januari 2019, C-386/17, Liberato, r.o. 43). Het Hof van Justitie oordeelt in dit licht in vaste rechtspraak dat de Brussel IIbis-Verordening gebaseerd is op de samenwerking en het wederzijdse vertrouwen tussen rechterlijke instanties, welke moeten leiden tot de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, de hoeksteen voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte (HvJ 9 november 2010, C-296/10, Purrucker, r.o. 81; 15 februari 2017, C-499/15, W, V t. X, r.o. 50; 16 januari 2019, C-386/17, Liberato, r.o. 41).
  4. In zijn arrest van 6 oktober 2015, C-489/14, A t. B, heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat van litispendentie in de zin van artikel 19 Brussel IIbis-Verordening sprake is als de tussen dezelfde partijen ingestelde procedures gelijktijdig bij rechters van verschillende lidstaten aanhangig zijn. Wanneer twee procedures bij rechters van verschillende lidstaten zijn ingesteld, verdwijnt het risico op onverenigbare uitspraken en bijgevolg de situatie van litispendentie slechts als aan één ervan een einde komt (r.o. 37). Pas wanneer aan de procedure voor het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, in de eerste lidstaat een einde komt nadat de zaak bij het tweede gerecht in de tweede lidstaat aanhangig is gemaakt, is niet langer voldaan aan de criteria voor litispendentie en moet de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, geacht worden niet vast te staan (r.o. 45).
  5. Uit deze rechtspraak en de hierin verankerde basisdoelstellingen van de aanhangigheidsregels volgt kennelijk dat wanneer de partij die de procedure eerst bij een gerecht van een lidstaat aanhangig heeft gemaakt, zich er in een later aanhangig gemaakte procedure voor het gerecht van een andere lidstaat toe verbindt om afstand te doen van het geding in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht, maar zij vervolgens nalaat die afstand van geding uit te voeren, zodat geen einde komt aan de procedure in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht, de aanhangigheidsregels krachtens artikel 19 Brussel IIbis-Verordening blijven gelden. De situatie van litispendentie blijft immers voortbestaan zodat het laatst aangezochte gerecht de partijen, krachtens voormeld artikel 19, lid 3, naar het eerst aangezochte gerecht moet verwijzen, wanneer de bevoegdheid van dit gerecht vaststaat. Indien een partij zich in de lidstaat van het laatst aangezochte gerecht, omwille van de niet-uitvoering van de afstand van geding in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht, niet meer zou mogen beroepen op het bestaan van deze eerder aanhangig gemaakte procedure in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht, terwijl die procedure aldaar wel verderloopt en de situatie van litispendentie dus blijft bestaan, zou dit immers leiden tot parallelle procedures met mogelijk tegenstrijdige beslissingen, hetgeen de Unieregelgever met de aanhangigheidsregels vervat in artikel 19 Brussel IIbis-Verordening heeft willen vermijden.
  6. De appelrechter stelt vast dat: - de eiseres, met de Italiaanse nationaliteit, op 2 juli 2018 een procedure aanhangig heeft gemaakt voor de jeugdrechtbank te Monza (Italië) tot het verkrijgen van het exclusieve verblijfsrecht van dochter L. bij haar in Italië, opschorting van de contacten met de vader en het verkrijgen van een financiële regeling; - de verweerder, met de Belgische nationaliteit, op 20 juli 2018 een procedure aanhangig heeft gemaakt bij de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel strekkende tot toekenning van de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag, het hoofdverblijf van dochter L. bij hem in België en het verkrijgen van een financiële regeling; - de familierechtbank te Brussel bij tussenvonnis van 16 augustus 2018, uitge-sproken bij verstek ten aanzien van de eiseres, heeft besloten tot de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, het hoofdverblijf van dochter L. bij de verweerder in België, het verbod voor de eiseres om met L. het Belgische grondgebied te verlaten en betaling door de eiseres van een onderhoudsbijdrage, en de zaak in voortzetting heeft gesteld met het oog op het bereiken van een mogelijk akkoord tussen partijen; - partijen op de zitting van 16 oktober 2018 voor de familierechtbank te Brussel een akkoordconclusie hebben ingediend, waarin zij overeenkwamen dat dochter L. haar hoofdverblijf zou hebben bij de verweerder en een secundair verblijf bij de eiseres van vijf aaneengesloten dagen per maand, waarin zij met L. naar Italië mocht reizen, en dat “[de eiseres] er zich door de ondertekening van onderhavige besluiten voor akkoord toe verbindt afstand van geding en vordering te laten acteren voor de Italiaanse rechter in alle procedures die zij in Italië heeft ingeleid lastens [de verweerder] in het geschil dat tussen hen beiden is gerezen in verband met hun dochter L.”; - de familierechtbank te Brussel bij vonnis van 24 oktober 2018 dit akkoord