← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 2.1 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Artt. 2 en 9 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Internering van de veroordeelde - Vlucht van de geïnterneerde naar het buitenland - Europees aanhoudingsbevel - Overlevering naar België - Veroordeling tot een straf of veiligheidsmaatregel van meer dan vier maanden - Internering als maatregel van onbepaalde duur - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 2.1 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Artt. 2 en 9 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering van de veroordeelde - Vlucht van de geïnterneerde naar het buitenland - Europees aanhoudingsbevel - Overlevering naar België - Veroordeling tot een straf of veiligheidsmaatregel van meer dan vier maanden - Internering als maatregel van onbepaalde duur - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 2.1 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Artt. 2 en 9 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel - Vlucht van de geïnterneerde naar het buitenland - Europees aanhoudingsbevel - Overlevering naar België - Veroordeling tot een straf of veiligheidsmaatregel van meer dan vier maanden - Internering als maatregel van onbepaalde duur - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 2.1 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Artt. 2 en 9 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1541.N H L S, geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 23 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Krachtens artikel 78 Interneringswet staat cassatieberoep open tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij: - met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en tot herziening overeenkomstig artikel 62; - met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling; - tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel 77/7 Interneringswet.
  3. Uit die bepaling volgt dat tegen de beslissing tot plaatsing van de eiser in de afdeling tot bescherming van de maatschappij van de strafinrichting te Turnhout, in afwachting van een overplaatsing naar het forensisch psychiatrisch centrum (FPC) Gent of Antwerpen, alsook tegen het toekennen van uitgaansvergunningen, geen cassatieberoep openstaat. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert aan dat eisers vrijheidsberoving onrechtmatig is, omdat het Europees aanhoudingsbevel op grond waarvan hij werd aangehouden in Nederland onwettig is; het aanhoudingsbevel werd immers uitgevaardigd in strijd met de minimumvoorwaarde van bestraffing of opgelegde maatregel van vier maanden bepaald in artikel 2 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit EAB) en artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel; de Interneringswet bepaalt geen minimumduur voor het opleggen van een interneringsmaatregel en de opgelegde maatregel heeft geen minimumduur van vier maanden; de eiser dient onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld.
  5. Krachtens artikel 2.1 Kaderbesluit EAB en artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel kan, wanneer de veroordeling tot een straf reeds heeft plaatsgevonden of een veiligheidsmaatregel is genomen, een Europees aanhoudingsbevel worden uitgevaardigd, voor zover zij ten minste vier maanden bedragen.
  6. Een door artikel 9 Interneringswet bedoelde rechterlijke beslissing tot internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel. Het staat aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij te beslissen over de wijze waarop die maatregel zal worden uitgevoerd en dit overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 75 Interneringswet. Die uitvoeringsmaatregelen kunnen bestaan in het bevelen van een vrijheidsberoving.
  7. Een door artikel 9 Interneringswet bedoelde rechterlijke beslissing tot internering, samen gelezen met de door de kamer voor de bescherming van de maatschappij genomen uitvoeringsbeslissingen van de internering, vormt een veiligheidsmaatregel als bedoeld door artikel 2.1 Kaderbesluit EAB en artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  8. Uit de voormelde bepalingen van de Interneringswet volgt dat de interneringsbeslissing uitwerking blijft hebben tot op het ogenblik dat de kamer voor bescherming van de maatschappij beslist tot de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde. Uit artikel 5.1.e en 5.4 EVRM volgt bovendien dat de veiligheidsmaatregel geen uitwerking meer kan hebben indien niet langer is voldaan aan de uit deze verdragsbepaling voortvloeiende voorwaarden voor vrijheidsberoving.
  9. Uit dit alles volgt dat een door artikel 9 Interneringswet bedoelde interneringsbeslissing een veiligheidsmaatregel is van een onbepaalde duur en dat die voor de toepassing van artikel 2.1 Kaderbesluit EAB en artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel moet worden geacht minstens vier maanden te bedragen.
