id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.8 Rolnummer: C.18.0314.N Zaak: V. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-01-06 Raadplegingen: 1639 - laatst gezien 2026-06-19 03:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijke zaken slechts worden geweerd indien de bewijsverkrijging de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of indien hierdoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht; de rechter dient hierbij rekening te houden met al de omstandigheden van de zaak, waaronder de wijze waarop het bewijs werd verkregen, de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan, de ernst van de onrechtmatigheid en de mate waarin hierdoor het recht van de wederpartij werd geschonden, de bewijsnood van de partij die de onrechtmatigheid beging en de houding van de wederpartij
(1).
(1)Cass. 14 juni 2021, AR C.20.0418.N, AC 2021, nr. 437, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijke zaken - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Gebruik in burgerlijke zaken - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 Opdat de rechter kan overgaan tot beëindiging van de onderhoudsverplichting is het voldoende dat hij vaststelt dat de uitkeringsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd en moet daarnaast niet aangetoond zijn dat deze samenleving daadwerkelijk de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde heeft verbeterd. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD Vrije woorden: Samenwoonst uitkeringsgerechtigde met nieuwe partner - Beëindiging van de onderhoudsverplichting - Beoordeling door de rechter - Omvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 301, § 10, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.18.0314.N E. V., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen M. V., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 maart
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 9 november 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijke zaken slechts worden geweerd indien de bewijsverkrijging de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of indien hierdoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht. De rechter dient hierbij rekening te houden met al de omstandigheden van de zaak, waaronder de wijze waarop het bewijs werd verkregen, de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan, de ernst van de onrechtmatigheid en de mate waarin hierdoor het recht van de wederpartij werd geschonden, de bewijsnood van de partij die de onrechtmatigheid beging en de houding van de wederpartij.
- Het middel dat ervan uitgaat dat uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, zoals onder meer neergelegd in artikel 6 EVRM, voortvloeit dat onrechtmatig verkregen bewijs in geschillen van zuiver privaatrechtelijke aard steeds uit het debat moet worden geweerd, faalt in zoverre naar recht.
- De overige aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Krachtens artikel 301, § 10, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek kan de rechter de onderhoudsverplichting beëindigen wanneer de uitkeringsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd. Opdat de rechter kan overgaan tot beëindiging van de onderhoudsverplichting is het voldoende dat hij vaststelt dat de uitkeringsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd en moet daarnaast niet aangetoond zijn dat deze samenleving daadwerkelijk de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde heeft verbeterd.
- Het middel dat ervan uitgaat dat de feitelijke samenleving daadwerkelijk de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde moet verbeteren opdat de rechter kan overgaan tot beëindiging van de onderhoudsverplichting, voegt aan de wet een voorwaarde toe die deze niet bevat. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De beslissing van de appelrechter tot beëindiging van de onderhoudsuitkering steunt op de vaststelling dat voldoende is aangetoond dat de eiseres samenleeft al was zij gehuwd. In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van de appelrechter dat “louter ten overvloede”, gelet op het reeds jarenlange, duurzame karakter van het samenwonen als gehuwden en op de concrete voorgelegde stukken in de onderhavige zaak, redelijkerwijze kan worden aangenomen dat deze feitelijke samenwoning een daadwerkelijke verbetering betekent van de economische toestand van de eiseres, is het gericht tegen een overtollige reden en is het mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 861,79 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 16 december 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251124.3F.1 ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220111.1 ECLI:BE:CTBRL:2024:ARR.20241015.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div