← België

S. contra OCMW IEPER

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211220.3N.11 Rolnummer: S.21.0008.N Zaak: S. contra OCMW IEPER Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-27 Raadplegingen: 644 - laatst gezien 2026-06-19 04:47 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211220.3N.11 Fiche De ontvankelijkheid van de aanvraag voor een machtiging tot verblijf, op grond van artikel 9ter, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet, wordt beoordeeld door de gemachtigde van de minister en de aanvraag zal bijgevolg slechts ontvankelijk zijn nadat de gemachtigde van de minister daartoe heeft beslist

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Artikel 9ter, § 3 - Machtiging tot verblijf - Ontvankelijkheid - Beslissing Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 9ter, § 1, eerste lid, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 KB 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 17-05-2007 - Art. 7, tweede lid - 33 ELI link Pub nr 2007000527 Tekst van de beslissing Nr. S.21.0008.N
  1. H.S.,
  2. J.N., eisers, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 12 januari 2021 (nr. G.20.0215.N). vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN IEPER, openbare instelling, met zetel te 8900 Ieper, Ter Waarde 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0211.104.959, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 23 oktober
  3. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 22 november 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Krachtens artikel 9ter, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet kan de in België verblijvende vreemdeling die zijn identiteit aantoont overeenkomstig § 2 en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde. Krachtens artikel 9ter, § 3, Vreemdelingenwet verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk in de gevallen bepaald in artikel 9ter, § 3, 1° tot 5°, Vreemdelingenwet. Krachtens artikel 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna KB van 17 mei 2007), geeft de gemachtigde van de minister, behoudens wanneer hij de aanvraag onontvankelijk verklaart, de instructie aan de gemeente om de betrokkene in te schrijven in het vreemdelingenregister, en hem in het bezit te stellen van een attest van immatriculatie model A.
  5. Uit deze bepalingen volgt dat de ontvankelijkheid van de aanvraag wordt beoordeeld door de gemachtigde van de minister en de aanvraag bijgevolg slechts ontvankelijk zal zijn nadat de gemachtigde van de minister daartoe heeft beslist. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een aanvraag, die niet beantwoordt aan de in artikel 9ter, § 3, Vreemdelingenwet bepaalde criteria, van rechtswege ontvankelijk is zonder dat daartoe een beslissing van de gemachtigde van de minister is vereist, faalt naar recht.
  6. Voor het overige is het onderdeel afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk. (…) Kosten
  7. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerder tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 522,06 euro in debet. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 20 december 2021 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211220.3N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211220.3N.11 geciteerd door: ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240320.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.