← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.2N.1 Rolnummer: P.21.1578.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-12-21 Raadplegingen: 1089 - laatst gezien 2026-06-18 20:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien de correctionele kamer van het hof van beroep op het hoger beroep van een beklaagde tegen een beslissing van de correctionele rechtbank die zijn op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling ongegrond verklaart, deze beslissing nietig verklaart omdat het gehele strafdossier niet ter beschikking was en de correctionele kamer van het hof van beroep vervolgens uitspraak doet over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en de voorlopige hechtenis handhaaft, doet dit appelgerecht uitspraak krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep van de verzoeker; de omstandigheid dat de correctionele kamer van het hof van beroep verklaart de zaak aan zich te trekken en in eerste en laatste aanleg uitspraak te doen, doet daaraan niets af en maakt die beslissing niet onwettig

(1).
(1)Zie Cass. 31 juli 2001, AR P.01.1063.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010731.4, AC 2001, nr. 425; Cass. 29 mei 1996, AR P.96.0713.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960529.1, AC 1996, nr. 196; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie, 2014, nr. 1389, p.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Handhaving door de correctionele rechtbank zonder volledig dossier - Hoger beroep - Vernietiging van de beslissing - Devolutieve kracht van het hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Voorlopige invrijheidstelling - Handhaving door de correctionele rechtbank zonder volledig dossier - Vernietiging van de beslissing door het appelgerecht - Devolutieve kracht van het hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 3 Het gegeven dat de correctionele rechtbank uitspraak doet over een op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling binnen de in artikel 27, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn van vijf dagen, zonder dat het volledige strafdossier ter beschikking was en die beslissing bijgevolg nietig wordt verklaard door het appelgerecht, heeft niet tot gevolg dat die beslissing niet tijdig werd genomen en de verzoeker op grond van artikel 27, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet in vrijheid moet worden gesteld; de nietigheid van de beroepen beslissing wegens het niet voorhanden zijn van het volledige strafdossier maakt die beslissing niet onbestaande. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Handhaving door de correctionele rechtbank zonder volledig dossier - Nietigheid van de beslissing - Vernietiging door het appelgerecht - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 5 Artikel 5.4 EVRM verzet zich niet ertegen dat de correctionele kamer van het hof van beroep het verzuim van de correctionele rechtbank om uitspraak te doen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en de voorlopige hechtenis te handhaven zonder dat het volledige strafdossier voorhanden was, rechtzet door de beroepen beslissing te vernietigen en zelf uitspraak te doen over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, ditmaal terwijl het volledige strafdossier ter beschikking is; de rechtzetting van dit verzuim door het appelgerecht, dat uitspraak moet doen binnen de vijftien dagen na het instellen van het hoger beroep, belet niet dat de verzoeker recht heeft op een voorziening bij de rechter die op korte termijn oordeelt over de wettigheid van de gevangenhouding. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Recht op voorziening bij de rechter - Handhaving door de correctionele rechtbank zonder volledig dossier - Nietigheid van de beslissing - Rechtzetting van het verzuim door het appelgerecht - Wijze - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Recht op voorziening bij de rechter - Voorlopige hechtenis - Voorlopige invrijheidstelling - Handhaving door de correctionele rechtbank zonder volledig dossier - Nietigheid van de beslissing - Rechtzetting van het verzuim door het appelgerecht - Wijze - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1578.N K R, beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 30 Voorlopige Hechteniswet en artikel 215 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de beroepen beslissing nietig omdat bij de behandeling voor de eerste rechter niet het gehele strafdossier ter beschikking was en trekt vervolgens de zaak aan zich om in eerste en laatste aanleg en dus bij wege van evocatie uitspraak te doen over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, terwijl de appelrechters enkel van de zaak kennis konden nemen krachtens de devolutieve werking van eisers hoger beroep.
  4. Indien de correctionele kamer van het hof van beroep op het hoger beroep van een beklaagde tegen een beslissing van de correctionele rechtbank die zijn op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling ongegrond verklaart, deze beslissing nietig verklaart omdat het gehele strafdossier niet ter beschikking was en de correctionele kamer van het hof van beroep vervolgens uitspraak doet over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en de voorlopige hechtenis handhaaft, doet dit appelgerecht uitspraak krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep van de verzoeker. De omstandigheid dat de correctionele kamer van het hof van beroep verklaart de zaak aan zich te trekken en in eerste en laatste aanleg uitspraak te doen, doet daaraan niets af en maakt die beslissing niet onwettig. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beroepen beslissing, hoewel nietig, tijdig werd genomen en dat er aldus uitspraak werd gedaan binnen de voorgeschreven termijn van vijf dagen; aangezien de beroepen beslissing werd genomen zonder dat een volledig strafdossier ter beschikking was, was die beslissing nietig en dus onbestaande en werd er bijgevolg pas voor het eerst uitspraak gedaan over eisers verzoek van 17 november 2021 op 2 december 2021; het arrest had de beroepen beslissing dan ook niet kunnen betrekken bij de beoordeling over de tijdigheid van de uitspraak over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling.
  6. Het gegeven dat de correctionele rechtbank uitspraak doet over een op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling binnen de in artikel 27, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn van vijf dagen, zonder dat het volledige strafdossier ter beschikking was en die beslissing bijgevolg nietig wordt verklaard door het appelgerecht, heeft niet tot gevolg dat die beslissing niet tijdig werd genomen en de verzoeker op grond van artikel 27, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet in vrijheid moet worden gesteld. De nietigheid van de beroepen beslissing wegens het niet voorhanden zijn van het volledige strafdossier maakt die beslissing niet onbestaande. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert een motiveringsgebrek aan: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de beroepen beslissing nietig is en anderzijds dat die beslissing niet als onbestaande kan worden beschouwd; wanneer de appelrechters in eerste en laatste aanleg uitspraak doen is er maar één beslissing, namelijk het arrest.
  8. In zoverre het onderdeel eenzelfde strekking heeft als het eerste middel, is het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen.
  9. Redenen van een rechterlijke beslissing zijn slechts tegenstrijdig indien zij elkaar teniet doen of opheffen. Dat is niet het geval met eensdeels het oordeel dat een in eerste aanleg genomen beslissing over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling nietig is wegens het niet voorhanden zijn van het volledige strafdossier en anderdeels het oordeel dat die beslissing niet onbestaande is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM: het arrest kon de manifest onwettige beroepen beslissing niet in aanmerking nemen bij de beoordeling of er tijdig uitspraak werd gedaan over eisers verzoek; deze verdragsbepaling vereist opdat er een effectieve voorziening zou zijn dat zowel de eiser als de rechters in eerste aanleg de beschikking hebben over het gehele strafdossier en het arrest stelt vast dat aan die voorwaarde niet is voldaan; het in aanmerking nemen van die beroepen beslissing houdt zelf een schending in van de vermelde verdragsbepaling.
  11. Artikel 5.4 EVRM verzet zich niet ertegen dat de correctionele kamer van het hof van beroep het verzuim van de correctionele rechtbank om uitspraak te doen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en de voorlopige hechtenis te handhaven zonder dat het volledige strafdossier voorhanden was, rechtzet door de beroepen beslissing te vernietigen en zelf uitspraak te doen over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, ditmaal terwijl het volledige strafdossier ter beschikking is. De rechtzetting van dit verzuim door het appelgerecht, dat uitspraak moet doen binnen de vijftien dagen na het instellen van het hoger beroep, belet niet dat de verzoeker recht heeft op een voorziening bij de rechter die op korte termijn oordeelt over de wettigheid van de gevangenhouding. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier-hoofd van dienst Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960529.1 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010731.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.