heeft bekrachtigd en partijen heeft veroordeeld tot uitvoering ervan; - de eiseres vervolgens niet de nodige stappen heeft ondernomen om, in uitvoering van voornoemd akkoordvonnis, afstand van geding te laten vaststellen door de rechtbank te Monza, zodat de procedure daar werd voortgezet; - de rechtbank te Monza zich bij vonnis van 18 oktober 2018 internationaal bevoegd heeft geacht en het exclusief hoederecht aan de eiseres heeft toegekend, met vaststelling van de zaak voor verdere behandeling op de rechtszitting van 15 mei 2019; - de verweerder op deze rechtszitting verschenen is en de rechtbank te Monza bij vonnis van 16 mei 2019 haar eerder vonnis van 18 oktober 2018 heeft bevestigd en bijkomende maatregelen heeft genomen in verband met het omgangsrecht van de verweerder met het kind in Italië, met verbod tot het verlaten van het Italiaanse grondgebied met het kind; - de rechtbank te Monza de zaak voor verdere behandeling heeft uitgesteld naar de rechtszitting van 10 juli 2019 en vervolgens naar een rechtszitting in november 2019; - de verweerder op 22 maart 2019 dezelfde zaak opnieuw aanhangig heeft gemaakt bij de familierechtbank te Brussel, op grond van de permanente saisine krachtens artikel 1253ter/7, § 1, Gerechtelijk Wetboek, omdat de eiseres op 3 maart 2019, in weerwil van het akkoordvonnis van de familierechtbank te Brussel van 24 oktober 2018, met dochter L. naar Italië was vertrokken en zij sindsdien niet meer met het kind naar België is teruggekeerd.
  7. De appelrechter oordeelt vervolgens dat: - de familierechtbank die na uitspraak van een eindvonnis, namelijk het akkoordvonnis van 24 oktober 2018, opnieuw wordt geadieerd op basis van de blijvende saisine krachtens artikel 1253ter/7, § 1, Gerechtelijk Wetboek, haar internationale bevoegdheid, zelfs ambtshalve, opnieuw moet onderzoeken door zich te plaatsen op de datum van de nieuwe aanhangigmaking van de zaak, namelijk 22 maart 2019; - vaststaat dat de Italiaanse rechtbank te Monza reeds vóór deze datum van nieuwe aanhangigmaking bij de familierechtbank te Brussel werd aangezocht, namelijk op 2 juli 2018; - de eiseres in de akkoordconclusie ingediend voor de familierechtbank te Brussel op 16 oktober 2018 echter onvoorwaardelijk afstand van geding heeft gedaan, en dus van de procedure die zij voorheen voor de Italiaanse rechtbank te Monza had ingesteld, en zij bij uitvoerbaar vonnis van 24 oktober 2018 werd veroordeeld om die afstand van geding te laten vaststellen door de Italiaanse rechtbank; - zij zich dus niet meer kan beroepen op het bestaan van een voorheen ingeleide procedure voor de Italiaanse rechtbanken om de internationale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken af te wijzen; - het loutere feit dat de eiseres, in strijd met haar akkoord van 16 oktober 2018 en met het akkoordvonnis van 24 oktober 2018, nadien niet de nodige stappen heeft ondernomen om deze onvoorwaardelijke afstand van geding te laten vaststellen door de rechtbank te Monza, maar wel integendeel deze procedure aldaar heeft voortgezet, niet vermag daar anders over te oordelen; - het feit dat de rechtbank te Monza nadien de bevoegdheid van de Italiaanse rechtbanken bevestigd heeft, dan ook niet relevant is; - de Belgische rechtbanken internationale bevoegdheid hadden op het ogenblik van de nieuwe aanhangigmaking van de zaak voor de familierechtbank te Brussel op 22 maart 2019 in het kader van de blijvende saisine overeenkomstig artikel 1253ter/7 Gerechtelijk Wetboek, omdat het kind L. op dat ogenblik haar gewone verblijfplaats in België had, in overeenstemming met artikel 8 Brussel IIbis-Verordening.
  8. Door op die gronden te oordelen dat er geen reden is om partijen naar de rechtbank te Monza te verwijzen, krachtens artikel 19, lid 3, Brussel IIbis-Verordening, en aldus te weigeren toepassing te maken van de aanhangigheidsregels, na te hebben vastgesteld dat aan de aldaar eerst ingestelde procedure geen einde is gekomen, zodat de situatie van litispendentie en het risico op onverenigbare uitspraken niet zijn verdwenen, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Overige grieven
  9. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Omvang van cassatie
  10. De vernietiging van de beslissing inzake de internationale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken heeft de vernietiging tot gevolg van de beslissing betreffende de grond van het voorwerp van het hoger beroep in het bestreden tussenarrest van 25 februari 2020 en van het hieruit voortvloeiende eindarrest van 30 juli
  11. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden tussenarrest van 25 februari 2020 behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart, en het eindarrest van 30 juli
  12. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de voormelde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 16 december 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211216.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.