  10. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1.e en 5.4 en 13 EVRM: het vonnis stelt niet uitdrukkelijk vast dat eisers geestesstoornis nog bestaat; het stelt niet vast dat de vroegere diagnosestelling nog actueel is, wat vereist is in het licht van de beoordeling die de rechtbank dient te maken.
  12. De kamer voor de bescherming van de maatschappij oordeelt onaantastbaar of een geïnterneerde nog steeds geestesgestoord is. Bij die beoordeling is de kamer voor de bescherming van de maatschappij, gelet op haar multidisciplinaire samenstelling en rekening houdend met de wettelijk te verlenen adviezen onder meer op psychosociaal-psychiatrisch vlak, niet steeds verplicht om een aanvullend forensisch psychiatrisch onderzoek te bevelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Het vonnis oordeelt als volgt: - in de adviezen van de psychosociale dienst (PSD) en de directeur met het oog op het verder beheer van eisers internering wordt verwezen naar voorgaande PSD-verslaggeving en van het Schakelteam in 2016, waarin telkens besloten werd tot een hoog risico op nieuwe strafbare feiten, van de medium security instelling in 2017, waarin werd besloten tot een high-risk profiel, en van het FPC die in 2019 middels een risicotaxatie besloot tot een hoog risico op nieuw seksueel geweld; - in zijn verslag van 9 november 2021 weerhoudt psychiater dr. D. L. een forse persoonlijkheidsgestoorde man met meer dan enkele psychopate trekken. De nood aan voldoende beveiliging in een FPC wordt onderstreept; - om te oordelen over het verzoek tot definitieve invrijheidstelling dient de rechtbank te onderzoeken of er thans nog sprake is van een geestesstoornis en of er nog langer te vrezen valt voor wanbedrijven of misdaden met gevaar voor integriteit van derden; - het openbaar ministerie verwijst naar de beoordeling van eisers geestestoestand in het FPC die wel door een gespecialiseerde dienst is opgesteld, maar slechts een eerste urgente beoordeling betreft om in te schatten of de eiser in aanmerking komt voor een verblijf in een maximaal beveiligde setting binnen een Nederlandse TBS-maatregel zonder dat er sprake is van een grondig onderzoek van geestestoestand; - het openbaar ministerie verleent een negatief advies voor definitieve invrijheidstelling en acht een grondigere opvolging of observatie van eisers geestestoestand noodzakelijk; - de rechtbank heeft kennis genomen van de voorliggende stukken en is van oordeel dat de bevindingen waarvan sprake niet kunnen opwegen tegen de gefundeerde diagnosestelling, op basis van testing en observatie in de afdeling tot bescherming van de maatschappij en in het FPC, waarbij telkens werd geconcludeerd tot de aanwezigheid van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met psychopate trekken, een middelenproblematiek en een hoog risico op het plegen van toekomstig algemeen en seksuele gewelddadig gedrag; - deze bevindingen liggen overigens in lijn met de diagnose van gerechtsdeskundigen dr. N. D. in april 2015, dr. V. en dr. C. in oktober 2015 en dr. V. D. in oktober 2016; - door eisers ontvluchting in mei 2018 en in april 2019 heeft hij alleszins geen blijk gegeven van bereidheid tot het correct naleven van regels en gaf hij de behandelaar niet de gelegenheid om zijn geestestoestand, het recidiverisico en eventuele evoluties op dit vlak, over een voldoende lange periode verder te evalueren; - de rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van de door de eiser aangehaalde elementen op geen enkele wijze kan worden besloten tot de afwezigheid van een ernstige geestesstoornis en de afwezigheid van een redelijke vrees tot herval in feiten die de integriteit van derden schaden. Met die redenen stelt het vonnis, dat onder meer verwijst naar een recent verslag van 9 november 2021 van psychiater dr. D. L., vast dat de geestesstoornis van de eiser wel degelijk nog bestaat. Op grond van die redenen kan het wettig tot dat oordeel komen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.